Opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 25 uren, subsidiair 12 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren. Afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging.