Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2026:1875

Bevestiging met uitzondering van de straf. Beroep op noodweer wordt verworpen, er was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte. Het is de verdachte geweest die de aanval heeft ingezet. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Overschrijding van de redelijke termijn. Gevangenisstraf voor de duur van 27 d...

Gerechtshof Amsterdam 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2026:1875 text/xml public 2026-07-09T16:27:09 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-07-09 23-003184-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2023:7792 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1875 text/html public 2026-07-09T16:25:28 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:1875 Gerechtshof Amsterdam , 09-07-2026 / 23-003184-23
Bevestiging met uitzondering van de straf. Beroep op noodweer wordt verworpen, er was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte. Het is de verdachte geweest die de aanval heeft ingezet. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Overschrijding van de redelijke termijn. Gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen met aftrek.

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003184-23

datum uitspraak: 9 juli 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-206782-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,

adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van wat hem onder feit 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep van de verdachte is niet bij akte beperkt en is daarom formeel ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is hoger beroep tegen een vrijspraak niet mogelijk. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen dit feit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof nader zal in gaan op de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren.
Aanvullende bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft een beroep op noodweer gedaan. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de foto’s van het letsel van de verdachte en gesteld dat de verdachte niet anders kon dan het busje pepperspray te gebruiken om zichzelf te verdedigen. De raadsman heeft primair verzocht om de verdachte vrij te spreken en subsidiair hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het hof stelt vast dat om een beroep op noodweer te doen slagen sprake moet zijn van een gedraging die was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder mede kan zijn begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Het hof is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat de verdachte degene is geweest die de aanval heeft ingezet nadat de winkelmedewerkers gerechtigd waren in te grijpen en hem hadden aangesproken op winkeldiefstal. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte. Ook is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Er was dan ook geen sprake van een situatie waarin de verdachte zich met deze aanval moest of mocht verdedigen. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij in zijn gezicht is gespuugd. [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat de beveiliger – [slachtoffer 1] – in zijn gezicht is gespuugd, maar niet duidelijk is of hij dit heeft gehoord of dat hij dit zelf heeft gezien. Alle betrokkenen zijn door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord en hebben allen verklaard zich niet te kunnen herinneren of er is gespuugd. Mocht het hof al uitgaan van de verklaring van [slachtoffer 1] , dan is dit het enige bewijsmiddel in het dossier. De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de belediging.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de tegenover de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] als aangever en van [slachtoffer 2] als getuige van het spugen. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich jaren later, tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris, niet meer kunnen herinneren of er is gespuugd, maakt niet dat de verklaringen die zij hebben afgelegd bij de politie onbetrouwbaar zijn.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan nare, overlastgevende feiten, door met pepperspray te spuiten in de richting van een beveiliger en een supermarktmedewerker die hem aanspraken over een verdenking van winkeldiefstal. De verdachte heeft tevens de beveiliger in zijn gezicht gespuugd. Dit is aan te merken als onacceptabel gedrag. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een busje met pepperspray.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 juni 2026 is hij eerder vanwege mishandeling onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen in beginsel passend.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte heeft op 1 december 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 9 juli 2026 arrest. Gelet hierop is de redelijke termijn met ruim 7 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de gevangenisstraf te verminderen met 3 dagen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een andere of lichtere straf dan een straf die deze – in voorarrest al ondergane – vrijheidsbeneming met zich brengt kan niet worden volstaan.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
BESLISSING
Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2026.

=========================================================================

[…]

Artikel delen