Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2026:2068

Bekrachtiging beschikking rechtbank na verwijzing Hoge Raad. Passeren bewijsaanbod. Het hof komt tot de conclusie dat het bewijsaanbod van de vrouw niet ter zake dienend is: ook indien de vrouw erin zou slagen te bewijzen dat de man van meet af aan ervan op de hoogte was dat het vestigen van een voorkeursrecht een voorwaarde was voor verkoop van de grond door de ouders van de vrouw en hij daar...

Gerechtshof Amsterdam 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2026:2068 text/xml public 2026-08-04T10:59:09 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-07-28 200.358.565/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2068 text/html public 2026-08-04T10:55:47 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:2068 Gerechtshof Amsterdam , 28-07-2026 / 200.358.565/01
Bekrachtiging beschikking rechtbank na verwijzing Hoge Raad.

Passeren bewijsaanbod. Het hof komt tot de conclusie dat het bewijsaanbod van de vrouw niet ter zake dienend is: ook indien de vrouw erin zou slagen te bewijzen dat de man van meet af aan ervan op de hoogte was dat het vestigen van een voorkeursrecht een voorwaarde was voor verkoop van de grond door de ouders van de vrouw en hij daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, kan dat niet leiden tot de vaststelling dat de man daarmee ook stilzwijgend heeft ingestemd met het voorkeursrecht zoals dat uiteindelijk tot stand is gekomen, althans dat de vrouw erop mocht vertrouwen dat de man daarmee instemde.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.358.565/01

zaak/rekestnummers rechtbank Den Haag: FA RK 21-1166 / C/09/607729 (echtscheiding) en FA RK 21-4414 / C/09/614354 (verdeling)

zaaknummer hof Den Haag: 200.314.806/01

zaaknummer Hoge Raad: 24/01051

beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J.G. Schnoor te Den Haag,

tegen

[de man] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [plaats A] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: mr. M. Haasjes te Den Haag.
<nr>1</nr>De procedure na verwijzing door de Hoge Raad 1.1
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 13 december 2024 de tussen partijen gegeven beschikking van het hof Den Haag van 20 december 2023 vernietigd en de zaak verwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing. Voor het verloop van de procedure tot de beschikking van de Hoge Raad verwijst het hof naar deze beschikking.
1.2
Bij het hof zijn de volgende stukken ingekomen:

- het verzoek tot in behandeling nemen na verwijzing Hoge Raad van de zijde van de vrouw van 28 augustus 2025, met het procesdossier in eerste aanleg, het procesdossier in hoger beroep en het procesdossier Hoge Raad;

- het verweerschrift na verwijzing van de zijde van de man van 28 oktober 2025.
1.3
De mondelinge behandeling na verwijzing heeft op 9 april 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Partijen zijn in 2003 gehuwd in gemeenschap van goederen.
2.2.
In 2017 hebben de ouders van de vrouw aan de vrouw een perceel grond geleverd tegen een koopprijs van € 90.000,-. De grond valt in de gemeenschap van goederen. Op het perceel is, na wijziging van de publiekrechtelijke bestemming, de echtelijke woning gebouwd. De bouw van de woning is in 2020 voltooid.
2.3.
Bij notariële akte van 6 april 2020 heeft de vrouw aan haar ouders een voorkeursrecht tot koop op de grond verleend. Het voorkeursrecht houdt kort gezegd in dat als de vrouw het voornemen heeft de echtelijke woning te vervreemden, de ouders als eerste het recht hebben de grond te kopen voor € 90.000,-, onder voorbehoud van het zakelijk recht van opstal ten aanzien van de op de grond gevestigde echtelijke woning.
2.4.
In een taxatierapport van 5 oktober 2020 is de echtelijke woning per die datum gewaardeerd op € 490.000,- rekening houdende met het voorkeursrecht en op € 1.050.000,- zonder rekening te houden met het voorkeursrecht.
<nr>3</nr>Beoordeling
Eerste aanleg
3.1.
In eerste aanleg hebben zowel de vrouw als de man vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap verzocht. Daarbij was in het bijzonder in geschil welke waarde van de echtelijke woning bij de toedeling daarvan in aanmerking moet worden genomen.
3.2.
Bij beschikking van 9 juni 2022 heeft de rechtbank Den Haag de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld. In dat kader is de woning aan de vrouw toegedeeld tegen een waarde van € 1.050.000,-, dus zonder rekening te houden met het voorkeursrecht en onder de voorwaarde de aan de woning verbonden hypothecaire lening voor haar rekening te nemen en de man hieruit te doen ontslaan, alsmede de helft van de overwaarde van de echtelijke woning, zijnde de taxatiewaarde van € 1.050.000,- minus de hypothecaire schuld, aan de man te voldoen.
3.3.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld. De vrouw stelde daarbij aan de orde dat bij de verdeling van de echtelijke woning uitgegaan moet worden van een waarde van € 490.000,- in plaats van € 1.050.000,-.

Hoger beroep
3.4.
Bij beschikking van 20 december 2023 is de beschikking van de rechtbank door het hof Den Haag bekrachtigd. Daartoe heeft het hof overwogen dat volgens de vrouw het vestigen van het voorkeursrecht een voorwaarde was voor haar ouders om de grond aan haar te verkopen en de man daarvan van meet af aan op de hoogte was en daartegen nimmer bezwaar heeft gemaakt, maar dat de man uitdrukkelijk heeft betwist dat hij op de hoogte was van het vestigen van het voorkeursrecht. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het traject dat partijen hebben doorlopen om de bouw van de echtelijke woning op de van de ouders van de vrouw gekochte grond te realiseren, ook het vestigen van het voorkeursrecht op de grond is besproken en dat de man daarvan op de hoogte was, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven. Het hof heeft in dit kader het bewijsaanbod van de vrouw gepasseerd omdat het enkel betrekking heeft op haar stelling dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond is verkocht en derhalve niet op de vraag waar het in deze zaak om draait, namelijk of de man toestemming heeft gegeven voor het vestigen van een voorkeursrecht op de grond.

Cassatieberoep
3.5.
De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld. Onderdeel I van haar cassatiemiddel richtte zich tegen het oordeel van het hof (in rechtsoverweging 5.11) dat de vrouw niet reeds aannemelijk heeft gemaakt dat de man op de hoogte was van het vestigen van het voorkeursrecht, laat staan dat hij daarvoor expliciet toestemming heeft gegeven. De Hoge Raad heeft dit onderdeel verworpen. Voor dit hof geldt daarmee het uitgangspunt dat niet kan worden aangenomen dat de man op de hoogte was van het vestigen van het voorkeursrecht, en dat ook niet kan worden aangenomen dat de man expliciet toestemming heeft gegeven voor het vestigen van het voorkeursrecht op de grond.
3.6.
Onderdeel II van het cassatiemiddel ziet op het passeren van het bewijsaanbod van de vrouw. Het onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat de te bewijzen aangeboden stelling van de vrouw dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de ouders van de vrouw de grond hebben verkocht, wel degelijk van belang is bij de beantwoording van de vraag of de man stilzwijgend akkoord is gegaan met het voorkeursrecht.
3.7.
De Hoge Raad heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard. Daartoe heeft de Hoge Raad overwogen:

De vraag of de man in de door de vrouw gestelde omstandigheden heeft ingestemd met het verlenen van het voorkeursrecht, althans of de vrouw erop mocht vertrouwen dat de man daarmee instemde, moet worden beantwoord aan de hand van de art. 3:33 BW en 3:35 BW (de wilsvertrouwensleer). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Instemming met het voorkeursrecht kan gelegen zijn in een handelen, maar ook een niet-handelen van de man. Daarbij is van belang of de man, zoals de vrouw heeft gesteld, van meet af aan op de hoogte was van het voorkeursrecht als voorwaarde voor de verkoop van de grond door haar ouders.

Het oordeel van het hof dat die door de vrouw te bewijzen aangeboden stelling geen betrekking heeft op de vraag of de man toestemming heeft gegeven voor het verlenen van het voorkeursrecht, geeft daarom blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk.’

Standpunten partijen na cassatie en verwijzing
3.8.
De vrouw stelt in haar verzoek na verwijzing dat in het kader van de vraag of de man stilzwijgend akkoord is gegaan met het voorkeursrecht cruciaal is of de voorwaarden waaronder de grond aan de man en de vrouw verkocht is, aan de man bekend waren. Als de man bekend was met de voorwaarden, dan volgt uit het feit dat hij heeft meegewerkt aan de aankoop, dat hij impliciet heeft ingestemd met het vestigen van het voorkeursrecht, aldus de vrouw. Volgens de vrouw was het vestigen van het voorkeursrecht een voorwaarde voor de verkoop van de grond door haar ouders vanwege het feit dat de grond tegen een lage prijs werd geleverd. De man was vanaf de aanvang overal bij betrokken. De communicatie met de notaris verliep via het gezamenlijk gebruikte e-mailadres van partijen. De man was dan ook op de hoogte van het vestigen van het voorkeursrecht en heeft hiertegen niet geprotesteerd. Pas nadat in de echtscheidingsprocedure bleek dat het voorkeursrecht van invloed was op de waarde van de woning is de man gaan ontkennen dat hij op de hoogte was en dat hij (al dan niet impliciet) zijn toestemming had gegeven voor de vestiging van het voorkeursrecht.
3.9.
De man erkent in zijn verweerschrift na verwijzing dat er vóór september 2017 uitgebreid overleg tussen partijen en de ouders van de vrouw is geweest over de aankoop van de grond door partijen tegen een bedrag van € 90.000,-, maar betwist dat daarbij is gesproken over aan de verkoop verbonden voorwaarden. Pas in het najaar van 2020, nadat de vrouw de echtscheiding had aangevraagd, is de man ervan op de hoogte geraakt dat de grond alleen aan de vrouw was geleverd en dat er een voorkeursrecht op de grond was gevestigd. De man is niet betrokken geweest bij de (ontwerp)akte van levering en ook niet bij de (ontwerp)akte van vestiging van het voorkeursrecht. Hij gebruikte de gezamenlijke e-mailbox van partijen uitsluitend wanneer de vrouw hem vroeg een e-mail te sturen in een andere kwestie. De definitieve inhoud van het voorkeursrecht is bovendien pas op 6 april 2020 vormgegeven, nadat aanzienlijke wijzigingen waren aangebracht in de ontwerpaktes, zo is de man later gebleken. Voor het aannemen van een stilzwijgende instemming van de man met het verlenen van het voorkeursrecht dient hij in ieder geval bekend te zijn met de inhoud en betekenis van het voorkeursrecht en de gevolgen ervan. Volgens de man mocht de vrouw niet gerechtvaardigd erop vertrouwen dat de man instemde met het voorkeursrecht (door daartegen nooit bezwaar te maken), omdat de gevolgen van het verleende voorkeursrecht heel groot zijn voor de man. Als de ouders van de vrouw gebruik zouden maken van hun voorkeursrecht, dan zou de man een groot deel van zijn vermogen kwijt raken omdat partijen ruim € 700.000,- in de woning hebben geïnvesteerd. Ook al zou de vrouw middels getuigenverhoren bewijzen dat de man van meet af aan op de hoogte was van het voorkeursrecht als voorwaarde voor de verkoop van de grond door haar ouders, dan kan dit niet leiden tot de vaststelling dat de man daarmee ook stilzwijgend heeft ingestemd met het voorkeursrecht zoals dat later bij akte van 6 april 2020 werd overeengekomen, althans dat de vrouw erop mocht vertrouwen dat hij daarmee instemde.

Oordeel hof
3.10.
De vrouw biedt in haar memorie na verwijzing aan te bewijzen door het horen van haar ouders en haar zus en zwager, dat de man van meet af aan op de hoogte was van de voorwaarden waaronder de grond aan de vrouw werd verkocht, hetgeen ziet op (1) de lage prijs van de grond omdat daarop een voorkeursrecht werd gevestigd en (2) het feit dat een voorkeursrecht gevestigd diende te worden als onderdeel van de overeenkomst tot koop en levering van de grond door de ouders.
3.11.
Zoals hiervoor uiteengezet is, hebben de ouders van de vrouw reeds op 6 september 2017 de grond aan de vrouw geleverd. Vast staat dat het voorkeursrecht ruim 2,5 jaar na de levering van de grond aan de vrouw is gevestigd, te weten door middel van een notariële akte van 6 april 2020. Vanaf de periode waarin volgens de vrouw in het bijzijn van de man veelvuldig aan de keukentafel is gesproken over verkoop van de grond en de voorwaarden daarvoor, is dus geruime tijd verstreken voordat het voorkeursrecht daadwerkelijk tot stand is gekomen. De vrouw heeft hierover ter zitting van dit hof verklaard dat de levering van de grond spoedeisend was in verband met de bouwplannen van partijen en het niet lukte om beide aktes, te weten die ten aanzien van de koop van de grond enerzijds en die ten aanzien van het voorkeursrecht anderzijds, gelijktijdig te passeren omdat de notaris ten aanzien van het voorkeursrecht meer tijd nodig had om de gemaakte afspraken juridisch juist op papier te zetten. De notaris heeft hierover – aldus de vrouw – tegenover haar en haar familie verklaard dat het een kwestie betrof waarmee hij niet dagelijks te maken had.
3.12.
Het hof stelt verder vast dat de man en de vrouw in de tussentijd – in 2019 – een vrijstaande woning tegen een aanneemsom van € 383.445,17 hebben laten bouwen op het perceel (in maart 2019 opgeleverd), en daarmee een aanzienlijke investering deden. Als gezegd gaat de man uit van een totale investering van € 700.000,-.
3.13.
De eerste ontwerpakte met betrekking tot het voorkeursrecht dateert van 3 oktober 2019. Zoals de man heeft aangevoerd, blijkt uit de stukken dat de inhoud van het voorkeursrecht na opstelling van dit concept aanzienlijk is gewijzigd. In de eerste ontwerpakte is, naast de ouders van de vrouw, de zus van de vrouw opgenomen als (tweede) gerechtigde tot het voorkeursrecht. Daarnaast is een verkoopprijs van € 80.000,- genoemd en zou volgens artikel 3 het voorkeursrecht verleend worden met betrekking tot het registergoed: het woonhuis met de grond, in plaats van een beperking van het voorkeursrecht tot uitsluitend de grond. In de tweede ontwerpakte van 23 maart 2020 is de zus van de vrouw als tweede gerechtigde verwijderd en is het verkoopbedrag aangepast naar € 90.000,-. In de uiteindelijke akte, die op 6 april 2020 is gepasseerd, is het voorkeursrecht gevestigd op de grond, “onder het voorbehoud van een zakelijk recht van opstal ten behoeve van de eigenaar met betrekking tot de op die percelen gestichte opstallen”.
3.14.
Het hof constateert dat de inhoud van het te vestigen recht van opstal niet is uitgewerkt in de uiteindelijke notariële akte. Gesteld noch gebleken is dat dit recht van opstal op enig ander moment nadien is uitgewerkt, waarmee vaststaat dat op een essentieel onderdeel geen nadere invulling bestaat van wat het voorkeursrecht concreet behelst. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting van dit hof geen toelichting kunnen geven over de achtergrond van deze wijzigingen, en ook geen verklaring kunnen geven voor de ingrijpende wijzigingen in de opeenvolgende aktes.
3.15.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot het oordeel dat het op de weg van de vrouw lag om allereerst het nodige te stellen en feitelijk te onderbouwen ten aanzien van het voorkeursrecht zoals dat uiteindelijk is gevestigd. Daarbij is uitgangspunt – zoals hiervoor uiteen gezet is – dat niet kan worden aangenomen dat de man op de hoogte was van het vestigen van het voorkeursrecht, en dat ook niet kan worden aangenomen dat de man expliciet toestemming heeft gegeven voor het vestigen van het voorkeursrecht op de grond. Bij deze stand van zaken heeft te gelden dat, zelfs indien de vrouw door middel van de door haar genoemde getuigen zou kunnen bewijzen dat de man van meet af aan wist dat als voorwaarde voor de verkoop van de grond daarop een voorkeursrecht zou worden gevestigd, daarmee niet kan worden vastgesteld dat de man op enig moment akkoord is gegaan met het voorkeursrecht zoals dat in de uiteindelijke vorm is gevestigd. Zoals uiteengezet, is aanzienlijk veel tijd verstreken na het maken van de (beweerdelijke) afspraken voordat deze op papier zijn gezet, waarna deze vervolgens nog verschillende keren en op essentiële onderdelen zijn aangepast, telkens met zeer uiteenlopende en verstrekkende rechtsgevolgen. Onder die omstandigheden is het hoe dan ook niet mogelijk om een impliciete toestemming van de man aan te nemen voor het vestigen van het voorkeursrecht, zoals dat uiteindelijk tot stand is gekomen. Vaststaat dat de inhoud van dat voorkeursrecht pas met de akte van 6 april 2020 definitief is vormgegeven, terwijl daarbij het gevestigde recht op een (essentieel) onderdeel – het recht van opstal van de eigenaar – niet verder is uitgewerkt. Bovendien is sprake geweest van sterk uiteenlopende conceptversies van het te vestigen voorkeursrecht, die wat betreft de omvang van het te vestigen voorkeursrecht op essentiële punten afweken. Illustratief in dit verband is dat de vrouw desgevraagd ter zitting van het hof geen antwoord kon geven op de vraag wat het gevestigde voorkeursrecht – ook in relatie tot het voorbehoud van het zakelijk recht van opstal - nu precies inhoudt.
3.16.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat het bewijsaanbod van de vrouw niet ter zake dienend is: ook indien de vrouw erin zou slagen te bewijzen dat de man van meet af aan ervan op de hoogte was dat het vestigen van een voorkeursrecht voorwaarde was voor verkoop van de grond door de ouders van de vrouw en hij daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, kan dat niet leiden tot de vaststelling dat de man daarmee ook stilzwijgend heeft ingestemd met het voorkeursrecht zoals dat uiteindelijk tot stand is gekomen, althans dat de vrouw erop mocht vertrouwen dat de man daarmee instemde.
3.17
Dit betekent dat de grief van de vrouw faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van dit hof – na cassatie – onderworpen. De man heeft verzocht de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep te veroordelen. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding. Vanwege de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten compenseren, zodat ieder de eigen kosten draagt.
<nr>4</nr>De beslissing
Het hof:

rechtdoende in hoger beroep na verwijzing:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 juni 2022, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Artikel delen