Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2026:2087

Bewezenverklaring mishandeling van broer. Partiële vrijspraak t.a.v. het gooien met een waterflesje. N-o ten aanzien van het andere feit, wegens vrijspraak in eerste aanleg. Oplegging geldboete 700 euro. Constatering overschrijding redelijke termijn. Bespreking vordering bp.

Gerechtshof Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2026:2087 text/xml public 2026-08-03T15:16:49 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-30 23-003209-23 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2087 text/html public 2026-08-03T14:57:41 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:2087 Gerechtshof Amsterdam , 30-04-2026 / 23-003209-23
Bewezenverklaring mishandeling van broer. Partiële vrijspraak t.a.v. het gooien met een waterflesje. N-o ten aanzien van het andere feit, wegens vrijspraak in eerste aanleg. Oplegging geldboete 700 euro. Constatering overschrijding redelijke termijn. Bespreking vordering bp.

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003209-23

datum uitspraak: 30 april 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 november 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-327137-20 (hierna: zaak A) en 13-245205-22 (hierna: zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1971,

adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2026.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak B is tenlastegelegd. Zijn hoger beroep is ook tegen die vrijspraak ingesteld en dat kan niet volgens de wet (artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering). Het hof zal het beroep tegen deze vrijspraak daarom niet inhoudelijk behandelen en de verdachte niet-ontvankelijk verklaren.
Tenlasteleggingen
Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat:

Zaak A:

hij op of omstreeks 22 juli 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, [benadeelde partij] heeft mishandeld door een of meerdere keren met een vuist te slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht en/of hoofd, althans het (boven)lichaam, en/of een kopstoot in/op/tegen het gezicht en/of hoofd te geven en/of een fles water te gooien tegen (de zijkant van) het (boven)lichaam;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het in zaak A tenlastegelegde ten aanzien van de mishandeling die plaatsvond voor de winkel [bedrijf 1] . De advocaat-generaal heeft daarbij verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het gooien met het waterflesje, nu niet is gebleken dat dit pijn of letsel bij de aangever heeft veroorzaakt. De advocaat-generaal acht de door de aangever beschreven geweldshandelingen door de verdachte daaraan voorafgaand in de winkel “ [bedrijf 2] ” niet bewijsbaar wegens het volgens haar ontbreken van steunbewijs daarvoor.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A tenlastegelegde wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Op basis van de (beschrijving van de) camerabeelden kan niet worden vastgesteld dat de aangever daadwerkelijk is mishandeld en ook het medisch journaal schept geen duidelijkheid over het verband tussen de vermeende geweldshandelingen van de verdachte en het letsel van de aangever, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

De aangever heeft in zijn aangifte allereerst verklaard dat hij op 22 juli 2020 omstreeks 19:00 uur in de winkel “ [bedrijf 2] ” door de verdachte met de vuist vol op zijn kaak is geslagen. Hij heeft verklaard dat dit pijn deed. De huisarts heeft op 23 juli 2020 bij hem een kaakkneuzing geconstateerd. Dit letsel past bij wat de aangever heeft verklaard over de feitelijke toedracht van de mishandeling met betrekking tot de kaakslag.

Verder heeft de aangever verklaard dat hij vervolgens later die dag opnieuw - voor de ingang van de winkel “ [bedrijf 1] ”- door de verdachte is mishandeld. De verdachte heeft de verdachte een kopstoot gegeven en hem daarna met de vuist in het gezicht geslagen, aldus de aangever. Deze verklaring komt overeen met het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven. In dat proces-verbaal wordt het bewegend beeld beschreven, namelijk dat de man, zijnde de verdachte, met kracht een kopstoot naar voren maakte in de richting van de persoon bij de muur, zijnde de aangever. Daarna wordt gezien dat de verdachte hard met zijn rechter vuist uithaalde in de richting van de aangever. Kort na het voorval is de politie ter plaatse gekomen, die bij de aangever een dikke kaak en een rode dikke plek op het gelaat hebben waargenomen, wat de beschreven geweldshandelingen van de verdachte ondersteund.

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aangever letsel en pijn in zijn gezicht heeft opgelopen ten gevolge van het door de verdachte meermalen slaan en/of stompen en het geven van een kopstoot tegen het gezicht en acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever opzettelijk heeft mishandeld.

Partiële vrijspraak

Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het gooien met een waterflesje pijn of letsel bij de aangever heeft veroorzaakt. Dat deel van de tenlastelegging kan dan ook niet als mishandeling worden gekwalificeerd. De verdachte zal daarvan partieel worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

hij op 22 juli 2020 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft mishandeld door meerdere keren met een vuist te slaan en/of stompen in het gezicht en een kopstoot tegen het gezicht te geven.

Hetgeen in zaak A meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 300,00.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd, waarbij de verdachte de geldboete mag voldoen in zes termijnen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair verzocht aan te sluiten bij de vordering van de advocaat-generaal.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de aangever, zijn broer en zakenpartner, meerdere keren in het gezicht geslagen en hem een kopstoot gegeven. De aangever heeft hierdoor een kaakkneuzing en pijn opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Het voorval vond bovendien plaats in en voor de ingang van een horecagelegenheid, waardoor meerdere omstanders getuige zijn geweest van het geweld.

Het hof heeft gelet op de straffen die in de regel worden opgelegd bij mishandeling, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin geldt als uitgangspunt een geldboete ter hoogte van € 1.000,00.

Het hof houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter zitting in hoger beroep door de raadsman naar voren zijn gebracht. Daaruit is gebleken dat de twee zaken van de verdachte (en die van de aangever) inmiddels failliet zijn verklaard en dat hij in de schuldsanering terecht is gekomen. De verdachte kampt met forse gezondheidsproblemen en is momenteel niet in staat om te werken. Gelet daarop – en in aanmerking genomen dat het om een inmiddels betrekkelijk oud feit gaat – acht het hof een geldboete ter hoogte van € 700,00 passend en geboden.

Het hof constateert met de advocaat-generaal dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is op 6 december 2023 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof pas op 30 april 2026 arrest wijst. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt dus ongeveer viereneenhalve maand. Gelet op de opgelegde straf, volstaat het hof met de enkele constatering van deze overschrijding.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.000,00, bestaande uit een bedrag van € 5.000,00 aan materiële schade en een bedrag van € 15.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade moet worden toegewezen tot een bedrag van € 500,00, met de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente. Het gevorderde bedrag aan materiële schade kan in het geheel niet worden toegewezen , nu enige onderbouwing ontbreekt.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering primair – gelet op de bepleite vrijspraak – niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft hij verzocht om het bedrag aan materiële schade af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren en het bedrag aan immateriële schade te matigen naar een bedrag van € 150,00.

Het hof overweegt als volgt.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Immers; de verdachte heeft de benadeelde partij meermalen in het gezicht geslagen en hem een kopstoot gegeven, waardoor hij een dikke kaak en een kaakkneuzing heeft opgelopen.

Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse Schaal (RS) tot uitgangspunt. Het hof ziet in de gegeven situatie aanleiding aan te sluiten bij de daarin genoemde categorie ‘Licht letsel’ met een herstelperiode korter dan 2 maanden, waarbij sprake is van oppervlakkig en beperkt letsel (RS paragraaf 13 sub c). Alles afwegend op basis van een genoegzaam gevoerd partijdebat, stelt het hof de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vast op € 300,00. Het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal het hof afwijzen, omdat dat deel de grenzen van de billijkheid te buiten gaat en de ongegrondheid van dat deel gelet op het voorgaande in voldoende mate is komen vast te staan.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de immateriële schade door de verdachte wordt vergoed.

Materiële schade

Ter toelichting op de gevorderde materiële schade heeft de benadeelde partij aangevoerd dat hij naar aanleiding van het bewezenverklaarde zijn zaak niet kon openen, waardoor hij omzetverlies heeft geleden. De benadeelde partij heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep concrete bewijsstukken overgelegd noch alsnog aangeboden, waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk financieel verlies heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. Dit had ter ondersteuning van zijn - kale en bovendien in beide instanties betwiste - stelling, wel op zijn weg gelegen. Het hof stelt op grond daarvan vast dat de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest om zijn vordering met concrete gegevens te onderbouwen. Het hof komt daarom tot het oordeel dat de ongegrondheid van deze vordering in voldoende mate is komen vast te staan. Het hof zal de gevorderde materiële schade dan ook afwijzen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak B tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 700,00 (zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in zaak A bewezenverklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in zaak A bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 juli 2020.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. A.W.T. Klappe en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 april 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Artikel delen