Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2026:2088

Gewapende overval in een hotel, waarbij een envelop met cashgeld onder bedreiging met een vuurwapen is weggenomen. De verdachte wordt door meerdere politieambtenaren herkend als de man die op de camerabeelden als gewapende overvaller te zien is. De politieambtenaren kennen de verdachte en zij beschrijven concreet waaraan zij de verdachte hebben herkend. Geen sprake van (onbewuste) beïnvloeding ...

Gerechtshof Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2026:2088 text/xml public 2026-08-03T15:31:13 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-04-30 23-001021-25 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2088 text/html public 2026-08-03T15:30:47 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:2088 Gerechtshof Amsterdam , 30-04-2026 / 23-001021-25
Gewapende overval in een hotel, waarbij een envelop met cashgeld onder bedreiging met een vuurwapen is weggenomen. De verdachte wordt door meerdere politieambtenaren herkend als de man die op de camerabeelden als gewapende overvaller te zien is. De politieambtenaren kennen de verdachte en zij beschrijven concreet waaraan zij de verdachte hebben herkend. Geen sprake van (onbewuste) beïnvloeding tussen de politieambtenaren. Gelet hierop is het hof van oordeel dat deze herkenningen betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs. Bovendien vinden de herkenning steun in de inbeslaggenomen kledingstukken bij de verdachte die overeenkomen met de dader op de beelden. Verklaring van verdachte is onvoldoende aannemelijk. Oplegging GS 3 jaren. Beslag.

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001021-25

datum uitspraak: 30 april 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-258289-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

(post)adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een envelop met cash geld (geldbedrag van ongeveer 500 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan het [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door met een vuurwapen te richten en/of te dreigen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – anders dan de rechtbank – tot een bewezenverklaring komt.
Bewijsoverweging
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar requisitoir – tot de bewezenverklaring van het tenlastegelegde gerekwireerd. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat de processen-verbaal van herkenning van de politie betrouwbaar en dus bruikbaar zijn voor het bewijs.

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat de verdachte de persoon op de camerabeelden is. De herkenningen van de verbalisanten zijn onbetrouwbaar en ten aanzien van de aangetroffen kleding is opgemerkt dat dit zeer gangbare en populaire kledingmerken zijn die veelvuldig worden gedragen bij overvallen. Daarnaast is sprake van tijdsverloop tussen het moment van het aantreffen van de kledingstukken bij de verdachte en de pleegdatum, tevens is slechts sprake van gelijkenis op basis van de camerabeelden, of het dus daadwerkelijk dezelfde kleding is geweest valt niet vast te stellen. Bovendien was de verdachte op het moment van de overval bij zijn moeder om samen een e-mail te versturen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Het betreft hier herkenningen door politieambtenaren van de verdachte op stills en/of bewegende camerabeelden (hierna: camerabeelden) die zijn gemaakt van de gewapende overval. Zij stellen de verdachte te hebben herkend op die stills en/of camerabeelden op grond van eerdere ontmoetingen dan wel confrontaties die zij tijdens hun werk met de verdachte hebben gehad.

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van dit type herkenningen spelen diverse factoren een rol. Herkenning van aan politieambtenaren bekende verdachten is een zogenoemd ‘holistisch proces’ dat zich moeilijk laat rationaliseren en beschrijven. Dat maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de stills en de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daarop maar ten dele te zien valt door de belichting of de hoek van de camera of door vermomming, niet behoeft te betekenen dat de herkenning van de verdachte onbetrouwbaar is. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft, des te minder (aanvullende) visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen is het echter wel van belang (afgezien van een beoordeling van de kwaliteit van de camerabeelden en de beeltenis van de verdachte) hoe de intensiteit en de frequentie van de eerdere contacten met de verdachte was en of een politieambtenaar beschikte over sturende voorinformatie. Het hof dient per herkenning een afweging omtrent de betrouwbaarheid te maken.

Verder kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een herkenning die steun vindt in andere bewijsmiddelen – waaronder ook andere herkenningen kunnen vallen – aan waarde wint.

Op 10 mei 2023 omstreeks 14:00 uur waren de aangever en de getuige [slachtoffer 2] (hierna: de getuige) als medewerkers van het [bedrijf] achter de incheckbalie aan het werk. Op dat moment liep er een man richting de balie. Hij was onder meer gekleed in een zwarte jas met op de linkerborst en rechts achterop de schouder het witte “North Face” logo. Ook droeg hij een zwarte pet met een wit merk op de voorzijde en een zwarte broek met op de linker broekspijp de witte tekst “NASA”. De man hield een vuurwapen op de getuige en vervolgens op de aangever gericht. De man riep in het Nederlands “geef je geld!”. Met getrokken vuurwapen begaf de man zich achter de balie, waarbij hij een envelop met contant geld ter waarde van € 500,00 uit de handen van de aangever pakte. De man liep daarna het hotel uit. In het hotel hing een camera die het voorgaande op (bewegend) beeld heeft vastgelegd.

De verdachte wordt door meerdere politieambtenaren herkend als de man die op de camerabeelden als gewapende overvaller te zien is.

Politieambtenaar [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1] ) is werkzaam als interventiepleger bij de afdeling Integrale Persoonsgerichte Aanpak Top 600/400 (hierna: IPGA). Hij heeft de verdachte herkend op basis van de stills en de bewegende beelden. Hij kent de verdachte sinds hij is ingestroomd in de Top400 sinds medio april 2022. Hij heeft de verdachte meerdere malen, zo’n tien tot vijftien keer, in levende lijve gezien. De verdachte heeft eveneens verklaard dat hij [verbalisant 1] vaak heeft gezien en met hem heeft gepraat. [verbalisant 1] heeft gerelateerd aan welke specifieke kenmerken hij de verdachte herkende. Hij spreekt over zijn baard, zijn oren, zijn jas/vest dat de verdachte vaak tot aan zijn kin omhoog trekt en zijn opvallende manier van lopen, veroorzaakt door een eerder schietincident waarbij de verdachte blijvend letsel aan beide benen heeft opgelopen. [verbalisant 1] heeft een en ander bij de raadsheer-commissaris bevestigd.

Politieambtenaar [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 2] ) is van november 2022 tot januari 2024 werkzaam geweest als hoofdagent bij de IPGA. Hij heeft de verdachte herkend op basis van de stills en de bewegende beelden. Hij heeft de verdachte eenmaal in levende lijve gezien en gesproken toen de verdachte in het ziekenhuis lag wegens een eerder schietincident eind 2022. In zijn proces-verbaal en bij de raadsheer-commissaris heeft hij omschreven dat hij de verdachte heeft herkend aan de specifieke combinatie van zijn gezichtsbeharing (snor en baardlijn), de vorm van zijn neus, zijn oor, krachtige postuur en brede schouders. Daarnaast spreekt [verbalisant 2] over het instabiele lopen van de verdachte, waarmee hij de link legt met het voormelde schietincident.

Er is dus sprake van meerdere herkenningen (mede) op basis van de bewegende beelden, de politieambtenaren kennen de verdachte en zij beschrijven concreet waaraan zij de verdachte hebben herkend. Gelet hierop is het hof van oordeel dat deze herkenningen betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs.

Daarbij overweegt het hof in reactie op het verweer van de raadsman, te weten dat niet kan worden uitgesloten dat sprake is van (onbewuste) beïnvloeding omdat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] samen de beelden hebben gezien, als volgt. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn bij de raadsheer-commissaris gehoord en bevraagd over de totstandkoming van hun herkenning. Beide politieambtenaren verklaren dat zij geen namen hebben genoemd. Het hof ziet geen enkele aanleiding om aan de inhoud van hun verklaringen te twijfelen en ziet eveneens geen aanknopingspunten die aannemelijk maken dat sprake is geweest van (onbewuste) beïnvloeding. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

De herkenningen vinden bovendien steun in het volgende. Tijdens de doorzoeking van de slaapkamer van de verdachte zijn een drietal kledingstukken in beslag genomen. Deze kledingstukken komen overeen met de kledingstukken die de persoon op de beelden, die de politieambtenaren herkennen als de verdachte, droeg. Het gaat om een zwarte pet van het merk “Nike”, een zwarte jas van het merk ‘The North Face” en een zwarte broek van het merk “Nasa”. Hoewel het hof met de verdediging van oordeel is dat aan elk van deze kledingstukken op zichzelf weinig onderscheidende waarde kan worden toegekend, is het aantreffen van de combinatie van deze drie kledingstukken in de slaapkamer van de verdachte wel dermate bijzonder dat het hof, in samenhang beschouwd met het voorgaande, ervan uit gaat dat de verdachte de man is geweest die op de beelden is waargenomen. De stelling van de verdachte, die hij overigens pas ter zitting in eerste aanleg en dus nadat hij het dossier heeft kunnen bestuderen, naar voren bracht, inhoudende dat hij op het moment van de overval bij zijn moeder was om een e-mail te versturen, vindt het hof in het licht van het voorgaande dan ook onvoldoende aannemelijk geworden.

Gelet op wat hiervoor is overwogen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 mei 2023 te Amsterdam, een envelop met cash geld (geldbedrag van ongeveer 500 euro, die geheel aan het [bedrijf] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door met een vuurwapen te richten en/of te dreigen;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep in geval van een bewezenverklaring verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte probeert zijn leven weer op de rit te krijgen. Zo is hij bezig om een begeleid woontraject op te starten, heeft hij onlangs een opleiding afgerond en staat hij ingeschreven voor de Mbo-opleiding Social Work. De verdachte heeft verklaard dat hij “alles zal kwijtraken” als hij gedetineerd raakt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft op klaarlichte dag een hotel overvallen, waarbij hij een vuurwapen heeft gericht op de twee aanwezige medewerkers en een envelop met contant geld heeft buit gemaakt. Daarna is de verdachte er vandoor gegaan. Een dergelijke laffe daad is voor nietsvermoedende slachtoffers – zo leert de ervaring – een heftige en traumatiserende ervaring. Kennelijk heeft de verdachte zijn ogen voor dergelijke gevolgen gesloten en zich enkel laten leiden door de hebberigheid naar ‘snel geld’, waarmee hij bovendien blijk heeft gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van het gedupeerde hotel. Feiten als de onderhavige plegen de rechtsorde ernstig te schokken en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving te versterken.

Blijkens het strafblad van de verdachte van 2 januari 2026 is hij eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld en liep hij in een proeftijd, wat het hof in zijn nadeel weegt. Het hof houdt verder rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien de ernst van het bewezenverklaarde feit acht het hof een forse onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf in beginsel dan ook gerechtvaardigd. Het hof heeft gelet op de straffen die in de regel worden opgelegd bij overvallen op bedrijven die gepaard zijn gegaan met licht geweld/bedreiging en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf van twee jaren genoemd. Het hof zal deze straf als uitgangspunt nemen. De recidive en het gebruik van een vuurwapen weegt het hof als strafverzwarende omstandigheden mee. In de naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om tot een andere of lagere straf over te gaan.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

STK Broek (goednummer 6388252, trainingsbroek NASA);

1 STK Pet (goednummer 6388253, Nike);

1 STK Jas (goednummer 6388254, THE NORTH FACE).

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven kledingstukken onder 1 t/m 3 dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Broek (goednummer 6388252, trainingsbroek NASA);

- 1 STK Pet (goednummer 6388253, Nike);

- 1 STK Jas (goednummer 6388254, THE NORTH FACE).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. P.J. van Eekeren en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 april 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Vergelijk PHR:2019:1316, overweging 4.9. Zie ook [naam]. (2022). Politieagenten als ooggetuigen. In: [verbalisant 3] , [verbalisant 4] & [verbalisant 5] (editors), Bakens in de rechtspsychologie: Liber amicorum voor [verbalisant 6] , Boom Criminologie, p. 406-410.

Artikel delen