Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2026:2166

Kort geding (254 Rv): In hoger beroep geen spoedeisend belang meer bij vordering tot nakoming opdracht. Vordering in eerste aanleg terecht toegewezen. Exhibitievordering (843a (oud) Rv): Afgewezen voor zover niet aannemelijk is dat stukken bestaan. Geen rechtens te respecteren belang bij afgifte stukken uit openbare registers.

Gerechtshof Amsterdam 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2026:2166 text/xml public 2026-08-04T16:16:34 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-07-28 200.350.381 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2166 text/html public 2026-08-04T16:16:06 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:2166 Gerechtshof Amsterdam , 28-07-2026 / 200.350.381
Kort geding (254 Rv): In hoger beroep geen spoedeisend belang meer bij vordering tot nakoming opdracht. Vordering in eerste aanleg terecht toegewezen. Exhibitievordering (843a (oud) Rv): Afgewezen voor zover niet aannemelijk is dat stukken bestaan. Geen rechtens te respecteren belang bij afgifte stukken uit openbare registers.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.350.381/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/759599 / KG ZA 24-932

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 juli 2026

in de zaak van

ADVIESPRAKTIJK A'DAM ZUID-OOST B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. A. van Reek te Amsterdam,

tegen
<nr>1</nr> [geïntimeerde 1] ,
wonend te [plaats 1] ,

2. [geïntimeerde 2],

wonend te [plaats 2] ,

3. [geïntimeerde 3],

wonend te [plaats 3] ,

4. [geïntimeerde 4],

wonend te [plaats 4] ,

5. [geïntimeerde 5],

wonend te [plaats 5] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. T.J. van Weeren te Amsterdam.

Appellante wordt hierna Adviespraktijk genoemd en geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.
<nr>1</nr>De zaak in het kort
[geïntimeerden] vorderen nakoming van een overeenkomst van opdracht waarbij Adviespraktijk zich jegens [geïntimeerden] zou hebben verplicht om een aangifte erfbelasting op te stellen. [geïntimeerden] vorderen verder afgifte van stukken waarover Adviespraktijk zou beschikken. De voorzieningenrechter heeft Adviespraktijk veroordeeld om de aangifte erfbelasting op te stellen en om stukken aan [geïntimeerden] te verstrekken. In hoger beroep speelt onder meer de vraag of [geïntimeerden] (nog) spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben. Het hof oordeelt dat zij dat in de procedure bij de voorzieningenrechter hadden en in hoger beroep deels nog hebben. Het bestreden vonnis wordt gedeeltelijk vernietigd De reden hiervoor is dat [geïntimeerden] in hoger beroep niet langer spoedeisend belang hebben bij hun vordering de aangifte erfbelasting op te stellen en dat de vordering tot afgifte voor enkele stukken wordt afgewezen.
<nr>2</nr>Het geding in hoger beroep
Adviespraktijk is bij dagvaarding van 19 december 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van 3 december 2024 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en Adviespraktijk als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven met producties 17 t/m 21;

- memorie van antwoord met producties 12 t/m 25;

- akte van Adviespraktijk;

- antwoordakte van [geïntimeerden]

Op 5 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.
<nr>3</nr>Feiten 3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Adviespraktijk richt zich onder meer op fiscale advisering en wordt gedreven door de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] drijft daarnaast nog de vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ).
3.3.
[geïntimeerden] zijn (in de volgorde waarin zij hierboven als geïntimeerden zijn vermeld) de weduwe, kinderen, en stiefdochter van de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [naam 2] is op 3 oktober 2021 overleden en [geïntimeerden] zijn zijn erfgenamen.
3.4.
Tot zijn overlijden was [naam 2] samen met zijn echtgenote (geïntimeerde sub 1, hierna: [naam 3] ) bestuurder van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] exploiteert een prostitutiebedrijf in [plaats 5] . Sinds het overlijden van [naam 2] is [naam 3] enig bestuurder van [bedrijf 2] .
3.5.
[naam 1] verstrekte via Adviespraktijk al een aantal jaren voordat [naam 2] overleed fiscaal en financieel advies aan [naam 2] , [naam 3] en [bedrijf 2] . [naam 3] en [naam 1] hebben in de periode 2017 tot aan het overlijden van [naam 2] regelmatig met elkaar via WhatsApp gecommuniceerd. Via WhatsApp zijn onder meer berichten uitgewisseld over verscheidene fiscale aangelegenheden (oktober 2017), een dwangbevel inkomstenbelasting (oktober 2018), een betalingsbevel van de Belastingdienst (april 2019), de sanering van belastingschulden van [naam 2] (januari en februari 2020) en gemeentelijke belastingen (september en oktober 2020). [naam 1] heeft in september 2021 aan [naam 3] het verzoek gedaan om post van de Belastingdienst aan hem door te sturen zodat hij dit in de gaten kan houden.
3.6.
Bij notariële akte van 21 september 2020 hebben [naam 2] , [bedrijf 2] en de door [naam 3] bestuurde vennootschap Basic Instinct Haarlem B.V. (hierna: Basic Instinct) een hypotheekrecht en een pandrecht gevestigd op een aantal registergoederen en daarbij behorende zaken ten gunste van Adviespraktijk en [bedrijf 1] . Deze rechten dienden tot zekerheid voor de terugbetaling van leningen die door Adviespraktijk en [bedrijf 1] waren verstrekt aan [naam 2] , [bedrijf 2] en Basic Instinct.
3.7.
Na het overlijden van [naam 2] hebben [geïntimeerden] de erfenis beneficiair aanvaard en dienden [geïntimeerden] aangifte voor de erfbelasting te doen. [geïntimeerden] hebben Adviespraktijk verzocht om deze aangifte op te stellen. [naam 3] en [naam 1] hebben daar meerdere malen contact over gehad. Onder meer heeft [naam 1] via WhatsApp in oktober 2021 geschreven dat [naam 3] de verklaring voor erfrecht kon ondertekenen en naar de notaris kon sturen. In februari 2022 heeft [naam 1] geschreven dat [naam 3] aan aantal belastingaanslagen nog niet moest betalen omdat dit van belang was voor het successierecht. In juli 2022 heeft [naam 1] meerdere malen post doorgestuurd gekregen inzake het doen van aangifte voor de erfbelasting en vanaf dat moment heeft [naam 1] via WhatsApp van [naam 3] herhaaldelijk het verzoek gekregen om de aangifte erfbelasting op te stellen en is hem herhaaldelijk gevraagd naar de voortgang van het opstellen van de aangifte. In mei 2024 meldt [naam 1] dat hij het aangiftebiljet erfrecht heeft ontvangen en daarvoor uitstel heeft gekregen. Hij zegt daarover: “Deze vullen wij ook nog even in, maar daar is nog tijd zat voor”.
3.8.
Op 6 augustus 2024 heeft de Belastingdienst ambtshalve een aanslag erfbelasting aan [geïntimeerden] opgelegd. Daartegen is pro forma bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 augustus 2024 heeft de Belastingdienst meegedeeld dat voor 10 december 2024 een beslissing op het bezwaar tegen de aanslag erfbelasting zal worden genomen. Bij brief van 25 november 2024 heeft Adviespraktijk de Belastingdienst verzocht de beslistermijn te verlengen tot 15 januari 2025. Adviespraktijk schrijft in die brief dat het niet lukt de aangifte erfbelasting – die nodig is om het bezwaar te onderbouwen – binnen de termijn in te dienen omdat nog niet alle gegevens voorhanden zijn.
<nr>4</nr>Procedure bij de rechtbank 4.1.
Bij de voorzieningenrechter hebben [geïntimeerden] samengevat gevorderd:

( i) veroordeling van Adviespraktijk om uiterlijk 1 december 2024, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen datum, primair tot afronding van de aangifte erfbelasting te komen, subsidiair het complete dossier van de aangifte erfbelasting aan [geïntimeerden] ter beschikking te stellen, op verbeurte van een dwangsom;

(ii) veroordeling van Adviespraktijk op verbeurte van een dwangsom tot afgifte op uiterlijk 1 december 2024 van de volgende stukken:

a. de overeenkomst tot geldlening;

b. de hypothecaire inschrijving van de geldlening;

c. het aflosschema van de geldlening, inclusief rentes;

d. bewijs van de verstrekking van de leningen;

(iii) veroordeling van Adviespraktijk in de proces- en nakosten, met rente.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft Adviespraktijk, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld:

( i) om uiterlijk donderdag 5 december 2024 om 17.00 uur de aangifte erfbelasting af te ronden en deze aangifte compleet en voorzien van de onderliggende stukken ter goedkeuring aan [geïntimeerden] voor te leggen;

( ii) om uiterlijk donderdag 5 december 2024 om 17.00 uur de navolgende stukken aan [geïntimeerden] te verstrekken:

a. de onderliggende overeenkomst bij de hypothecaire geldlening;

b. de hypothecaire inschrijving bij de hypothecaire geldlening;

c. het volledige aflosschema bij de hypothecaire geldlening, inclusief rente;

d. bewijs van de betalingen die zijn verricht aan [bedrijf 2] Management en/of Basic Instinct;

beide veroordelingen op verbeurte van een dwangsom bij niet voldoening en met veroordeling van Adviespraktijk in de proceskosten met nakosten en rente.
<nr>5</nr>Vordering in hoger beroep 5.1.
Adviespraktijk vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] met – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties met nakosten en rente.
5.2.
[geïntimeerden] concluderen tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van Adviespraktijk in de kosten van het geding in hoger beroep.
<nr>6</nr>Beoordeling 6.1.
Adviespraktijk heeft, na een inleiding, in hoger beroep vijf grieven aangevoerd.

Spoedeisend belang
6.2.
De eerste grief van Adviespraktijk richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerden] aannemelijk hebben gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen.
6.3.
Het hof stelt hierbij voorop dat in hoger beroep de rechter in kort geding heeft te beoordelen of de oorspronkelijke eiser op het moment van zijn uitspraak nog een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Dat dient het hof te beoordelen naar de toestand zoals die zich voordoet op het moment van zijn beslissing. Indien het hof tot het oordeel komt dat in hoger beroep het spoedeisend belang ontbreekt, zal het hof de vordering (in zoverre) moeten afwijzen. Dit hoeft er niet aan in de weg te staan dat het vonnis in eerste aanleg juist is gewezen. Dit kan wanneer aan een veroordeling dwangsommen zijn verbonden, betekenen dat de veroordeelde partij in de periode tussen de uitspraak van de voorzieningenrechter en de beslissing in hoger beroep dwangsommen heeft verbeurd. Met het oog daarop moet het hof in hoger beroep in zo’n geval, binnen de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied, beoordelen of de toewijzing van de vordering met dwangsomveroordeling in eerste aanleg terecht was. Dat moet hij doen naar de toestand zoals die zich voordoet op het moment van de beslissing in hoger beroep, met dien verstande dat het vereiste van spoedeisend belang op het moment van de beslissing van de voorzieningenrechter moet worden beoordeeld naar de toestand zoals die zich destijds voordeed.

Spoedeisend belang bij de aangifte
6.4.
Adviespraktijk voert over het spoedeisend belang bij de vordering over de aangifte erfbelasting aan dat de voorzieningenrechter dit ten onrechte heeft gegrond op de omstandigheid dat de Belastingdienst [geïntimeerden] heeft bericht dat voor 10 december 2024 op het bezwaar zal worden beslist. De Belastingdienst heeft in december 2024 geen beslissing op het bezwaar genomen en ook niet daarna. Er was dus geen spoedeisend belang, aldus Adviespraktijk.
6.5.
[geïntimeerden] hebben bij de mondelinge behandeling meegedeeld dat zij niet langer willen dat Adviespraktijk de aangifte erfbelasting verzorgt, die nodig is om het bezwaar te onderbouwen. Daardoor hebben [geïntimeerden] thans geen belang – en dus ook geen spoedeisend belang – meer bij een voorziening waarbij Adviespraktijk wordt veroordeeld om de aangifte op te maken en ter goedkeuring aan [geïntimeerden] voor te leggen. De vordering tot het treffen van deze voorziening zal daarom voor het vervolg alsnog worden afgewezen. In zoverre slaagt de grief.
6.6.
Anders dan Adviespraktijk heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de voorzieningenrechter terecht heeft aangenomen dat [geïntimeerden] een spoedeisend belang hadden bij de vordering over de aangifte erfbelasting toen hij op de gevraagde voorzieningen besliste. De Belastingdienst had aangekondigd dat hij voor 10 december 2024 op het bezwaar van [geïntimeerden] zou beslissen. Op het moment dat de voorzieningenrechter besliste, bestond dus het risico dat de ambtshalve aan [geïntimeerden] opgelegde aanslagen – bij elkaar ruim € 500.000 – definitief zouden worden. Het definitief worden van de voorlopige aanslagen kon worden voorkomen door een met een aangifte onderbouwd bezwaar bij de Belastingdienst in te dienen. Dat de Belastingdienst uiteindelijk niet voor 10 december 2024 op het bezwaar heeft beslist en ook niet daarna, doet er niet aan af dat op het moment van de beslissing een spoedeisend belang bij de vorderingen bestond. Het hof beoordeelt hierna bij grief 2 of de voorzieningenrechter deze vordering destijds terecht heeft toegewezen.

Spoedeisend belang bij afgifte van stukken
6.7.
Adviespraktijk heeft verder het spoedeisend belang van [geïntimeerden] bij de vordering tot afgifte van stukken betwist. Zij klaagt er onder meer over dat de voorzieningenrechter hierover niets heeft overwogen. Op dit punt slaagt de grief niet. [geïntimeerden] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de stukken waarvan zij afgifte verlangen, informatie bevatten die zij nodig hebben om de aangifte erfbelasting te kunnen opstellen. [geïntimeerden] zijn nog steeds niet ontslagen van hun verplichting om aangifte erfbelasting te doen en zij zijn daarmee al geruime tijd in verzuim. De omstandigheid dat de Belastingdienst niet, zoals aanvankelijk aangekondigd, voor 10 december 2024 op het bezwaar heeft beslist maakt dit niet anders. Daarmee is het spoedeisend belang van [geïntimeerden] bij de gevraagde voorziening tot afgifte van stukken zowel nu als op het moment dat de voorzieningenrechter op de vorderingen besliste, gegeven. In het kader van grief 3 gaat het hof verder inhoudelijk op die kwestie in.

Vordering opstellen aangifte erfbelasting
6.8.
Met grief 2 komt Adviespraktijk op tegen de veroordeling dat zij uiterlijk op 5 december 2024 om 17:00 uur de aangifte erfbelasting aan [geïntimeerden] dient voor te leggen. Adviespraktijk licht deze grief als volgt toe. Er is nooit een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen op basis waarvan Adviespraktijk verplicht was om de aangifte erfbelasting op te maken. De aangifte zou worden verzorgd door de notaris of de vaste boekhouder van [naam 2] . Nadat de Belastingdienst de ambtshalve aanslag aan [geïntimeerden] had opgelegd, heeft de notaris pro forma bezwaar gemaakt en gemeld dat [naam 1] de aangifte erfbelasting zou doen. Dit is nooit met [naam 1] overlegd en Adviespraktijk heeft deze opdracht nooit aangenomen. [naam 1] heeft daarop uit welwillendheid gezegd de aangifte wel te willen verzorgen maar dat hij daarvoor verdere informatie nodig had. Deze heeft hij nooit ontvangen. Het uitstelverzoek dat Adviespraktijk heeft gedaan moet tegen deze achtergrond worden bezien.
6.9.
Het hof verwerpt deze grief. Het is voldoende aannemelijk geworden dat tussen [geïntimeerden] en Adviespraktijk een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waarbij Adviespraktijk zich jegens [geïntimeerden] heeft verplicht om de aangifte erfbelasting op te stellen. Uit de in het geding gebrachte WhatsApp-correspondentie volgt dat [naam 1] (via Adviespraktijk) al geruime tijd optrad als fiscaal adviseur van [naam 2] , [naam 3] en aan hen gerelateerde vennootschappen. Of hij ook de ‘vaste fiscalist’ van hen was, kan hierbij in het midden blijven. Na het overlijden van [naam 2] , heeft [naam 3] aan [naam 1] gevraagd haar te helpen met de aangifte erfbelasting. [naam 3] en [naam 1] hebben zeer regelmatig (met name via WhatsApp) over de aangifte erfbelasting gecommuniceerd. Uit deze correspondentie volgt dat [naam 3] ervan uitging dat [naam 1] de aangifte erfbelasting zou opmaken. [naam 1] heeft in die communicatie nooit laten weten dat hij de aangifte niet op zou stellen en/of dat daartoe geen opdracht was verstrekt. Het is ook niet aannemelijk geworden dat aan de boekhouder of de notaris een opdracht was verstrekt om de aangifte erfbelasting op te maken. Anders dan Adviespraktijk betoogt, is niet aannemelijk geworden dat zij de opdracht niet kon uitvoeren omdat [geïntimeerden] niet de benodigde informatie aanleverde. Uit de in het geding gebrachte correspondentie blijkt dat [naam 1] in de eerste drie jaar na het overlijden van [naam 2] geen enkele keer heeft laten weten dat hij niet over de informatie beschikte om de aangifte op te kunnen stellen en hij heeft toen ook geen enkele keer om informatie gevraagd. Toen hij wel om informatie vroeg, hebben [geïntimeerden] en de boekhouder hem van informatie voorzien.
6.10.
Dit leidt tot de conclusie dat grief 2 niet slaagt. De voorzieningenrechter heeft de vordering over de aangifte erfbelasting terecht toegewezen.

Vordering afgifte van stukken
6.11.
Met haar derde grief komt Adviespraktijk op tegen de veroordeling dat zij de door [geïntimeerden] gevorderde stukken aan hen dient te verstrekken. Adviespraktijk licht deze grief als volgt toe. [geïntimeerden] vorderen een schriftelijke overeenkomst van geldlening maar die bestaat niet omdat dat de overeenkomst mondeling is gesloten. Zoals bij [naam 3] en [naam 2] bekend bedraagt de contractuele rente 10%. Dit is eerder wel aan [naam 2] bevestigd. De brieven waarbij dit is gebeurd, heeft Adviespraktijk nadat de voorzieningenrechter vonnis had gewezen aan [geïntimeerden] verstrekt. [geïntimeerden] vorderen de afgifte van de hypothecaire inschrijving. Deze openbare informatie kunnen zij eenvoudig zelf opvragen bij de notaris of bij het Kadaster. [geïntimeerden] vorderen de afgifte van een aflosschema. Een dergelijk schema is nooit opgesteld en het schema bestaat dus niet. Zoals [geïntimeerden] zelf stellen, is er € 640.000 afgelost op de lening. Deze aflossingen blijken uit de boekhouding van [naam 2] , [naam 3] en hun vennootschappen en die boekhouding hebben [geïntimeerden] al tot hun beschikking. De betalingsbewijzen zijn inmiddels verstrekt. [naam 1] heeft die op 28 januari 2025 per email aan de advocaat van [geïntimeerden] gestuurd, aldus – nog steeds – Adviespraktijk.
6.12.
[geïntimeerden] hebben voldoende toegelicht welk belang zij hebben bij de gevraagde gegevens in de zin van het hier toepasselijke artikel 843a (oud) Rv. [naam 2] was partij bij de hypothecaire geldlening en [geïntimeerden] hebben die positie opgevolgd toen zij de erfenis beneficiair aanvaardden. Zij kunnen daarom worden aangemerkt als partijen bij de overeenkomst tot geldlening. [geïntimeerden] hebben voldoende specifiek gesteld van welke stukken zij afgifte vorderen. Het betreft stukken die informatie bevatten over de hoogte van de hoofdsom van de hypothecaire lening en over het rentepercentage. Deze informatie hebben [geïntimeerden] nodig om hun rechtspositie ten aanzien van de vennootschappen van [naam 1] en ten aanzien van de Belastingdienst te kunnen bepalen. De hoogte van de schuld is van invloed op de omvang van de nalatenschap en is daarmee van invloed op de hoogte van de verschuldigde erfbelasting. Daarmee kan worden aangenomen dat [geïntimeerden] voldoende belang hebben bij de afgifte van de stukken waarvan zij de afgifte hebben gevorderd.
6.13.
Nadat de voorzieningenrechter vonnis had gewezen, bleek Adviespraktijk te beschikken over een brief die is gedateerd op 23 oktober 2020 waarin de mondelinge afspraken over de geldlening aan [naam 2] worden bevestigd. Los van de vraag of de brief is vervalst, zoals [geïntimeerden] stellen, is gebleken dat Adviespraktijk beschikte over een document waarin de afspraken over de geldlening waren vastgelegd. De vordering tot afgifte van de onderliggende overeenkomst bij de hypothecaire geldlening is daarom terecht toegewezen door de voorzieningenrechter.
6.14.
De vordering waarbij de afgifte van de hypothecaire inschrijving wordt gevorderd, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het inzagerecht is bedoeld om informatie te verkrijgen die anders niet kan worden verkregen waardoor een informatie- of bewijsachterstand ontstaat. Daarvan is geen sprake bij informatie die via openbare registers toegankelijk is en zonder al te veel moeite kan worden verkregen, zoals informatie die bij het Kadaster kan worden opgevraagd. Bij een vordering tot afgifte van deze informatie bestaat daarom geen rechtens te respecteren belang. De vordering tot afgifte van de hypothecaire inschrijving van [geïntimeerden] wordt derhalve alsnog afgewezen.
6.15.
De vordering tot afgifte van stukken kan alleen worden toegewezen voor zover het bestaan van die stukken aannemelijk is gemaakt. [geïntimeerden] hebben het bestaan van een volledig aflosschema bij de hypothecaire geldlening, inclusief rente niet voldoende aannemelijk gemaakt. Adviespraktijk heeft het bestaan van een dergelijk schema steeds betwist en [geïntimeerden] hebben daar niets tegenover gesteld. Het bestaan van een aflosschema is niet voldoende aannemelijk gemaakt en de vordering tot afgifte daarvan komt dus niet voor toewijzing in aanmerking en zal alsnog worden afgewezen.
6.16.
Op 28 januari 2025 heeft Adviespraktijk bankafschriften aan [geïntimeerden] gestuurd waaruit blijkt welke betalingen aan de notaris van [bedrijf 2] en Basic Instinct zijn verricht. Hieruit blijkt dat Adviespraktijk over de betaalbewijzen beschikte waarvan [geïntimeerden] de afgifte hebben gevorderd. De vordering tot afgifte van de betaalbewijzen is daarom terecht toegewezen door de voorzieningenrechter. Niet in geschil is dat Adviespraktijk deze gegevens op 28 januari 2025 aan [geïntimeerden] heeft verstrekt.

Dwangsom en proceskosten
6.17.
Met haar vierde en de vijfde grief richt Adviespraktijk zich tegen de dwangsom die de voorzieningenrechter heeft opgelegd en tegen de veroordeling van Adviespraktijk in de proceskosten. Uit voorgaande volgt dat deze grieven falen. De veroordelingen van de voorzieningenrechter waren grotendeels terecht en het was, als prikkel tot nakoming, terecht die met een dwangsom te versterken.

Slotsom
6.18.
De slotsom is dat de grieven 1 en 3 gedeeltelijk slagen en dat de grieven voor het overige falen. Het bestreden vonnis zal gedeeltelijk worden vernietigd en het hof zal in zoverre opnieuw recht doen. Het hof zal de vordering over de aangifte erfbelasting in stand laten tot de datum van dit arrest en zal deze vordering verder afwijzen. De vorderingen tot afgifte van de hypothecaire inschrijving van de hypothecaire geldlening en van het volledige aflosschema, worden alsnog afgewezen. Het bestreden vonnis wordt voor het overige bekrachtigd.
6.19.
Adviespraktijk zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:

- griffierecht € 349

- salaris advocaat € 2.580 (tarief II, 2 punten)

Totaal € 2.929
<nr>7</nr>Beslissing
Het hof:
7.1.
vernietigt het bestreden vonnis maar uitsluitend voor zover:

- het de veroordeling in onderdeel 3.1 betreft voor de periode vanaf de datum van dit arrest en laat deze veroordeling tot aan de datum van dit arrest in stand;

- Adviespraktijk in onderdeel 3.2 is veroordeeld tot afgifte van de daar onder b. en c. genoemde stukken;
7.2.
wijst de in 7.1 bedoelde voorzieningen alsnog af, wat betreft de voorziening in onderdeel 3.1 uitsluitend voor de periode vanaf de datum van dit arrest;
7.3.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige, daaronder derhalve begrepen de veroordeling in onderdeel 3.1. voor de periode tot aan de datum van dit arrest;
7.4.
veroordeelt Adviespraktijk in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan vandaag vastgesteld op € 2.929;
7.5.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, M.M.M. Tillema en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.

Artikel delen