Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHAMS:2026:2173

Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad.

Gerechtshof Amsterdam 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHAMS:2026:2173 text/xml public 2026-08-05T12:06:34 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-07-16 200.370.759/02 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:2173 text/html public 2026-08-05T12:02:47 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:2173 Gerechtshof Amsterdam , 16-07-2026 / 200.370.759/02
Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.370.759/02

zaaknummer rechtbank: C/15/378377 / JU RK 26-836

beschikking van de meervoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak van

[de vader ] ,

hierna: de vader,

[de moeder] ,

hierna: de moeder,

hierna gezamenlijk: de ouders,

wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoekers in het incident,

advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn,

en

de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [plaats B] ,

verweerster in het incident,

hierna: de GI.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .

Als informant is aangemerkt:

- Stichting De Waerden.

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna: de raad.
<nr>1</nr>De zaak in het kort
De zaak gaat over schorsing van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (bijna 8 jaar). De kinderrechter heeft op 2 juni 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. De ouders zijn het daar niet mee eens en stellen in hoger beroep dat [minderjarige] niet uithuisgeplaatst moet worden. Bij hun hoger beroepschrift hebben zij het hof ook verzocht de werking van de bestreden beschikking te schorsen tot dat het hof uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.
<nr>2</nr>De procedure in hoger beroep 2.1
De ouders zijn op 25 juni 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 2 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter). Het verzoekschrift bevat ook een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 15 juli 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:

- een brief van de zijde van de ouders van 6 juli 2026 met bijlage.
2.4
[minderjarige] heeft in een brief laten weten wat zij van de zaak vindt.
2.5
De mondelinge behandeling in deze zaak is op 16 juli 2026 gevoegd behandeld met de zaken met zaaknummers 200.368.609/01, 200.368.609/02 en 200.370.759/01. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door S. Scheerstra;

- Stichting De Waerden, vertegenwoordigd door [naam] .

De raad is met bericht van afwezigheid niet verschenen.
2.6
Het hof doet in de zaken met zaaknummers 200.368.609/01, 200.368.609/02 en 200.370.759/01 uitspraak op 4 augustus 2026.
<nr>3</nr>De feiten 3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van (onder meer) [minderjarige] , geboren op [datum] 2018.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
3.2
[minderjarige] staat sinds 14 februari 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is daarna telkens verlengd, laatstelijk tot 14 februari 2027.
3.3
[minderjarige] is vanaf haar geboorte tot 17 februari 2024 uithuisgeplaatst geweest.

Sinds 17 februari 2024 woont [minderjarige] bij de ouders.
3.4
Bij beschikking van de kinderrechter van 15 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend. Omdat er nog geen passende (pleegzorg)plek voor [minderjarige] was gevonden, is deze machtiging niet ten uitvoer gelegd.
<nr>4</nr>De omvang van het hoger beroep 4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de GI (wederom) een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 14 februari 2027. Deze beschikking heeft de kinderrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De ouders verzoeken, naast vernietiging van de bestreden beschikking, de werking van de bestreden beschikking te schorsen.
4.3
De GI heeft, voor zover hier van belang, verzocht het schorsingsverzoek van de ouders af te wijzen.
<nr>5</nr>De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
5.1
De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de GI de beschikking mag uitvoeren ondanks het hoger beroep van de ouders. Het hof kan op grond van de wet โ€“ als uitzondering โ€“ toch beslissen dat de beschikking nog niet mag worden uitgevoerd zolang het hoger beroep loopt. De Hoge Raad heeft daarvoor maatstaven uiteengezet (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Deze maatstaven komen - kort gezegd erop neer dat het hof de belangen van beide partijen en de minderjarige bij het al dan niet direct uitvoeren van de beschikking tegen elkaar moet afwegen. Het hof gaat daarbij uit van de overwegingen en beslissingen in de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft hierbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden. Dit alles leidt in deze zaak tot de volgende beoordeling.

De standpunten
5.2
De ouders vinden het voornemen van de GI om [minderjarige] per 17 juli 2026 uit huis te plaatsen te plotseling en erg snel gaan. Nadat de uithuisplaatsing maanden boven de markt hing is de GI sinds twee weken ineens heel voortvarend te werk gegaan en moet [minderjarige] op stel en sprong uit huis, terwijl de ouders hun hoger beroep tegen de eerste machtiging al op 8 mei 2026 hebben ingediend. Ook daarbij zat een verzoek tot schorsing. Op 25 juni 2026 hebben de ouders hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 2 juni 2026, waarbij zij ook een schorsingsverzoek hebben ingediend. Daarnaast weet de GI ook dat de ouders een vakantie met [minderjarige] en haar zus en broers hebben gepland die op 27 juli 2026 begint. Aangezien het hof nog geen uitspraak heeft gedaan, is nog niet duidelijk of [minderjarige] thuis mag blijven wonen. Om te voorkomen dat [minderjarige] heen en weer gaat tussen de ouders en de pleegouders, verzoeken de ouders tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking.
5.3
De GI heeft zich verweerd en verzocht om het schorsingsverzoek af te wijzen. De GI heeft bewust gekozen voor uithuisplaatsing op 17 juli 2026, zodat [minderjarige] een paar weken de tijd heeft om te landen in het pleeggezin voordat zij naar haar nieuwe school gaat. Daarom weet [minderjarige] sinds 9 juli 2026 dat zij gaat verhuizen naar het pleeggezin en heeft zij al een middag kennis met hen gemaakt. Als het hof overgaat tot schorsing en vervolgens het hoger beroep in de hoofdzaak afwijst dan moet dit proces worden herhaald wat verwarrend en belastend zou zijn voor [minderjarige] .

De beoordeling door het hof
5.4
Het hof is van oordeel dat de belangen van [minderjarige] en de ouders bij schorsing zwaarder wegen dan het belang van de GI om [minderjarige] per 17 juli 2026 uit huis te plaatsen. Het hof doet niet direct uitspraak in de hoofdzaak. Door de schorsing wordt voorkomen dat [minderjarige] bij een eventuele afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing in de hoofdzaak voor niets een paar weken uithuisgeplaatst zou worden. Er is geen sprake van een acute of ernstige onveilige situatie wanneer [minderjarige] de komende weken bij de ouders verblijft. Bovendien speelt het volgende. [minderjarige] weet pas sinds kort dat de GI wil dat zij bij een ander gezin gaat wonen. Door de schorsing heeft [minderjarige] de komende weken de gelegenheid met haar ouders te wennen aan deze mogelijkheid. Ook kan zij nog samen met haar ouders en zus en broers met vakantie en haar verjaardag vieren op [datum] . Als het hof wel de bestreden beschikking in stand laat en [minderjarige] uit huis wordt geplaatst, is het prettig als zij de tijd heeft om te wennen in het nieuwe gezin. Naar het oordeel van het hof is daarvoor ook voldoende tijd, wanneer zij (kort na) 4 augustus 2026 uit huis zou worden geplaatst.
5.5
Dit leidt tot de volgende beslissing.
<nr>6</nr>De beslissing
Het hof:

wijst het verzoek van de ouders toe;

schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 2 juni 2026 totdat het hof heeft beslist in de hoofdzaak.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. A.R. Sturhoofd en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Deze beschikking vormt de uitwerking van de mondelinge uitspraak van 16 juli 2026 en is op 30 juli 2026 aldus vastgesteld door voornoemde raadsheren.

Artikel delen