Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHARL:2025:3223

Verrekening vermogen op grond van partnerschapsvoorwaarden. Uitleg partnerschapsbepaling van wat tot de finale verrekening behoort en wat daar niet toe behoort, aan de hand van bedoeling van partijen, hun gedragingen en wat zij van elkaar mochten verwachten. Waarde panden schattenderwijs vastgesteld, nu geen van partijen taxatierapporten in het geding heeft gebracht. Verrekenvordering vastgeste...

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHARL:2025:3223 text/xml public 2026-08-04T15:27:04 2025-05-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2025-05-27 200.347.485/01 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:3223 text/html public 2026-08-04T15:26:32 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2025:3223 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 27-05-2025 / 200.347.485/01
Verrekening vermogen op grond van partnerschapsvoorwaarden. Uitleg partnerschapsbepaling van wat tot de finale verrekening behoort en wat daar niet toe behoort, aan de hand van bedoeling van partijen, hun gedragingen en wat zij van elkaar mochten verwachten. Waarde panden schattenderwijs vastgesteld, nu geen van partijen taxatierapporten in het geding heeft gebracht. Verrekenvordering vastgesteld. Ook berekend wat een ieder verkrijgt uit de eenvoudige gemeenschappen.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.347.485/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 556989)

beschikking van 27 mei 2025

inzake

[verzoeker] (de man)

die woont in [woonplaats1]advocaat: mr. F. Ettaia

en

[verzoekster] (de vrouw)

die woont in [gemeentenaam] , [woonplaats2] (Spanje)

advocaat: mr. T.J. Backx
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1.
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), op 19 juli 2024 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 18 oktober 2024

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep tevens aanvullend/gewijzigd verzoek met producties

- een webformulier relatievermogensrecht van mr. Ettaia van 22 april 2025

- een webformulier relatievermogensrecht van mr. Backx van 22 april 2025

- een journaalbericht van mr. Ettaia van 29 april 2025 met producties

- een journaalbericht van mr. Backx van 29 april 2025 met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 9 mei 2025 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Ettaia. De vrouw is bijgestaan door mr. Backx en zijn kantoorgenoot mr. E. Laureau. De vrouw heeft via een Teams-verbinding deelgenomen aan de zitting.
1.3.
De man heeft in zijn verweerschrift in het incidenteel hoger beroep zijn verzoeken vermeerderd en aangevuld. In hoger beroep kan bij uitzondering voor het eerst een nieuw verzoek worden gedaan als sprake is van een nevenvoorziening bij scheiding. Voorwaarde daarvoor is dan wel dat dat nieuwe verzoek direct bij het beroepschrift wordt gedaan of bij de indiening van het incidenteel hoger beroep. Het hof stelt vast dat de man zijn nieuwe verzoeken niet meteen bij de indiening van zijn beroepschrift heeft gedaan, maar pas veel later in de procedure en daarmee in strijd heeft gehandeld met de tweeconclusie-leer. Dat zich een uitzondering voordoet op die regel is niet gebleken. Gelet hierop zal het hof de aanvullende verzoeken van de man, zoals geformuleerd in zijn verweer in het incidenteel hoger beroep, niet in behandeling nemen en beslissen op de oorspronkelijke verzoeken van de man bij gelegenheid van beroepschrift. Hetzelfde geldt voor de vrouw. De vrouw heeft bij journaalbericht van 29 april 2025 in strijd met de twee-conclusieleer een uitgebreide toelichting gegeven op de bijgevoegde stukken. Dat betekent dat het hof de toelichtingen buiten beschouwing laat en alleen rekening zal houden met de producties.
<nr>2</nr>De kern van de zaak 2.1.
Partijen, die beiden de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn [in] 2011 in [woonplaats1] , na het maken van partnerschapsvoorwaarden (verleden [in] 2011), een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Partijen hebben twee (nog minderjarige) zonen.
2.2.
Bij akte partnerschapsvoorwaarden zijn partijen – voor zover hier van belang – het navolgende overeenkomen:

“(…)

2. Uitsluiting huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap

Tussen de partners bestaat geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

(…)

4. Geen periodieke verrekening

De partners komen geen periodieke verrekening van gespaard inkomen overeen.

(…)

6. Finale verrekening bij einde van geregistreerd partnerschap anders dan overlijden.

1. Bij einde van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden of door ontbinding, of bij omzetting van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk en de daarop volgende echtscheiding of scheiding van tafel en bed, wordt verrekend alsof tussen de partners een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, met inachtneming van het volgende.

In het geval dat wordt afgerekend op basis van dit artikel sluiten partners uit dat er verrekening zal plaatsvinden in verband met de draagplicht van de huishoudkosten als bepaald in artikel 3, voor zover die verrekening niet reeds heeft plaatsgevonden.

2. Het vermogen van ieder van de partners bestaat uit het saldo van zijn bezittingen en schulden. Aanspraken op al of niet ingegaan pensioen worden niet in deze verrekening betrokken. De vaststelling van de beide vermogens en de bepaling van de waarde daarvan zullen plaatsvinden in onderling overleg of bij gebreke daarvan door een of meer deskundigen als door de aard van de goederen wordt vereist, dit ter beoordeling van de bevoegde kantonrechter.

Het onderling overleg wordt als gestaakt beschouwd als niet binnen twee maanden na dagtekening van een aangetekende brief waarbij door de ene aan de andere partner om mededeling van zijn inzichten is verzocht, overeenstemming is bereikt over de waarde.

3. De uitkering moet worden gedaan in geld en wel binnen een jaar na de beëindiging van het geregistreerd partnerschap of, bij omzetting van het partnerschap in een huwelijk, bij een ontbinding van het huwelijk tenzij gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening. In dat geval zullen partijen een redelijke betalingsregeling, al of niet met zekerheidstellingen al of niet met rente overeenkomen, waarbij de belangen van alle partijen in acht worden genomen.

4. Voor de bepaling van omvang en samenstelling van het verrekenplichtig vermogen

wordt als peildatum aangemerkt het tijdstip waarop er een opdracht aan een advocaat of notaris is verstrekt tot het opmaken van een beëindigingsovereenkomst, of het tijdstip waarop door één van de partners het verzoek om ontbinding is gedaan of, bij omzetting van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk, het tijdstip waarop het verzoek tot echtscheiding of het verzoek tot scheiding van tafel en bed is ingediend.

5. De verrekening blijft achterwege als het vermogen van één van de partners of van beiden negatief is of bij het einde van het geregistreerd partnerschap als bedoeld in lid 1 van dit artikel een partner failliet is, in surseance van betaling verkeert of een regeling in het kader van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen op hem van toepassing wordt verklaard.

De verrekening blijft achterwege als het vermogen van één van de partners zodanig negatief is dat meer dan de helft van dat wat hij vanwege de verrekening zou ontvangen ten goede zou komen aan zijn schuldeisers.

6. In alle gevallen blijft buiten de verrekening:

- de waarde ten tijde van de sluiting van het geregistreerd partnerschap van de bezittingen en schulden die aan ieder van de partners bij aanvang van het geregistreerd partnerschap toebehoorde. De waarde van de bezittingen en schulden blijkt uit de aan deze akte gehechte staat van aanbreng;

- wat door, erfrecht of schenking door de partners werd verkregen met de vruchten daarvan voor zover deze niet zijn afgescheiden of anderszins zijn belegd en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, naar rato van de eigen investeringen;

- de aandelen en certificaten van aandelen die behoren tot een aanmerkelijk belang van een partner in een niet-beursgenoteerdevennootschap voor zover die waarde daarvan de door die rechtspersoon (middellijk of via meer deelnemingen of onmiddellijk) uitgeoefende onderneming(en) vertegenwoordigt, en wat voor één en ander in de plaats is gekomen;

- de activa en passiva van de door de partner uitgeoefende onderneming alsmede het aandeel in een mede voor rekening van de partner uitgeoefende onderneming, en wat voor één en ander in de plaats is gekomen.

(…)

8. Onderneming/Eigen besloten vennootschap

Voor winst uit onderneming of ondernemingsvermogen geldt het volgende:

1. Ingeval een partner gerechtigd is tot de winst en het vermogen van een onderneming

geldt als inkomen dat deel van de - gereserveerde - winst dat in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd wordt.

2. Voor zover een partner in overwegende mate in staat is te bepalen dat de winst van een rechtspersoon, zoals vastgesteld volgens lid 1 van dit artikel, rechtstreeks of middellijk aan hem toekomt, wordt de door die rechtspersoon uitgeoefende onderneming aangemerkt als een rechtstreeks door die partner uitgeoefende onderneming.

3. Bij vaststelling van datgene wat voor verrekening in aanmerking komt moet steeds rekening worden gehouden met fiscale claims die het gevolg zijn of hadden kunnen zijn van onttrekkingen aan de onderneming.

4. Als op grond van deze partnerschapsvoorwaarden winst uit onderneming of ondernemingsvermogen moet worden verrekend, zullen partijen als gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening, op verzoek van de partner-ondernemer een redelijke betalingsregeling overeenkomen of niet met zekerheidsstelling en al of niet met rente en waarbij de belangen van alle partijen in acht worden genomen.

5. De winst die wordt behaald met het geheel of gedeeltelijk staken van een onderneming

en de voordelen behaald bij de vervreemding van aandelen die tot een aanmerkelijk-belangpakket behoren, worden niet als inkomsten beschouwd, behoudens en voor zover de stakingswinst is toe te rekenen aan afschrijvingen die tijdens het geregistreerd partnerschap tot vermindering van het inkomen hebben geleid. In het jaar dat het geregistreerd partnerschap wordt ontbonden, wordt de winst die behaald had kunnen worden als de onderneming in dat jaar gestaakt zou zijn, gerekend tot het inkomen, verminderd met de belastingen die verschuldigd zouden zijn geweest als de onderneming daadwerkelijk zou zijn gestaakt.

6. Bij de bepaling van de winst die voor de finale verrekening in aanmerking wordt genomen, worden boekresultaten behaald uit activa, inclusief productierechten, waarop tijdens het geregistreerd partnerschap nier werd afgeschreven, buiten beschouwing gelaten.

9. Vaststellingsregels/vermoeden van toebehoren voor de helft

1. (…)

2. Roerende zaken die naar hun aard of door het feitelijk gebruik dienstbaar zijn aan de uitoefening van het beroep of bedrijf van één van de partners, behoren toe aan die partner. Door het hierna onder vergoedingen bepaalde is het mogelijk dat de ene partner hiervoor aan de ander een vergoeding moet betalen.

3. (…)

10. Vergoedingen

Voor zover niet anders wordt overeengekomen moeten de partners elkaar vergoeden

datgene wat wordt onttrokken aan het vermogen van een partner ten behoeve van de ander. Hieronder is onder meer te begrijpen het geval dat de ene partner belastingen, premies, heffingen en dergelijke betaalt die betrekking hebben op het vermogen van de ander, voor zover die belastingen niet tot de kosten van de huishouding worden gerekend.

Als deze vergoeding niet wordt betaald op het moment dat hij verschuldigd wordt, zullen partijen de vergoeding schriftelijk vastleggen.

Waardeveranderingen ontstaan door belegging van het onttrokken vermogen blijven

buiten beschouwing, zodat de vergoeding uitsluitend ziet op het oorspronkelijke bedrag van de onttrekking.

11. Echtelijke woning

De woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats1] blijft bij echtscheiding

in eigendom bij de comparant sub 1.

Indien de partners een gezamenlijk bewoonde woning hebben, geldt in afwijking van het hiervoor bepaalde in artikel 10 het volgende:-

1. Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de eigendom van een gemeenschappelijke woning (hierna te noemen: ‘de woning’), die niet onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de lening en de aflossing daarvan en de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering premies in verband met toekomstige aflossing van de lening), komen voor rekening van beide partners, naar evenredigheid van hun aandeel in de eigendom, terwijl zij ook ieder in die verhouding delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of vermindering van de woning alsmede de contante waarde van het spaardeel van deze levensverzekering.

Als een partner meer bijdraagt aan genoemde investeringen, kosten en lasten, dan deze naar evenredigheid van zijn aandeel in de gezamenlijke woning is gehouden, dan dient dit door de andere partner te worden vergoed. Dit recht tot vergoeding bestaat eveneens indien één van de partners voorafgaand aan de verkrijging van de woning premies heeft voldaan voor het spaargedeelte van de levensverzekering die is bestemd voor de toekomstige aflossing van de lening ten behoeve van de woning.

Deze vergoeding is gelijk aan een gedeelte van de waarde van de gemeenschappelijke woning op het tijdstip waarop de vergoeding wordt voldaan.

Dit gedeelte wordt op de hierna omschreven wijze bepaald.

In het geval dat de partner meer heeft bijgedragen ten behoeve van de verkrijging van de gemeenschappelijk woning is dit gedeelte evenredig aan het uit het vermogen van deze partner afkomstige aandeel in de tegenprestatie voor de gemeenschappelijke woning.

In het geval van een voldoening of aflossing meer dan naar evenredigheid van het aandeel uit het vermogen van een partner komt dit gedeelte overeen met de verhouding tussen het uit het vermogen deze partner voldane of afgeloste bedrag ten opzichte van de waarde van de gemeenschappelijke woning op het tijdstip van die voldoening of aflossing.

2. Het spaargedeelte van de levensverzekering die is bestemd voor de toekomstige aflossing van de lening ten behoeve van de woning, komt aan ieder van beide partners toe naar evenredigheid van hun aandeel in de woning. Hierbij is niet van belang wie als verzekeringnemer optreedt van genoemde levensverzekering.

3. Partijen kunnen in afwijking van lid 1 en 2 bepalen dat voorafgaande aan de overwaarde van de woning de privé inbreng in de woning aan de betreffende persoon

wordt vergoed.

12. Verstrekken van inlichtingen

Ieder van de partners is verplicht de ander inlichtingen te geven over zijn inkomens-

en vermogenspositie.

(…)

STAAT VAN AANBRENGSTEN

De verschenen personen hebben een beschrijving opgesteld van een aantal van de goederen die door hen worden aangebracht. Deze staat is door hen en mij, notaris, ondertekend. De beschrijving wordt aan deze akte gehecht.

(…)”
2.3.
Op de ‘staat van aanbrengsten’ zijn de volgende goederen opgenomen:

“1. Door de heer [verzoeker] wordt behoudens zijn registergoederen, kleding, lijflinnen en lijfsieraden aangebracht:

Boot [naam1] ;

Motor Honda CB 750;

Volvo V50.

2. Door mevrouw [verzoekster] wordt behoudens haar registergoederen, kleding, lijflinnen en lijfsieraden aangebracht:

- Suzuki Swift.

(…)”
2.4.
De man heeft op 16 februari 2023 een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend. Bij beschikking van 22 september 2023 (hersteld bij beschikking van 5 maart 2024) heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uitgesproken. De beschikking tot ontbinding is op 13 februari 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5.
Bij beschikking van 20 februari 2024 heeft de rechtbank ten laste van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld. De beslissingen op de verzoeken van partijen om over te gaan tot afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap zijn aangehouden.
2.6.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank (voor zover nog van belang) onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring

 de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van partijen gelast en ten

aanzien van de

- woning aan de [adres2] in [woonplaats1] (hierna: de woning) beslist dat deze zal worden toegedeeld aan de man tegen een nog te taxeren actuele marktwaarde vrij van verhuur, met vergoeding van de helft van de overwaarde aan de vrouw en haar te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldleningen bij [naam2] en bij [naam3 ] B.V.

- vakantiewoning in [gemeentenaam] Spanje (hierna: de vakantiewoning) dat de woning moet worden verkocht en dat na verkoop en levering, na aftrek van de verkoopkosten, met de opbrengst de hypothecaire geldlening bij Union de creditos inmobiliarios S.A. wordt afgelost, waarna partijen het restant bij helfte verdelen, waarbij op het aandeel van de vrouw – ten gunste van het aandeel van de man – in mindering wordt gebracht de vergoeding voor haar aandeel op de aflossingen op de hypothecaire geldlening na de peildatum

- dat de saldi op de peildatum op de gemeenschappelijke bankrekeningen van partijen bij helfte worden verdeeld en de inboedel op de wijze zoals omschreven in de beschikking.

 de wijze van verrekening tussen partijen op grond van de partnerschapsvoorwaarden

als volgt gelast:

- dat aan de zijde van de vrouw daarin wordt betrokken:

o het saldo van de rekening [rekeningnummer1] op de peildatum 16 februari 2023

o een bedrag van € 16.670,72 ten aanzien van de bankrekening [rekeningnummer2]

- dat aan de zijde van de man daarin wordt betrokken:

o het saldo van de bankrekeningen [rekeningnummer3] , [rekeningnummer4] , [rekeningnummer5] , [rekeningnummer6] en [rekeningnummer7] op de peildatum 16 februari 2023

o de waardevermeerdering van de [adres4] sinds de sluiting van het geregistreerd partnerschap tot de peildatum 16 februari 2023, die moet worden vastgesteld door een taxateur, welke kosten partijen bij helfte moeten delen

o de waarde van de parkeerplaats [adres3] op de peildatum, die moet worden vastgesteld door een taxateur, welke kosten partijen bij helfte moeten delen

o de rekening-courantschuld van [naam3 ] B.V. op de peildatum 16 februari 2023, waarbij de man inzage hierin moet geven door het overleggen van de grootboekrekeningen over de periode 1 januari 2023 tot 16 februari 2023

o het op de peildatum 16 februari 2023 uitstaande bedrag van de lening van de man van € 300.000 van [naam3 ] B.V.

o de waarde van de aandelen van de man in [naam3 ] B.V. voor zover die waarde niet de door de rechtspersoon uitgeoefende onderneming vertegenwoordigt.

Tot slot is bepaald dat de vrouw aan de man € 1.514,01 moet betalen vanwege het betalen van haar advocaatkosten van de gezamenlijke Rabobankrekening met eindnummer 2623, dat zonder nadere verrekening de Landrover aan de man en de Volkswagen aan de vrouw toekomt en is het meer of anders verzochte afgewezen.
2.7.
Bij akte van partiële verdeling van 28 oktober 2024 zijn partijen overgegaan tot verdeling van de woning. De woning is aan de man toegedeeld voor een waarde van € 1.800.000, de man moet wegens overbedeling aan de vrouw € 462.320,38 voldoen, hij neemt de hypotheekschuld geheel voor zijn rekening, de hypotheekschuld wordt afgelost zodat het recht van hypotheek vervalt en daarom blijft een ontslagverklaring wegens hoofdelijke aansprakelijkheid achterwege. In de akte zijn op verzoek van de man voorbehouden gemaakt. Voor wat betreft de waarde van de woning, is het voorbehoud gemaakt dat wanneer de uitspraak in hoger beroep leidt tot een andere uitkomst van de waarde, de berekening van de overbedeling achteraf tussen partijen wordt hersteld en opnieuw vastgesteld en onderling verrekend. Voor wat betreft de overbedeling heeft de man aangegeven dat er een geschil is over de berekening. Om die reden is € 161.278,08 in depot gebleven op een derdengeldenrekening van de notaris. Hiertoe is een depotovereenkomst (door de man [in] 2024 en door de vrouw en de notaris op 28 oktober 2024) getekend die aan de akte van partiële verdeling is gehecht.
2.8.
Bij beschikking van 13 februari 2025 heeft dit hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn schorsingsverzoek (zaaknummer 200.347.485/02) en ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen (zaaknummer 200.347.485/03) en beslist overeenkomstig de door partijen tijdens de mondelinge behandeling gesloten overeenkomst en bepaald dat de overeenkomst deel uitmaakt van de beschikking en beslissing. De overeenkomst die partijen hebben gesloten luidt als volgt:

Partijen zullen notaris mr. [naam4] van [naam5] te [plaats1] per ommegaande eensluidend verzoeken om het volledige dossier uit 2011 (met stukken zoals concepten, aantekeningen, de toelichting die de notaris destijds heeft gegeven en begeleidende correspondentie). Eventuele kosten van de notaris worden bij helfte door partijen gedragen. (…)

De beslissing over de kosten van deze procedures (02 en 03) is aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.
2.9.
De bedoeling van het hoger beroep van de man (procedure 01) is dat de bestreden beschikking voor een deel wordt vernietigd en dat het hof, voor zover mogelijk onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring:

I. de wijze van verdeling van de overwaarde van de woning als volgt (bedoeld zal zijn:) gelast door te bepalen dat:

a. de taxatiewaarde van 10 januari 2024 bindend wordt verklaard voor partijen;

b. op de taxatiewaarde de hypothecaire geldleningen in mindering worden gebracht;

c. de vrouw haar aandeel in de woning overdraagt aan de man, onder de voorwaarde dat zij uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldleningen wordt ontslagen en dat van de overwaarde (de taxatiewaarde minus de hypothecaire geldleningen) de man eerste het bedrag vergoed krijgt dat hij vanuit schenkingen en privévermogen (€ 224.298) in de woning heeft geïnvesteerd, berekend aan de hand van de beleggingsleer;

d. vervolgens de resterende overwaarde bij helfte wordt verdeeld, waarbij het aandeel van de man wordt vermeerderd met het bedrag dat de vrouw aan de man verschuldigd is vanwege aflossingen op de hypothecaire geldleningen na de peildatum;

e. de notariële kosten door partijen bij helfte worden gedragen.

II. de wijze van verdeling van de overwaarde van de vakantiewoning als volgt (bedoeld zal zijn:) gelast door te bepalen dat

f. zodra de woning is verkocht en geleverd, na aftrek van verkoopkosten, met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldleningen worden afgelost, waarbij de hypothecaire geldlening bij [naam3 ] BV in de verdeling wordt betrokken;

g. van de overwaarde de man eerst het bedrag vergoed krijgt dat hij vanuit schenkingen in de vakantiewoning heeft geïnvesteerd (€ 131.696), berekend aan de hand van de beleggingsleer;

h. vervolgens de resterende overwaarde bij helfte wordt verdeeld, waarbij het aandeel van de man wordt vermeerderd met het bedrag dat de vrouw aan de man verschuldigd is vanwege aflossingen op de hypothecaire geldleningen na de peildatum;

III. dat de vrouw haar investeringen en rekeningen die zijn gefinancierd vanuit schenkingen inzichtelijk maakt;

IV. dat de wijze van verrekening tussen partijen op grond van de partnerschapsvoorwaarden als volgt wordt bepaald, dat

- aan de zijde van de man betrokken moet worden de waardevermeerdering van de [adres4] sinds sluiting van het geregistreerd partnerschap tot de peildatum, waarbij in mindering moet worden gebracht de privéinvestering van de man, berekend aan de hand van de beleggingsleer;

- de aandelen van de man in Beheer BV en alles wat voor deze aandelen in de plaats komt, te allen tijde buiten de verrekening blijft.

Kosten rechtens.
2.10.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man. De bedoeling van haar hoger beroep is dat het hof voor zover mogelijk onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring:

1. bepaalt dat de in het depot bij notaris [naam4] aanwezige gelden moeten worden verdeeld op de wijze zoals onder punt 103 uiteengezet en om de man te veroordelen om op eerste verzoek van de vrouw zijn volledige medewerking te verlenen aan uitbetaling door de notaris aan partijen op de door de vrouw voorgestane wijze, onder verbeurte van een aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 5.000 per dag dat de man nalaat aan zijn verplichtingen te voldoen,

2. primair de waardevermeerdering van de woning aan de [adres4] te ( [woonplaats1] ) gedurende het geregistreerd partnerschap vaststelt op € 148.000, althans subsidiair bij wijze van tussenbeschikking bepaalt dat de man binnen twee weken na tussenbeschikking drie taxateurs aandraagt die de waarde van het pand aan de [adres4] te [woonplaats1] per datum sluiting geregistreerd partnerschap en per peildatum bindend kan vaststellen en waarvan de vrouw binnen twee weken na ontvangst van de namen één taxateur zal uitkiezen, welke taxateur binnen twee weken na de keuze van de vrouw opdracht gegeven moet worden tot taxatie van de woning op de twee genoemde momenten,

3. primair de waarde van de parkeerplaats [adres3] ( [woonplaats1] ) vaststelt op €

24.000, althans subsidiair bij wijze van tussenbeschikking bepaalt dat de man binnen twee

weken na uw tussenbeschikking drie taxateurs aandraagt die de waarde van de parkeerplaats per peildatum bindend kunnen vaststellen en waarvan de vrouw binnen twee weken na ontvangst van de namen één taxateur zal uitkiezen, welke taxateur binnen twee weken na de keuze van de vrouw opdracht gegeven dient te worden tot taxatie van de parkeerplaats (per 16 februari 2023),

4. vaststelt dat er op de peildatum geen sprake is van een schuld van partijen aan [naam3 ]

Beheer BV die in de verrekening moet worden betrokken;

5. de te verrekenen waarde van de aandelen van [naam3 ] BV vaststelt op

€ 2.654.422 netto, althans op een door uw hof in goede justitie vast te stellen bedrag, althans bij tussenbeschikking een deskundige/register valuator (al dan niet in combinatie met een

beëdigd taxateur van het onroerend goed in [naam6] BV en het bedrijfspand in [naam3 ] BV met bovengelegen appartementen) aanwijst die aan de hand van de door uw hof vast te stellen uitleg van artikel 6 lid 6 van de partnerschapsvoorwaarden het gedeelte van de waarde van de aandelen van [naam3 ] BV en onderliggende deelnemingen (waaronder [naam6] BV) vaststelt per de peildatum (16 februari 2023),

6. voorwaardelijk, namelijk uitsluitend in de situatie dat uw hof enige vergoedingsrechten aan de man toekent én daarvoor gebruik maakt van de beleggingsleer ex artikel 11 van de

partnerschapsvoorwaarden, de vergoedingsrechten van de vrouw op dienovereenkomstige wijze vaststelt en bepaalt op een bedrag van € 102.000 en het verschil tussen dit bedrag en het reeds in de verdeling betrokken bedrag van € 97.531,23 (zie r.o. 3.46 beschikking rechtbank) meeneemt in verdeling van het depotbedrag dan wel de man veroordeelt om binnen twee weken na de datum van beschikking het verschil aan de vrouw te voldoen, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de beschikking tot de dag der algehele voldoening,

7. de finale verrekening overeenkomstig het finaal verrekenbeding van partijen vaststelt

overeenkomstig de als productie HB 16 in het geding gebrachte vermogensverrekenstaat en de man veroordeelt tot betaling aan de vrouw van € 1.184.632, althans op een

door uw hof in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de daarover

verschuldigde wettelijke rente met ingang van 13 februari 2025 tot aan de dag der algehele

voldoening,

8. bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.
2.11.
De man concludeert afwijzing van de verzoeken van de vrouw in incidenteel hoger beroep.
<nr>3</nr>Het oordeel van het hof 3.1.
Partijen moeten hun eenvoudige gemeenschappen afwikkelen en de vergoedingsrechten en finaal verrekenen op grond van hun partnerschapsvoorwaarden.

IPR: rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.
Het hof verenigt zich met wat de rechtbank heeft overwogen inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Partijen hebben in hun partnerschapsvoorwaarden verklaard dat op hun partnerschapsgoederenregime het Nederlands recht van toepassing is.
3.3.
Voor de omvang en samenstelling van de eenvoudige gemeenschappen geldt als peildatum 16 februari 2023 (datum van indiening van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap). Voor de bepaling van de waarde(ring) moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de feitelijke verdeling. Van deze hoofdregel wordt alleen afgeweken, wanneer partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheersen anders voortvloeit. Of en in hoeverre daarvan – al dan niet in geschil – moet worden afgeweken zal het hof nog beoordelen.

uitleg van de partnerschapsvoorwaarden
3.4.
Partijen verschillen van mening hoe de bepaling van de finale verrekening bij einde van het geregistreerd partnerschap (anders dan door overlijden) onder 6. van de partnerschapsvoorwaarden moet worden uitgelegd.
3.5.
De man stelt dat de ondernemingen in het geheel buiten de verrekening vallen. Partijen hebben volgens hem bewust partnerschapsvoorwaarden opgesteld om te voorkomen

dat de ondernemingen in de verrekening vallen. Alles wat zakelijk was bleef zakelijk. Er zijn

meerdere ondernemingen, want hij is niet alleen tandarts en implantoloog, maar verhuurt en

verbouwt ook appartementen. [naam6] B.V. heeft onroerende zaken op de balans staan. [naam6]

B.V. is onderdeel van [naam3 ] B.V. Hij heeft er bewust voor gekozen dit niet in privé op

te richten maar juist zakelijk te houden.
3.6.
De vrouw stelt dat alleen de actieve tandartspraktijk van de man buiten de

verrekening valt. Al het overige (vrij beschikbare) vermogen dat aanwezig is binnen de

ondernemingen of in dochtervennootschappen waarin wordt belegd (bijvoorbeeld in

onroerend goed) moeten wel in verrekening betrokken worden. Volgens de vrouw hebben

partijen afgesproken om het enige dat de man bij het aangaan van het geregistreerd

partnerschap bezat, de tandartspraktijk, erbuiten te laten, maar alles wat eruit gehaald wordt

aan winst, en wat niet tot de praktijk behoort, van hen samen te laten zijn. Partijen hebben

afgesproken de onroerend goed portefeuille binnen [naam6] B.V. gezamenlijk op te bouwen

en [naam6] B.V. was hun ‘pensioen’. Deze portefeuille is opgebouwd door met de winst van

de tandartsenpraktijk en leningen onroerend goed aan te kopen. Het was van hen samen en

de B.V. is naar beide kinderen vernoemd.
3.7.
Volgens vaste rechtspraak moet de uitleg van de overeenkomst van partnerschapsvoorwaarden geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. De Haviltex-maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van partnerschapsvoorwaarden komt mede gewicht toe aan wat de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de partnerschapsvoorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. De uitleg wordt daarom uiteindelijk bepaald door de omstandigheden van het geval. De rechter is niet verplicht bij zijn uitleg andere dan de door partijen over en weer naar voren gebrachte gezichtspunten in zijn overwegingen te betrekken.
3.8.
Het hof heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling met partijen afgesproken om de notaris, die in overleg met partijen de betreffende bepaling in de partnerschapsvoorwaarden heeft opgesteld, als getuige te horen. Het hof zal dat ook zo beslissen en iedere verdere beslissing aanhouden.
<nr>4</nr>De beslissing
Het hof:
4.1.
het hof zal notaris mr. [naam4] , kantoor houdende in [plaats1] , als getuige horen in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.2.
Mr. Ettaia moet binnen vier weken na heden een opgave doen van verhinderdagen van mr. De Lange, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.3.
het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, L. Hamer en R. Krijger, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 27 mei 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel delen