Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHARL:2026:4200

1. Dat Wahv-zaken in hoger beroep worden behandeld in Leeuwarden levert geen strijd op met het recht op toegang tot de rechter. 2. De appelgrens is niet in strijd met artikel 6 EVRM of artikel 14, vijfde lid, IVBPR. Het appelverbod is ook niet in strijd met het discriminatieverbod. Dit oordeel vindt steun in het Europees recht.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHARL:2026:4200 text/xml public 2026-08-05T16:30:07 2026-06-25 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-06-25 200.354.982/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4200 text/html public 2026-08-05T16:29:07 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4200 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 25-06-2026 / 200.354.982/01
1. Dat Wahv-zaken in hoger beroep worden behandeld in Leeuwarden levert geen strijd op met het recht op toegang tot de rechter. 2. De appelgrens is niet in strijd met artikel 6 EVRM of artikel 14, vijfde lid, IVBPR. Het appelverbod is ook niet in strijd met het discriminatieverbod. Dit oordeel vindt steun in het Europees recht.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden

Zaaknummer

: Wahv 200.354.982/01

CJIB-nummer

: 261410667

Uitspraak d.d.

: 25 juni 2026

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 28 februari 2025, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [ woonplaats 1] .

De gemachtigde van de betrokkene is [gemachtigde], wonende te [woonplaats 2].
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 11 juni 2026. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat zittingszalen redelijk bereikbaar dienen te zijn, dat wil zeggen dat de reisafstand van de woning van de betrokkene naar het gerechtshof niet meer dan 100 kilometer bedraagt en buiten een milieuzone ligt. Dat is hier niet het geval. Dit is in strijd met het recht op toegang tot de rechter.

2. In artikel 14 van de Wahv is bepaald dat hoger beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Uit het zaaksverdelingsreglement volgt dat hoger beroep in Wahv-zaken in Leeuwarden worden behandeld. Het recht op toegang tot de rechter dient effectief te zijn. Dat impliceert dat de overheid de plicht heeft om zich daadwerkelijk in te spannen om de betrokkene te bereiken en in te lichten en wel op zodanig moment dat een betrokkene in staat is de zitting van de rechter waar zijn zaak behandeld wordt bij te wonen. Daar is in dit geval aan voldaan. De stelling dat de reisafstand voor een gemachtigde of betrokkene niet meer dan 100 kilometer mag zijn en niet binnen een milieuzone mag liggen, volgt het hof niet. Van strijd met het recht op toegang tot de rechter is in hoger beroep geen sprake.

3. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:

- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-

- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.

4. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 63,- en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.

5. De gemachtigde van de betrokkene voert - kort samengevat en zakelijk weergegeven – aan dat het appelverbod in strijd is met artikel 1 van het 12e protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (BuPo). Als de status onder de € 110,- is, is geen hoger beroep mogelijk, daarboven wel. Dat onderscheid is discriminerend. Zodra nationale wetgeving meerdere uitkomsten kan bieden, mag de hele wetgeving niet in rechte worden betrokken. Er is bovendien geen uitspraak van een Europees gerecht op dit punt. Geen enkele Nederlandse rechter heeft getoetst aan genoemde artikelen, terwijl de rechter verplicht is ambtshalve prejudiciële vragen te stellen. Wanneer geen hoger beroep openstaat tegen een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie, is deze instantie gehouden prejudiciële vragen te stellen. Het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep is alleen mogelijk als hiervoor een legitiem doel bestaat en sprake is van evenredigheid tussen het doel en het middel. Indien hiervan geen sprake is, is gehandeld in strijd met het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 van het EVRM). Het recht op toegang tot de rechter omvat ook de bereikbaarheid van de rechterlijke instantie. De gemachtigde verzoekt om vernietiging van alle met betrekking tot de betrokkene voorheen genomen besluiten en verzoekt om compensatie. De gemachtigde wenst de prejudiciële antwoorden die ten grondslag liggen aan de besluiten. Bij het ontbreken hiervan verzoekt de gemachtigde om een beroepsverbod van de afwijzende rechter.

6. Het hof zal geen prejudiciële vragen stellen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het hof is namelijk niet bevoegd tot het stellen van prejudiciële vragen, omdat het hof niet in overeenstemming met artikel 10 van protocol nr. 16 bij het EVRM is aangewezen als hoogste rechterlijke instantie in de zin van artikel 1, eerste lid, van dat protocol die zodanige vragen kan stellen. Er geldt geen verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen zoals de gemachtigde stelt.

7. Artikel 6 van het EVRM garandeert het recht op toegang tot de rechter. De appelgrens is niet in strijd met dit recht. Het hof heeft geoordeeld dat artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 6 van het EVRM geen onbeperkt recht op een hogere voorziening toekennen in geval van bagateldelicten en dat in geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, deze als bagateldelicten dienen te worden gekwalificeerd. Het appelverbod is ook niet in strijd met het discriminatieverbod. Voor de uitsluiting van deze categorie van zaken van hoger beroep bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging, namelijk het geringe belang dat blijkens het bedrag van de sanctie aan de orde is.

8. Dit oordeel vindt steun in het Europees recht. In de arresten Golder vs Verenigd Koninkrijk en Ashindane vs Verenigd Koninkrijk is al bepaald dat de toegang tot de rechter niet onbeperkt is. In het arrest Lithgow vs Verenigd Koningrijk is daarover het volgende opgenomen:

“194. In this area, the following principles emerge from the Court’s case-law, notably its above-mentioned Ashingdane judgment (Series A no. 93, pp. 24-25, para. 57).

( a) The right of access to the courts secured by Article 6 para. 1 (art. 6-1) is not absolute but may be subject to limitations; these are permitted by implication since the right of access ‘by its very nature calls for regulation by the State, regulation which may vary in time and in place according to the needs and resources of the community and of individuals’.

( b) In laying down such regulation, the Contracting States enjoy a certain margin of appreciation, but the final decision as to observance of the Convention’s requirements rests with the Court. It must be satisfied that the limitations applied do not restrict or reduce the access left to the individual in such a way or to such an extent that the very essence of the right is impaired.

( c) Furthermore, a limitation will not be compatible with Article 6 para. 1 (art. 6-1) if it does not pursue a legitimate aim and if there is not a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be achieved.”

Het hof merkt daarbij op dat er voor de zaken die niet aan de appelgrens voldoen wel toegang tot de rechter bestaat, maar dat een deel - om redenen die voldoen aan bovengenoemde criteria - van hoger beroep is uitgesloten.

9. Het appelverbod kan wel buiten toepassing worden gelaten wanneer het recht op toegang tot de rechter in een concrete zaak is geschonden door de kantonrechter.

10. Niet gebleken is dat het recht op toegang tot de kantonrechter in de onderhavige zaak is geschonden. De gemachtigde is ter zitting verschenen en is daar in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. Uit vaste rechtspraak van het hof volgt dat klachten die er in de kern op neer komen dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen (inhoudelijk dan wel procedureel) niet kunnen leiden tot het buiten toepassing laten van het appelverbod. Er is geen reden het appelverbod buiten toepassing te laten.

11. De redelijke termijn van berechting bedraagt twee jaar en is in hoger beroep niet overschreden.

12. Gelet op het voorgaande zal het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dit brengt mee dat het hof de bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de kantonrechter niet kan beoordelen.

13. Omdat de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. In deze zaak geldt geen verplichting tot het voldoen van griffierecht.

14. Het verzoek om een schadevergoeding of compensatie zal het hof niet-ontvankelijk verklaren omdat in een procedure op grond van de Wahv geen schadevergoeding kan worden toegekend. Het verzoek om verwijdering van de behandeld rechters zal het hof niet behandelen. Dit valt buiten de reikwijdte van de procedure.
De beslissing
Het gerechtshof:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af;

verklaart het verzoek om schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Staatscourant 2014, 11037.

zie onder meer EHRM 25 juni 2009, nr. 55759/07, Maresti v. Croatia.

vgl. het arrest van het hof van 14 juni 2000, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ:0004.

vgl. het arrest van het hof van 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6497.

EHRM 21 februari 1975, nr. 4451/70, NJ 1975, 462.

EHRM 28 mei 1985, nr. 8225/78, (series A, no. 93, pp 24-25, para. 57).

EHRM 8 juli 1986, nr. 9405/81 (series A, vol. 102, para. 194).

vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6402.

vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786.

Artikel delen