Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHARL:2026:4314

Woonruimte huurrecht. Overlast. Incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis. Het vonnis is gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof ziet geen aanleiding om de vordering toe te wijzen. 351 Rv.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHARL:2026:4314 text/xml public 2026-08-06T17:00:03 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-02 200.368.873 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2026:2060 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4314 text/html public 2026-08-06T16:57:52 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4314 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 02-07-2026 / 200.368.873
Woonruimte huurrecht. Overlast. Incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis. Het vonnis is gemotiveerd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het hof ziet geen aanleiding om de vordering toe te wijzen. 351 Rv.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.368.873

zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo : 11938481

arrest in het incident van 2 juli 2026

in de zaak van

[appellant]

die woont in [woonplaats]

advocaat: mr. G.J. Hollema

en

Woningstichting Sint Joseph Almelo (de Woningstichting)

die is gevestigd in Almelo

advocaat: mr. R.F.A. Rorink
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1.
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 14 april 2026 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep met memorie van grieven en inclusief incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis;

de memorie van antwoord met memorie van antwoord in het incident.
1.2.
Het hof zal in dit arrest alleen beslissen op het door [appellant] ingestelde incident.
<nr>2</nr>De kern van de zaak 2.1.
[appellant] huurt een huurwoning van de Woningstichting. De Woningstichting meent dat [appellant] voor overlast zorgt. Het ging aanvankelijk om het steeds melden van overlast van buren, terwijl die klachten niet onderbouwd zijn, en om de toon die [appellant] daarbij gebruikt. In 2024 heeft de rechter daarover al een keer geoordeeld. De rechter heeft toen een ‘gedragsaanwijzing’ opgelegd aan [appellant] . In die gedragsaanwijzing is onder andere bepaald dat [appellant] - kort gezegd - geen overlast mag veroorzaken. De Woningstichting meent dat [appellant] zich niet aan deze gedragsaanwijzing houdt en juist zelf op verschillende manieren voor overlast blijkt te zorgen. Zij heeft daarom bij de kantonrechter gevorderd dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [appellant] wordt verplicht zijn huurwoning te ontruimen. De kantonrechter heeft die vorderingen toegewezen. De kantonrechter heeft de ontruimingstermijn vastgesteld op twee maanden na betekening van het vonnis. De Woningstichting heeft het vonnis laten betekenen en heeft de ontruiming aangezegd tegen 8 juli 2026.
2.2.
[appellant] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en heeft daarom hoger beroep ingesteld. [appellant] wil de uitkomst daarvan afwachten zonder dat hij nu al zijn woning moet ontruimen. Daarom wil hij dat het hof beslist dat de Woningstichting het vonnis niet mag uitvoeren zolang er in hoger beroep niet definitief over de zaak is beslist (schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad). Daartoe heeft hij deze incidentele vordering ingesteld (artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; Rv).
2.3.
Het hof ziet geen aanleiding om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen en wijst die vordering af. [appellant] wordt in de proceskosten van dit incident veroordeeld. Het hof licht hierna toe hoe het tot dit oordeel komt.
<nr>3</nr>De toelichting op de beslissing van het hof
Juridisch kader
3.1.
Het hof stelt vast dat de kantonrechter een gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De kantonrechter heeft daarover in 5.9 van het vonnis overwogen:

“De kantonrechter ziet geen aanleiding om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [appellant] was een gewaarschuwd mens: na de opgelegde gedragsaanwijzing moest het voor [appellant] duidelijk zijn waar hij zich aan moest houden. Dat is niet gebeurd. STJA [de Woningstichting] heeft genoeg geduld getoond en heeft er belang bij om het vonnis uit te kunnen voeren ook als [appellant] hoger beroep instelt. Het vonnis zal dan ook uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.”
3.2.
Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als blijkt dat de beslissing van de kantonrechter op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening kon worden gehouden. Die feiten moeten kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.

Er is geen sprake van een kennelijke misslag of van nieuwe feiten
3.3.
Van een kennelijke juridische of feitelijke misslag is pas sprake wanneer het evident is dat het bestreden vonnis op een onjuistheid berust. Het moet gaan om een zodanig duidelijke fout of vergissing in het recht of de feiten, dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. Dat is iets anders dan dat ook een andere beslissing mogelijk was geweest of sprake is van een motiveringsgebrek.
3.4.
[appellant] heeft gesteld dat sprake is van twee juridische misslagen en van een feitelijke misslag. Ten eerste (b)lijkt het vonnis partijdig, omdat - zo begrijpt het hof - de kantonrechter de e-mail van 22 augustus 2025 van mr. Hollema aan mr. Rorink niet expliciet heeft genoemd bij de feitenvaststelling en evenmin uitdrukkelijk heeft betrokken in zijn beoordeling. Volgens [appellant] blijkt uit die e-mail dat hij zich - anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld - welwillend, meewerkend en oplossingsgericht heeft opgesteld. Ten tweede meent [appellant] dat de kantonrechter met twee maten heeft gemeten wat betreft het bewijs van de overlastklachten: [appellant] zou (volgens de gedragsaanwijzing) pas mogen klagen over overlast als hij die overlast kan aantonen, terwijl de kantonrechter op basis van een anonieme melding en een verklaring aanneemt dat [appellant] overlast veroorzaakt, terwijl die overlast niet is aangetoond.
3.5.
Het komt erop neer dat [appellant] het niet eens is met de motivering van de beslissing van de kantonrechter, waarbij [appellant] uit de feitenvaststelling en de beoordeling meent te kunnen afleiden dat de kantonrechter niet onpartijdig was bij zijn oordeelsvorming. Het hof stelt voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn en dat in de wet is voorzien in een afzonderlijke procedure (wraking) voor de behandeling van bezwaren die zien op (de schijn van) vooringenomenheid. Een verzoek daartoe kan worden ingesteld vóór het eindvonnis. Die weg heeft [appellant] niet bewandeld. Voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil waarop in het bestreden vonnis is beslist biedt het hoger beroep een herkansingsfunctie. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd zijn de door hem genoemde bezwaren geen “misslagen” waarvan evident duidelijk is dat de kantonrechter een fout heeft gemaakt. De bezwaren van [appellant] vragen om een inhoudelijke beoordeling van het dossier, aan de hand waarvan wordt geoordeeld of de beslissing van de kantonrechter al dan niet stand houdt. Gelet op het hiervoor genoemde beoordelingskader, bestaat in dit schorsingsincident geen ruimte om de motivering van de rechtbank inhoudelijk te beoordelen. Dat zal het hof in het kader van de beoordeling van de hoofdzaak doen.
3.6.
Volgens [appellant] is daarnaast sprake van een feitelijke misslag. De kantonrechter is er volgens hem ten onrechte van uitgegaan dat hij binnen twee maanden een andere sociale huurwoning zal vinden, terwijl dat feitelijk niet zo is. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in zijn oordeel heeft meegewogen dat het voor [appellant] niet gemakkelijk zal zijn om voor een vergelijkbare huurprijs een andere woonruimte te vinden (onder 5.7). Daarom heeft de kantonrechter de ontruimingstermijn ruimer vastgesteld (op twee maanden) dan dat was gevorderd door de Woningstichting. De kantonrechter heeft niet tot uitgangspunt genomen dat [appellant] binnen twee maanden vervangende woonruimte zou hebben gevonden. Van een feitelijke misslag is geen sprake.
3.7.
[appellant] heeft niet aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten die zich pas ná het bestreden vonnis hebben voorgedaan. Wel heeft [appellant] nog aangevoerd dat de Woningstichting geen in redelijkheid te respecteren belang heeft om vooruitlopend op de uitkomst van het hoger beroep al tot ontruiming over te gaan. Gelet op het in 3.2 genoemde beoordelingskader, bestaat voor het hof geen ruimte voor een hernieuwde belangenafweging op basis van dezelfde feiten. Voor zover [appellant] nog heeft aangevoerd dat hij niet over een sociaal netwerk beschikt waarop hij voor (tijdelijke) huisvesting kan terugvallen en dat een daklozenopvang geen optie is voor hem omdat hij drie katten heeft, bestaat voor het hof - gelet op voornoemd toetsingskader - geen ruimte om dit mee te wegen.

De conclusie: de vordering wordt afgewezen
3.8.
Volgens het hof is geen sprake van een kennelijke misslag of van nieuwe feiten die zich na de bestreden uitspraak hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden en die kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken. Het hof wijst de incidentele vordering van [appellant] daarom af.

Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de kosten van het incident veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. De veroordeling in de proceskosten zal, zoals gevorderd door de Woningstichting, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
3.9.
De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
<nr>4</nr>De beslissing
Het hof:

in het incident
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten van het incident van de Woningstichting ter hoogte van € 1.290,- aan salaris van de advocaat van de Woningstichting (1 procespunt x het toepasselijke tarief II);
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak in hoger beroep
4.4.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, D.M.I. De Waele en K. Mans, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

Rechtbank Overijssel, 14 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2060.

HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026)

HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:853)

Artikel delen