Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHARL:2026:4660

Zorgregeling.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHARL:2026:4660 text/xml public 2026-09-23T15:10:14 2026-07-16 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-16 200.366.708 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4660 text/html public 2026-09-23T15:10:04 2026-09-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4660 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 16-07-2026 / 200.366.708
Zorgregeling.

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.366.708/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 578136)

beschikking van 16 juli 2026

in de zaak van

[verzoeker] (de vader),

die woont in [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Haverkort,

en

[verweerster] (de moeder),

die woont in [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.H. Schmidt.
<nr>1</nr>Samenvatting
De rechtbank heeft een zorgregeling vastgesteld. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd [in] 2009. Het huwelijk is op 13 maart 2026 ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 (hierna: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2011 (hierna: [de minderjarige2] );

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2014 (hierna: [de minderjarige3] );

- [de minderjarige4] , geboren [in] 2016 (hierna: [de minderjarige4] ),

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
2.3.
De rechtbank heeft bij beschikking van 14 juni 2024 voorlopige voorzieningen getroffen.

Bij beschikking van 12 maart 2025 is de voorlopige zorgregeling als volgt gewijzigd:

voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geldt dat zij:

- een keer per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn;

- in de andere week op woensdag uit school tot en met het avondeten bij de vader zijn;

voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] geldt dat zij:

- op maandag uit school bij de moeder zijn tot woensdag naar school;

- op woensdag uit school bij de vader zijn tot vrijdag naar school;

- de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder zijn;

- de andere week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn.

Daarnaast heeft de rechtbank een voorlopige vakantieregeling vastgesteld.
2.4.
In de beschikking van 19 februari 2026 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de in de bestreden beschikking vastgelegde zorgregeling te verbeteren, afgewezen.
<nr>3</nr>De procedure bij de rechtbank 3.1.
De vader heeft bij de rechtbank, onder andere, verzocht om een zorgregeling vast te stellen, in die zin dat:

- [de minderjarige1] in de even weekenden bij de vrouw en in de oneven weekenden bij

man is;

- [de minderjarige2] in de even weken:

 op maandag en dinsdag bij de vrouw, op woensdag en donderdag, tot vrijdag naar school, bij de man, op vrijdag tot en met zondag bij de vrouw is;

 en in de oneven weken:

 van maandag tot en met woensdag bij de vrouw en van donderdag tot en met zondag (19:30 uur) bij man is;

- [de minderjarige3] en [de minderjarige4] in de even weken:

 op maandag en dinsdag bij de vrouw, op woensdag en donderdag, tot vrijdag naar school bij de man, op vrijdag tot en met zondag bij de vrouw zijn;

en in de oneven weken:

 op maandag en dinsdag bij de vrouw, van woensdag tot en met zondag (om 19:30 uur) bij de man zijn;

- een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen.
3.2.
De rechtbank heeft de volgende zorgregeling vastgesteld:

- voor [de minderjarige1] geldt dat zij één keer per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader is en in de andere week op woensdag uit school tot en met het avondeten;

- voor [de minderjarige2] geldt dat zij één keer per twee weken van donderdag uit school tot maandag naar school bij de vader is en in de andere week op woensdag uit school tot en met het avondeten;

- voor [de minderjarige3] en [de minderjarige4] geldt dat zij:

 van maandag uit school tot donderdag naar school bij de moeder zijn;

 van donderdag uit school tot vrijdag naar school bij de vader zijn;

 de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder zijn en de andere week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader zijn.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 4 februari 2026.
3.4.
Het hof heeft bij beschikking van 21 mei 2026 het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad afgewezen.
<nr>4</nr>De procedure bij het hof 4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling voor wat betreft [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] ongedaan maakt en beslist dat:

[de minderjarige2]

- in de even weken:

 op maandag en dinsdag, tot woensdagochtend (naar school) bij de vrouw is;

 op woensdag en donderdag, tot vrijdagochtend (naar school) bij de man is;

 van vrijdag tot en met zondag bij de vrouw is.

- in de oneven weken:

 van maandag tot donderdagochtend (naar school) bij de vrouw is;

 van donderdag tot zondag om 19:30 uur bij de man is.

[de minderjarige3] en [de minderjarige4]

- in de even weken:

 op maandag en dinsdag, tot woensdagochtend (naar school) bij de vrouw zijn;

 op woensdag en donderdag, tot vrijdagochtend (naar school) bij de man;

 van vrijdag tot en met zondag bij de vrouw zijn.

- in de oneven weken:

 van maandag tot woensdagochtend (naar school) bij de vrouw zijn;

 van woensdag tot zondag om 19:30 uur bij de man zijn.
4.2.
De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.

De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

het beroepschrift ontvangen op 23 maart 2026

het verweerschrift

de stukken van de vader ingediend op 29 april 2026

de stukken van de moeder ingediend op 19 juni 2026

de spreekaantekeningen van de vader

de spreekaantekeningen van de moeder
4.4.
[de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] hebben op 22 juni 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van de zorgregeling.
4.5.
De zitting bij het hof was op 25 juni 2026. Aanwezig waren:

de vader met zijn advocaat

de moeder met haar advocaat

een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming

5. Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten: een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.

Standpunten
5.2.
De vader stelt dat de rechtbank een fout heeft gemaakt. Volgens de vader heeft de rechtbank de beoogde zorgregeling, waarin er meer contact zou zijn tussen de vader en de kinderen en de kinderen onderling, niet goed opgeschreven. Het gevolg van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling is dat de vader de kinderen minder ziet en de kinderen ook minder tijd samen doorbrengen. Dit is volgens de vader niet het belang van de kinderen. De vader is bang dat deze zorgregeling ervoor zal zorgen dat de kinderen verder van de vader verwijderd raken. De vader stelt dat [de minderjarige3] en [de minderjarige4] al vanaf de zomer in 2024 de helft van de tijd bij de vader zijn en dat deze regeling langer heeft geduurd dan de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Aanpassing van de regeling is volgens de vader dan ook in het belang van de kinderen.
5.3.
De moeder is het hier niet mee eens. Zij vindt dat de rechtbank de juiste afweging heeft gemaakt op basis van het gesprek met de ouders, de verzoeken, de processtukken en de gesprekken met de kinderen. Volgens de moeder is de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling het meest in het belang van de kinderen. Deze regeling sluit het beste aan bij hun wensen. De kinderen zijn nu meer samen en de regeling komt tegemoet aan hetgeen [de minderjarige4] en [de minderjarige3] willen. De moeder wil dan ook dat de zorgregeling door het hof wordt bevestigd.
5.4.
De raad heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet te wijzigen. Volgens de raad is er tussen de ouders sprake van een ingewikkelde dynamiek waar de kinderen veel last van hebben. De ouders maken ruzie over een dag meer of minder, maar de kinderen zijn daar volgens de raad helemaal niet bij gebaat. Hoe meer de ouders strijden, hoe meer de kinderen hun eigen weg zullen kiezen en afstand zullen nemen van hun ouders. De kinderen hebben volgens de raad rust nodig. Zij willen een goede band opbouwen met beide ouders, zonder dat er strijd is over een dag meer of minder contact. De raad adviseert de ouders met de kinderen activiteiten te ondernemen en goed naar de kinderen te luisteren. Op die manier wordt de band tussen de kinderen en de ouders verbeterd. Een dag meer of minder bij een van de ouders zijn is hiervoor volgens de raad niet de oplossing. De raad adviseert de ouders om te werken aan hun onderlinge communicatie zodat de verstandhouding tussen de ouders kan verbeteren en de kinderen hier geen last meer van hebben.

Hoe oordeelt het hof?
5.5.
Voor wat betreft het standpunt van de vader dat de rechtbank een fout heeft gemaakt in het opschrijven van het petitum van de bestreden beschikking, oordeelt het hof als volgt.

Het hoger beroep dient er mede toe eventuele omissies te herstellen die in eerste aanleg zijn begaan. Deze stelling van de vader leidt daarom niet tot vernietiging van de bestreden beschikking.
5.6.
Het hof ziet, overeenkomstig het advies van de raad, geen aanleiding om de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling te wijzigen. Het hof heeft begrip voor de wens van de vader om meer betrokken te zijn bij het leven van de kinderen, maar het belang van de kinderen om zich op dit moment in alle rust en zonder spanningen verder te ontwikkelen, weegt voor het hof zwaarder.
5.7.
De kinderen zitten al bijna twee jaar middenin het conflict van de ouders over de zorgregeling. De zorgregeling is feitelijk vanaf het verbreken van de relatie van de ouders voor de kinderen een voortdurende bron van onrust geweest met ook verschillende rechterlijke procedures tot gevolg. Dit is zeer belastend voor de kinderen. Dit geldt temeer nu het de ouders al die tijd nog steeds niet gelukt is om hun onderlinge communicatie in het belang van de kinderen te verbeteren en daar hebben zij beiden een aandeel in. Daarom is het hof van oordeel dat de huidige situatie en daarmee ook de zorgregeling in stand moet blijven om de kinderen duidelijkheid en rust te geven. Het hof weegt hier ook de leeftijd van de kinderen in mee. Het is hun belang dat zij rust krijgen en toekomen aan hun eigen ontwikkeling.
5.8.
Het hof zal de beschikking van de rechtbank bevestigen (bekrachtigen) voor wat betreft de zorgregeling.
<nr>6</nr>De beslissing
Het hof:
6.1.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

4 februari 2026, voor wat betreft de zorgregeling;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Artikel delen