Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHARL:2026:4833

Onderneming moet verkocht en regres voor schulden. Beslissing rechtbank kinderalimentatie blijft in stand.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHARL:2026:4833 text/xml public 2026-08-04T13:05:05 2026-07-23 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-07-23 200.357.544 Uitspraak Hoger beroep NL Arnhem Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4833 text/html public 2026-08-04T13:04:35 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:4833 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-07-2026 / 200.357.544
Onderneming moet verkocht en regres voor schulden. Beslissing rechtbank kinderalimentatie blijft in stand.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.357.544 en 200.365.623

(zaaknummers rechtbank Gelderland: 428871 en 444420)

beschikking van 23 juli 2026

in de zaak van

[appellante] (de vrouw)

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. J. Voorberg

en

[geïntimeerde] (de man)

die woont in [woonplaats2]

advocaat: mr. B. Anik
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank) op 2 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft gegeven. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

het beroepschrift met producties, ingekomen op 31 juli 2025

het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties

het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties

een e-mail van mr. Anik van 1 mei 2026 (intrekking grief 1 incidenteel appel)

een journaalbericht van mr. Voorberg van 1 juni 2026 met producties

een journaalbericht van mr. Anik van 1 juni 2026 met producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft op 12 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
<nr>2</nr>De kern van de zaak
Partijen zijn met elkaar getrouwd. Zij hebben twee minderjarige kinderen. Inmiddels zijn partijen gescheiden. Partijen zijn het niet eens over de verdeling en waarde van de onderneming van de man, en over een aantal rekeningen, auto’s en schulden. Ook zijn zij het niet eens over de kinderalimentatie. Het hof gaat op deze posten/onderwerpen hierna verder in, en de beslissing daarover volgt in hoofdstuk 5. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank en beslist aanvullend dat de onderneming moet worden verkocht en dat de vrouw regres heeft op de man. Het verzoek van de vrouw in het incident (overleggen van stukken) wijst het hof af.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1
Partijen zijn [in] 2016 in [plaats1] met elkaar getrouwd, in algehele gemeenschap van goederen (zoals die op dat moment gold). Partijen zijn de ouders van twee nog minderjarige kinderen: [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2016 in [plaats2] en [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2018 in [plaats3] .
3.2
Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is op 5 december 2023 ingediend. Beiden hebben bij de rechtbank nevenverzoeken gedaan.
3.3
De rechtbank heeft op 2 mei 2025 de echtscheiding uitgesproken en – voor zover in hoger beroep nog van belang – bepaald dat de man met ingang van 1 september 2024 € 420 en met ingang van 1 januari 2025 € 447,30 per kind per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Verder is de wijze van verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen gelast. Alle verzoeken die verband houden met de onderneming (de aandelen in de [naam1] B.V. en [naam2] B.V.) zijn afgewezen en het verzoek van de vrouw over een vordering van partijen in rekening-courant op [naam2] B.V. Ook is bepaald dat een ieder van partijen draagplichtig is voor de schuld bij de ouders van de vrouw, de schuld bij [adviesbureau1] B.V. en de studieschuld van de vrouw bij DUO, zoals die op de peildatum bestonden. De bitcoinrekening is aan de man toegedeeld tegen verdeling bij helfte van het saldo op de peildatum, met toezegging van de man dat hij informatie over het saldo per peildatum aan de vrouw zal verstrekken. Tot slot is het verzoek van de man ter zake van de sportspullen van [naam2] B.V. (inboedelzaken) afgewezen.
3.4
De echtscheidingsbeschikking is [in] 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.5
De bedoeling van het hoger beroep van de vrouw is dat het hof de bestreden beschikking voor een deel vernietigt en onder uitvoerbaar bij voorraadverklaring:

in het incident

a. de man veroordeelt om op grond van artikel 1:83 BW jo. artikel 21 Rv jo. 843a

Rv de volgende stukken met betrekking tot [naam1] BV en [naam2] BV over te leggen:

de tussentijdse cijfers van 2024

de winstprognose voor de komende vijf jaren

financieringsarrangementen, investeringsplannen en liquiditeitsprognoses

alles wat verder nodig is voor het onderzoek naar de waarde van de aandelen door een

door het gerechtshof aan te wijzen deskundige

b. de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen te gelasten op de navolgende wijze:

ten aanzien van de aandelen in de besloten vennootschap

a. de aandelen in de besloten vennootschap [naam1] B.V. toedeelt

aan de man, onder de verplichting om aan de vrouw te voldoen de helft van

de door een door uw gerechtshof aan te wijzen deskundige vast te stellen

waarde, waarbij de kosten voor de deskundige door partijen bij helfte dienen

te worden gedragen

ten aanzien van de vordering van partijen in rekening-courant

de vordering van partijen uit hoofde van rekening-courant op [naam2] B.V. ter

hoogte van C 35.466,30, toedeelt aan de man, onder de verplichting aan de vrouw te voldoen de helft van de waarde van de vordering, te weten een bedrag ter hoogte van € 17.733,15

ten aanzien van het regresrecht van de vrouw inzake de schulden

de man veroordeelt om binnen twee weken na afgifte van de beschikking in hoger

beroep aan de vrouw te voldoen: de helft van het verschuldigde bedrag uit hoofde van de afgeloste studieschuld, te weten € 2.298,61 en de helft van het verschuldigde bedrag van de afgeloste lening bij [adviesbureau1] B.V., te weten € 3.006,24

ten aanzien van de bitcoinrekeningen van partijen

primair

 de bitcoinrekeningen toedeelt aan de vrouw en de man veroordeelt om

binnen acht dagen na de in dezen te wijzen beschikking alle medewerking te

verlenen aan de toedeling en wijziging tenaamstelling van de bitcoinrekeningen op straffe van een dwangsom van € 5.000 euro ineens en € 500 per dag dat hieraan niet wordt voldaan, onder verrekening van de saldi per peildatum met de man

subsidiair

 de man beveelt tot het verstrekken van alle informatie over de saldi op de

bitcoinrekeningen per peildatum op straffe van een dwangsom van € 5.000 euro ineens en € 500,- per dag en de bitcoinrekeningen aan de man toedeelt onder verrekening van de saldi per peildatum met de vrouw.

Kosten rechtens.
3.6
De man voert verweer en concludeert I. tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw in hoger beroep. Zijn bedoeling van het hoger beroep is dat het hof

II. de zorgregeling in artikel 3. 1 van het ouderschapsplan wijzigt in die zin dat met

ingang van datum beschikking van uw Hof dat er een co-ouderschapregeling zal gelden

waarbij de wisseldag nader bepaald zal worden

III. de kinderalimentatie per 2 mei 2025 vaststelt op maximaal € 156 per kind per maand en de vrouw veroordeelt tot terugbetaling van de te veel betaalde kinderalimentatie

IV. voorwaardelijk: indien het hof het verzoek van de vrouw om een rechtbankdeskundige

aan te wijzen voor de waardering van de aandelen van de holding toewijst, dan verzoekt de man dat het hof bepaalt

- dat de kosten van de deskundige volledig door de vrouw betaald zullen worden zonder

nadere verrekening

- dat de administratie van de holding in het geheel opnieuw verricht moet worden in

ieder geval voor de jaren 2023 en 2022

- dat de deskundige de jaarrekeningen opnieuw moet opstellen om vervolgens tot een

waardering te komen

- de man het recht voorbehoud om na een eventuele waardering van de aandelen door de deskundige zijn verzoeken ten aanzien van de toescheiding van de aandelen van de

holding aan hem zal aanvullen dan wel zal wijzigen.

V. voorwaardelijk: indien het hof over zal gaan tot het verrekenen van de waarde van de

aandelen, verzoekt de man primair de aandelen van de holding aan hem toe te scheiden

zonder nadere verrekening met de vrouw dan wel de waarde van de aandelen - uit

praktisch oogpunt- te baseren op het rapport van [adviesbureau2] en vaststelt op

maximaal € 63.086 dan wel subsidiair de aandelen aan de vrouw zal toescheiden tegen door de vrouw gestelde waarde van € 661.049,59 waarbij de vrouw een bedrag van € 330.524,79 aan de man moet voldoen bij de levering van de aandelen aan de vrouw

VI. de vrouw veroordeelt om binnen 48 uur na te wijzen beschikking alle inboedelgoederen van [naam2] BV zijnde apparatuur af te leveren bij de locatie van [naam2] BV op straffe van een dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 30.000

VII. de auto Toyota Advance met kenteken [kentekennummer] aan de vrouw toedeelt voor € 16.683 onder verrekening van het bedrag van € 8.341,50 met de man en de vrouw veroordeelt dit bedrag binnen 8 dagen na te wijzen beschikking aan de man te voldoen

VIII. voor recht verklaart/bepaalt dat de schuld aan de ouders van de man niet aanwezig

was per peildatum en dat deze schuld niet in de gemeenschap valt en de man niet

draagplichtig is ten aanzien van deze schuld

IX. voor recht verklaart/bepaalt dat de schuld aan [adviesbureau1] niet in de gemeenschap

valt en niet aanwezig was per peildatum en de man niet draagplichtig is ten aanzien van

deze schuld

X. voor recht verklaart/bepaalt dat de schuld aan de DUO niet in de gemeenschap valt

en niet aanwezig was per peildatum en de man niet draagplichtig is ten aanzien van deze

schuld

XI. de vrouw veroordeelt tot betaling van € 1.333,32, zijnde de helft van het bedrag van € 2.666,64 (8 termijnen x € 333,33)

XII. de vrouw veroordeelt voor de integrale proceskosten van de man in hoger beroep waarbij er tijdig voor de zitting een overzicht van de reeds gemaakte proceskosten en de te maken proceskosten zal worden overgelegd, te bepalen binnen 8 dagen na te wijzen beschikking.
3.7
De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man in incidenteel hoger beroep.
3.8
Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank en beslist aanvullend dat de onderneming moet worden verkocht en dat de vrouw regres heeft op de man. Het verzoek van de vrouw in het incident (overleggen van stukken) wijst het hof af. Het hof licht dat als volgt toe.
3.9
Het hof hoeft geen beslissing meer te nemen over de zorgregeling omdat de man deze grief heeft ingetrokken.
<nr>4</nr>De toelichting van de beslissing van het hof
alimentatie

uitgangspunten/kernbedragen
4.1
De rechtbank heeft de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vastgesteld op € 645 per kind per maand in 2024. Tegen deze vaststelling is geen grief geformuleerd, zodat het hof ook van een behoefte van € 645 per kind per maand uitgaat. Ook van het door de rechtbank gehanteerde inkomen van de man, zijn netto besteedbare inkomen, de daarbij behorende draagkracht en de toegepaste zorgkorting van 25%, is geen hoger beroep ingesteld en dus ook geen grief geformuleerd. Het hof zal daarom ook hiervan uitgaan.

draagkracht vrouw, ingangsdatum alimentatieverplichting en verzoek om terugbetaling
4.2
Het geschil betreft de draagkracht van de vrouw, de ingangsdatum voor de alimentatieverplichting en ook het verzoek van de man om terugbetaling van te veel betaalde kinderalimentatie.
4.3
De man is het niet eens met het door de rechtbank gehanteerde inkomen van de vrouw van € 15.767 bruto per jaar. Dit inkomen is volgens hem onder het sociaal minimum. De vrouw heeft een veel hoger inkomen dan zij bij de rechtbank heeft aangegeven. De vrouw voert verweer.
4.4
Het hof overweegt als volgt. De man heeft niet aangetoond dat het inkomen van de vrouw hoger is dan het inkomen dat de rechtbank heeft gehanteerd. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat haar Wajong-uitkering steeds wordt verrekend met haar inkomsten uit werkzaamheden. Dit betekent dat haar inkomen steeds gelijk blijft zolang haar inkomsten uit werkzaamheden de Wajong-uitkering niet overstijgen. De grief van de man faalt. Nu de grief van de man faalt en dus van een herziening geen sprake is, kan ook een herziening van de draagkracht van de man achterwege blijven. De vrouw heeft immers (voorwaardelijk) gesteld dat eerst wanneer sprake is van herziening van haar inkomen en draagkracht, ook de draagkracht van de man opnieuw berekend zou moet worden. Nog daargelaten dat van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden niet is gebleken. De over en weer gedane onderbouwing, na betwisting daarvan, ontbreekt. Verder heeft de man niet aangetoond dat de rechtbank van een onjuist percentage zorgkorting is uitgegaan (25) en dat dit percentage 35 moet zijn. Zijn deel in de zorg van de kinderen is op momenten vanwege zijn huidige therapie eerder minder dan meer dan bij de procedure bij de rechtbank. Het hof ziet daarom geen reden om uit te gaan van een percentage zorgkorting van 35. Een percentage van 35 is eerst aan de orde indien sprake is van een zorgregeling van gemiddeld drie dagen per week. Van dat laatste is geen sprake. Het hof gaat dus uit van een zorgkorting van 25%.
4.5
De man klaagt verder dat de rechtbank zijn alimentatieverplichting met als ingangsdatum 1 september 2024 heeft bepaald. Hij verzoekt dat het hof zijn verplichting vaststelt per 2 mei 2025. Dat is de datum van de beschikking van de rechtbank. De vrouw moet dan ook de daardoor teveel betaalde kinderalimentatie aan hem terugbetalen, aldus de man. De vrouw voert verweer.
4.6
Het hof is van oordeel dat de rechtbank de juiste datum als ingangsdatum heeft gehanteerd. Op 28 augustus 2024 heeft de vrouw bij de rechtbank voor het eerst een bijdrage van de man in de kosten van de kinderen gevraagd. Het hof is van oordeel dat de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen en moeten houden met een alimentatieverplichting jegens [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Grief 2 van de man faalt en zijn verzoek, ook om terugbetaling, wordt afgewezen. Vorenstaande betekent dat de beslissing van de rechtbank in stand blijft.

vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk

toetsingskader
4.7
Artikel 3:185 lid 1 BW bepaalt dat, als deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt en daarbij naar billijkheid rekening houdt met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter is daarbij niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben verzocht en hij behoeft niet - expliciet - in te gaan op wat partijen hebben aangevoerd.

aandelen in de besloten vennootschap [naam1] B.V. en de vordering van partijen uit hoofde van de rekening courant op [naam2] BV, inboedel van [naam2] BV en het verzoek van de vrouw in het incident (overleggen van stukken)
4.8
Op de zitting heeft de vrouw verklaard de onderneming niet te willen overnemen (ook niet tegen een lagere waarde dan zij stelt). Ook heeft zij op de zitting haar standpunt over de waarde van de onderneming gewijzigd. Aanvankelijk meende de vrouw dat de aandelen van de onderneming een waarde vertegenwoordigden van € 734.499,54, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft ze dit aangepast naar € 408.000. De man stelt dat hij bij vaststelling van een waarde van meer dan € 63.000 niet in staat is de aandelen van de onderneming toegedeeld te krijgen en ook ontbeert hij de middelen voor een deskundigenonderzoek. De man wil daarom verkoop van de onderneming als hij die niet mag overnemen voor € 63.000.

Het hof zal beslissen dat de onderneming moet worden verkocht. Het inschakelen van een deskundige (met de daarbij komende hoge kosten en vertraging van de procedure) is naar het oordeel van het hof zinloos nu de man de onderneming sowieso niet wil overnemen wanneer deze meer waard is dan € 63.000. Grief 2 van de vrouw faalt en bespreking van de voorwaardelijke grieven 3 en 4 van de man kan achterwege blijven.
4.9
Bij de door de vrouw gevraagde toedeling van de vordering in rekening-courant op [naam2] BV aan de man heeft de vrouw naar het oordeel van het hof geen belang meer nu niet langer sprake zal zijn van het voortzetten van de onderneming door de man. Het gaat hier om een vordering in rekening-courant die de gemeenschap heeft op [naam2] BV. Deze vordering moet ter gelegenheid van en na de verkoop en levering van de onderneming met de gemeenschap worden verrekend/afgewikkeld. Het hof wijst deze vordering daarom af. Grief 3 van de vrouw faalt.
4.10
Omdat de onderneming moet worden verkocht, komt het hof niet toe aan een inhoudelijke bespreking van grief 1 van de vrouw en kan een beoordeling en beslissing van haar verzoek in het incident (overleggen van gegevens) achterwege blijven. Het hof wijst het verzoek van de vrouw in het incident af.
4.11
In incidenteel hoger beroep verzoekt de man dat het hof bepaalt dat de vrouw binnen 48 uur na de te wijzen beschikking alle inboedelgoederen van [naam2] BV, zijnde apparatuur, aflevert op locatie van [naam2] BV op straffe van een dwangsom van € 500 per dag met een maximum van € 30.000. Een dwangsom is nodig omdat de vrouw geen gehoor geeft aan de verzoeken van de man, aldus de man. De vrouw voert verweer.

Het hof is van oordeel dat de vrouw voor het merendeel aan haar verplichtingen heeft voldaan. Niet weersproken is dat zij 20 en 30 september 2025 de verschillende zaken bij de man heeft afgeleverd. Voor de rest is duidelijk dat het wall mount rek nagelvast aan de woning is verwerkt, dat de kinderstangen voor de kinderen van partijen zijn bestemd en dat de droppads een cadeau van de man aan de vrouw zijn. Grief 5 van de man faalt en zijn verzoek wordt afgewezen, zo ook de verzochte dwangsom.

auto Toyota Advance met kenteken [kentekennummer] 9
4.12
De man heeft grief 5 en het daarmee corresponderende verzoek ingetrokken. Een inhoudelijke beoordeling van de grief en een beslissing op het verzoek van de man kan dan ook achterwege blijven.

DUO-schuld, schuld aan [adviesbureau1] BV, schuld bij de ouders van de vrouw en regres
4.13
Volgens de vrouw zijn er drie schulden op de peildatum: een schuld bij de ouders van de vrouw, een schuld bij [adviesbureau1] BV en een studieschuld bij DUO op naam van de vrouw. De rechtbank heeft volgens de vrouw terecht geoordeeld dat partijen draagplichtig zijn voor deze drie schulden, maar ten onrechte geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld of er regresrecht bestaat ten aanzien van deze schulden van partijen. De man verklaart dat deze leningen alle drie al voor de peildatum niet meer bestonden en voor zover deze nog wel bestonden, dat deze leningen niet in de gemeenschap zijn gevallen.

schuld bij ouders van de vrouw
4.14.
De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat er nog een schuld van € 24.000 aan de ouders van de vrouw zou zijn en verwijst naar productie 3. Uit deze productie blijkt volgens hem dat deze schuld al lang is afbetaald door de overboekingen die gedaan zijn aan [adviesbureau1] BV. Volgens de man kan er dus geen schuld meer van

€ 24.000 op peildatum zijn. Op 1 juli 2023 was deze lening afgelost. Op die dag is de laatste termijn van € 8.568,30 afgelost. De vrouw voert verweer.
4.15
De vrouw heeft de schuld aan haar ouders met bewijsstukken onderbouwd. Zij heeft een geldleningsovereenkomst in het geding gebracht. Dat er geld geleend is van de ouders van de vrouw wordt ook niet door de man betwist. Uit productie 10 van de man blijkt naar het oordeel van het hof, anders dan de man stelt, niet dat deze lening is afgelost. Op het overzicht staan alleen betalingen aan [adviesbureau1] BV en niet aan de ouders. Verder blijkt ook niet dat deze overboekingen betrekking hebben op deze lening. Ook blijkt nergens uit dat deze schuld niet tot de gemeenschap zou behoren. Nu de man de geldlening zelf niet heeft betwist en niet vast is komen te staan dat de lening is afgelost zijn partijen ieder voor de helft draagplichtig voor deze schuld van € 24.000. De beslissing van de rechtbank onder 3.74 gedachtestreepje 22 (en de overweging onder 3.66) blijft dan ook in stand. Grief 6 van de man faalt.

schuld aan [adviesbureau1] BV
4.16
De vrouw heeft, tegenover de stelling van de man dat deze schuld al voor de peildatum is afgelost, naar het oordeel van het hof afdoende aangetoond dat zij na peildatum de schuld bij [adviesbureau1] BV met een bedrag van € 1.333,73 heeft afgelost. Evenals in eerste aanleg heeft de man in hoger beroep geen bewijs van volledige afbetaling voor de peildatum in het geding gebracht. De enkele betwisting van de man is onvoldoende. Ook blijkt nergens uit dat deze schuld niet tot de gemeenschap zou behoren. Dit betekent dat de vrouw regres heeft op de man voor de helft van € 1.333,73 dus voor € 666,86. Voor zover er nog rente openstaat zoals de vrouw stelt, moeten partijen die rente ieder voor de helft voldoen. Het hof zal dat ook beslissen. Grief 7 van de man faalt.

DUO-schuld
4.17
Tot slot voor wat betreft de schuld bij DUO heeft de man niet aangetoond dat tijdens het huwelijk de studieschuld van de vrouw is afgelost. Een bewijs van volledige afbetaling tijdens het huwelijk en wel voor de peildatum (5 december 2023) is ook in hoger beroep niet geleverd. De vrouw heeft een bewijsstuk in het geding gebracht waaruit blijkt dat de schuld [in] 2025 € 3.845,43 bedroeg (productie 22 eerste aanleg) en ook heeft zij aangetoond dat de studieschuld inmiddels geheel is afgelost (productie 23 hoger beroep). De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij na de peildatum maandelijks met € 59,02 op de schuld heeft afgelost. Evenals de rechtbank oordeelt het hof dat er geen reden is om aan te nemen dat de studieschuld van de vrouw niet in de huwelijksgemeenschap valt. De vrouw heeft daarom regres op de man voor de helft van de door haar gedane aflossingen. Het hof zal dat ook beslissen. Grief 4 van de vrouw slaagt voor een deel en faalt voor een deel.

bitcoinrekening(en)
4.18
De vrouw stelt dat de man, ondanks zijn toezegging ter zitting, geen informatie heeft verstrekt over de saldi op de bitcoinrekeningen. De waarde van één bitcoin bedroeg volgens haar per peildatum € 44.076,30 en het gaat om meer dan één bitcoin. De man heeft op verschillende data bedragen gestort op verschillende bitcoinrekeningen, onder meer bij Bitvavo en 2525 Ventures BV. Omdat de man geen informatie heeft verstrekt verzoekt de vrouw de bitcoinrekeningen aan haar toe te delen en de man te veroordelen tot medewerking aan de toedeling en wijziging tenaamstelling van de rekeningen op straffe van een dwangsom, onder de verplichting de helft van het saldo op peildatum met de man te delen. Subsidiair vraagt de vrouw de man te bevelen tot het verstrekken van informatie over het saldo op straffe van een dwangsom, de rekeningen aan hem toe te delen onder de verplichting de helft van het vastgestelde saldo aan de vrouw te voldoen. De man voert verweer.
4.19
Het hof overweegt als volgt. De man verklaart dat er op de peildatum een bitcoinrekening bij Bitvavo bestond. Ook verklaart de man dat er geen sprake is van een andere bitcoinrekening en dat 2525 Venturis BV niet meer bestaat en is overgegaan in Bitvavo (productie 15 hoger beroep man). Daarmee heeft de man naar het oordeel van hof voldoende weerlegd dat, zoals de vrouw stelt, sprake is van meer dan een bitcoinrekening. De grief van de vrouw faalt. Het hof ziet geen aanleiding om de bitcoinrekening aan de vrouw toe te delen en wijst het verzoek van de vrouw af. De man heeft verklaard dat hij de informatie met de vrouw deelt en ook heeft hij informatie over het saldo gedeeld. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om alsnog een dwangsom aan de beslissing van de rechtbank te verbinden. Ook dat verzoek wijst het hof af. De beslissing van de rechtbank op dit onderdeel blijft in stand (r.o. 3.74, gedachtestreepje 21). Grief 5 van de vrouw faalt.

proceskosten
4.20
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Hij verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen om de integrale proceskosten van de man in hoger beroep te vergoeden. De vrouw voert verweer.
4.21
In een familierechtelijke procedure is niet gebruikelijk om een van partijen in de proceskosten te veroordelen. Alleen in bijzondere omstandigheden, in geval van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure door een van de partijen, is afwijking van deze regel mogelijk. De drempel voor een vergoeding voor de werkelijke proceskosten ligt daarmee hoog. Van de daarvoor benodigde bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van het hof onvoldoende sprake. Verder is van misbruik van procesrecht of van onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure door de vrouw niet gebleken. Nog daargelaten dat de man ook geen overzicht van de al gemaakte proceskosten en de te maken proceskosten voor de zitting heeft overgelegd, zoals hij onder XII van zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep heeft aangekondigd. Het hof zal, omdat partijen voormalige echtelieden zijn, de proceskosten in de zaken in hoger beroep en in het incident (dus zoals gebruikelijk is in het familierecht) als volgt compenseren en het verzoek van de man op dit punt afwijzen. Grief 8 faalt.

bewijsaanbod
4.22
Het hof passeert het bewijsaanbod van de man. Dat bewijsaanbod is niet specifiek genoeg, omdat de man niet concreet aangeeft op welke stellingen zijn aanbod betrekking heeft. In hoger beroep mag van een partij die bewijs aanbiedt worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft.
<nr>5</nr>De beslissing
Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
5.1
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 2 mei 2025, en beslist aanvullend als volgt:
5.2
bepaalt dat partijen binnen veertien dagen na heden moeten meewerken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van (de aandelen in) de [naam1] B.V. en de verdeling van de netto-opbrengst daarvan door:

a. samen aan makelaar [naam3] (www. [naam3] .com) opdracht te geven de verkoop ter hand te nemen, dan wel kiest de man een makelaar uit een lijst van drie door de vrouw voorgestelde makelaars. De vrouw moet die lijst binnen een week aan de man doen toekomen,

b. opdracht te geven een bodemprijs te hanteren en deze zo nodig te verlagen conform de instructie van de makelaar,

c. al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht te komen,

d. mee te werken aan de ondertekening van de verkoopovereenkomst en medewerking te verlenen aan de notariële eigendomsoverdracht,

e. medewerking te verlenen aan de betaling uit de verkoopopbrengst van de daarop vallende kosten, waaronder de makelaarscourtage, en

f. gezamenlijk aan de notaris die belast is met de overdracht opdracht te geven de netto-verkoopopbrengst bij helfte te verdelen,
5.3
veroordeelt de man om aan de vrouw een bedrag van € 666.86 te betalen en bepaalt dat partijen ieder de helft van de nog openstaande rente moeten voldoen (zie r.o. 4.16),
5.4
veroordeelt de man om aan de vrouw de helft van het bedrag dat de vrouw na de peildatum op de schuld aan DUO heeft afgelost (zie r.o. 4.17),
5.5
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, en
5.6
wijst het meer of anders verzochte af.

in het incident
5.7
wijst het verzoek van de vrouw af.

in de zaken 200.357.544 en 200.365.623 en in het incident
5.8
wijst het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen voor zijn integrale proceskosten af, en
5.9
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep en in de zaak in het incident in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L. Hamer, M.L. van der Bel en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 23 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

HR 9 juli 2004, HR:2004:AO7817.

Artikel delen