Vrijspraak mishandeling. Geslaagd beroep op noodweer.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:4988
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-07-2026
Datum publicatie
30-07-2026
Zaaknummer
21-001433-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHARL:2026:4988text/xmlpublic2026-07-30T10:31:382026-07-30Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Arnhem-Leeuwarden2026-07-2921-001433-24UitspraakHoger beroepNLZwolleStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4988text/htmlpublic2026-07-30T10:31:072026-07-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHARL:2026:4988 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 29-07-2026 / 21-001433-24 Vrijspraak mishandeling. Geslaagd beroep op noodweer.
Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001433-24
Uitspraakdatum: 29 juli 2026
TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 november 2023 met parketnummer 05-118034-23 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van het hof van 15 juli 2026. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Winters, hebben aangevoerd. Vonnis De politierechter heeft verdachte bij verstek voor mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis. De benadeelde partij [betrokkene] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding. Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 18 maart 2023 te [plaats] [betrokkene] heeft mishandeld door die [betrokkene] te duwen, door het hoofd van die [betrokkene] stevig vast te pakken en/of in zijn hoofd te knijpen, en/of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam, van die [betrokkene] te slaan en/of te stompen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het staat vast dat verdachte de tenlastegelegde handelingen heeft begaan. Er was wel sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever, maar de daarop volgende handelingen van verdachte voldoen niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hij had als alternatief de politie moeten bellen en bovendien waren zijn handelingen niet proportioneel. Een beroep op noodweerexces dan wel putatief noodweer kan daarom niet slagen. Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een geslaagd beroep op noodweer, dan wel putatief noodweer, toekomt. Verdachte werd geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door aangever waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. Zijn verdediging was proportioneel. Dan wel mocht verdachte in redelijkheid denken dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Oordeel van het hof
Op basis van het dossier alsmede het verhandelde ter zitting in hoger beroep, gaat het hof uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verdachte was als beveiliger aan het werk voor de deur van een café. Vanwege de drukte moest een rij gevormd worden. Betrokkene [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) schold verdachte hierop uit en probeerde zichzelf de toegang tot het café te verschaffen. Op enig moment gaf hij een elleboogstoot aan een meisje in de rij. Dit was voor verdachte aanleiding om [betrokkene] de toegang tot het café te weigeren. [betrokkene] ging toen over op het bedreigen van verdachte. Verdachte heeft [betrokkene] meermaals mondeling gevorderd het terras van het café te verlaten. [betrokkene] bleef zich ophouden in de buurt van het café. Enige tijd later keerde [betrokkene] terug. Hierop heeft verdachte [betrokkene] geduwd om hem op die manier van het terras te krijgen. In plaats van te vertrekken, pakte [betrokkene] verdachte vast bij zijn middel. Verdachte vroeg [betrokkene] hem los te laten en probeerde los te komen uit de greep. Verdachte probeerde het hoofd van [betrokkene] weg te duwen, maar het lukte hem niet om los te komen. Vervolgens voelde verdachte onder zijn steek- en kogelwerend vest pijn aan zijn tepel. Daarop heeft verdachte [betrokkene] drie keer in het gezicht geslagen om ervoor te zorgen dat [betrokkene] hem losliet. Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij [betrokkene] heeft mishandeld door hem te duwen, zijn hoofd vast te pakken en tegen zijn hoofd te slaan/stompen en in het hoofd te knijpen. De vier aan verdachte verweten geweldshandelingen vragen om afzonderlijke bespreking. Het hof heeft uit het onderzoek ter zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het tenlastegelegde in het hoofd knijpen, heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij. Gelet op voorgaande feitenvaststelling staan de overige aan verdachte tenlastegelegde geweldshandelingen op zich vast. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of en in hoeverre verdachte gerechtigd was om zo te handelen. Verdachte heeft [betrokkene] op enig moment geduwd nadat hij [betrokkene] de toegang tot het café had geweigerd en deze niet weg wilde gaan. Het hof is van oordeel dat een beveiliger onder de geschetste omstandigheden een lastige klant mocht wegduwen. Deze duw is daarom niet aan te merken als een wederrechtelijke handeling in de richting van [betrokkene] . Nu de wederrechtelijkheid onder de specifieke omstandigheden van deze zaak ontbreekt, zal het hof verdachte reeds daarom vrijspreken van het duwen. Ten aanzien van de tenlastegelegde handelingen van het vastpakken van het hoofd van [betrokkene] en het tegen zijn hoofd slaan/stompen zal het hof het noodweerverweer bespreken. Een beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan slagen als sprake is van een verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf, de eerbaarheid of een goed, welke verdediging noodzakelijk en proportioneel is. Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was. Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de aangever, verdachte in een greep (bij armen en lichaam) heeft vastgepakt waaruit verdachte zich niet zomaar los kon trekken. Deze greep kan in dit geval worden geduid als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf (de noodweersituatie). Deze situatie hield namelijk enige tijd aan, omdat [betrokkene] niet losliet, en daarbij ook op enig moment met zijn hand onder het steek- en kogelwerend vest van verdachte kwam en een pijnprikkel bij verdachte veroorzaakte die hij niet kon duiden. De verdedigende reactie van verdachte – het vastpakken van het hoofd en het geven van meerdere klappen in het gezicht van aangever – is onder deze specifieke omstandigheden binnen de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit gebleven. In dit kader weegt het hof mee dat verdachtes geweldshandelingen zijn gestopt, nadat hij uit de greep van [betrokkene] was bevrijd. Het standpunt dat verdachte zich had kunnen en moeten onttrekken aan de situatie, zoals door de advocaat-generaal is gesteld, deelt het hof niet. Een beveiliger van een café dient in eerste instantie zelf situaties met lastige klanten op te lossen. Er was tot dat moment geen directe noodzaak om de politie te bellen. De daarop volgende noodweersituatie was acuut, kwam voor verdachte onverwacht en was van korte duur. Op dat moment had verdachte geen redelijke alternatieve mogelijkheid om zich uit de situatie te bevrijden. Het bellen van de politie, zoals door de advocaat-generaal als alternatief genoemd, behoorde op dat moment niet tot een reëel alternatief. Verdachte komt een geslaagd beroep op noodweer toe.
Het geslaagde beroep op noodweer heeft tot gevolg dat de wederrechtelijkheid die in de tenlastegelegde mishandeling besloten ligt niet kan worden bewezen, zodat verdachte ook wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde stevig vastpakken van het hoofd en het slaan/stompen tegen het hoofd. Vordering van de benadeelde partij [betrokkene] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade ingediend. De benadeelde partij is door de politierechter niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding. Verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Vordering van de benadeelde partij [betrokkene] Verklaart de benadeelde partij [betrokkene] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil. Aldus gewezen door
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. K.J.C. Geeve en mr. M. Zwartjes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 29 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.