Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHARL:2026:5864

Familierecht. Eenhoofdig gezag moeder noodzakelijk in het belang minderjarige. Patroon van afspraken afzeggen en moeizame communicatie bij vader. Door vader verzochte uitbreiding van de omgang niet reëel, omdat het hem al niet lukt huidige omgangsregeling na te komen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHARL:2026:5864 text/xml public 2026-09-28T10:56:01 2026-09-10 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-09-10 200.363.168/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5864 text/html public 2026-09-28T10:55:40 2026-09-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:5864 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-09-2026 / 200.363.168/01
Familierecht. Eenhoofdig gezag moeder noodzakelijk in het belang minderjarige. Patroon van afspraken afzeggen en moeizame communicatie bij vader. Door vader verzochte uitbreiding van de omgang niet reëel, omdat het hem al niet lukt huidige omgangsregeling na te komen.
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.363.168/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 557816 en 599676)

beschikking van 10 september 2026

inzake

[verzoeker] (de vader),

die woont op een bij het hof bekend adres,verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. E.H. van de Gein te Den Haag,

en

[verweerster] (de moeder),

die woont in [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

advocaat: mr. G.J.A.M. Gloudi te Lelystad,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI),

die is gevestigd in Utrecht,

verweerster in hoger beroep.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Midden Nederland, locatie Lelystad.
<nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 8 augustus 2023, 4 april 2025 en 24 november 2025 en het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van diezelfde rechtbank van 8 maart 2024. Laatstgenoemde beschikking van 24 november 2025 zal hierna worden aangeduid als: de bestreden beschikking.
<nr>2</nr>Het geding in hoger beroep 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 31 december 2025;

- een journaalbericht namens de vader van 19 februari 2026 met bijlage(n);

- een brief namens de vader van 8 april 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de vader van 20 april 2026 met bijlage(n);

- het verweerschrift namens de moeder met bijlage(n);

- het verweerschrift van de GI met bijlage(n);

- een brief van de raad van 22 juni 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting.
2.2.
De hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De moeder heeft het hof op 30 juni 2026 namens [minderjarige] schriftelijk bericht dat hij te jong is om hier een mening over te kunnen hebben en dat het een heel gevoelig onderwerp is.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 13 augustus 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. Van de Gein namens de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI.
<nr>3</nr>De feiten 3.1.
De ouders hebben van 2014 tot 2020 een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op 2 september 2016. De ouders hebben enkele dagen na de geboorte van [minderjarige] in het gezagsregister laten aantekenen dat zij samen het gezag over [minderjarige] hebben. Het gezin woonde samen in [woonplaats] . De vader heeft halverwege 2020 in [woonplaats] andere woonruimte betrokken. In de periode van augustus 2019 tot september 2023 zijn meerdere meldingen over het gezin gedaan bij Veilig Thuis (ruzies tussen de ouders, vervuilde woning/leefomgeving, drugsproblematiek van de vader, schoolverzuim, grensoverschrijdend gedrag van [minderjarige] ).
3.2.
De ouders hebben in een ouderschapsplan van 7 oktober 2022 afgesproken dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder en dat hij elk weekend, met uitzondering van het tweede weekend van de maand, van vrijdag tot en met zondag bij de vader verblijft.
3.3.
De vader is begin 2023 ongeveer 100 kilometer verderop gaan wonen. Enkele maanden daarna is [minderjarige] geschorst op de basisschool vanwege agressief gedrag. Kort daarop heeft de moeder de rechtbank gevraagd de uitvoering van de tussen de ouders overeengekomen zorgregeling op te schorten en haar alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten. Bij beschikking van 8 augustus 2023 heeft de rechtbank als voorlopige zorgregeling bepaald dat [minderjarige] één keer per veertien dagen van vrijdag tot zondag bij de vader verblijft en de raad gevraagd onderzoek te doen naar het gezag en de zorgregeling.
3.4.
De raad heeft zijn onderzoek ambtshalve uitgebreid naar een beschermingsonderzoek. De raad heeft op 8 februari 2024 een rapport uitgebracht. Het advies van de raad was om de beslissing over het gezag aan te houden en een voorlopige zorgregeling van elke twee weken een weekend van vrijdag na school tot zondag 19.00 uur vast te stellen, waarbij de vader zorgt voor het halen en brengen van [minderjarige] . Daarnaast heeft de raad verzocht [minderjarige] onder toezicht te stellen.
3.5.
[minderjarige] is op 8 maart 2024 onder toezicht gesteld van de GI. Sindsdien voert de GI regie op de zorgregeling. Vanaf juli 2024 is het contact tussen de vader en [minderjarige] begeleid geworden. In eerste instantie gold een regeling waarbij de vader en [minderjarige] elkaar eenmaal per twee weken op maandag een uur zagen. Sinds 1 september 2025 is dat verminderd naar eenmaal per maand (de eerste maandag van de maand). De GI heeft de rechtbank op

15 september 2025 gevraagd de zorgregeling dienovereenkomstig te wijzigen. De huidige termijn van de ondertoezichtstelling loopt tot 8 december 2026.
<nr>4</nr>De omvang van het geschil 4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

- bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen toekomt aan de moeder;

- bepaald dat er tussen de vader en [minderjarige] één keer per maand voor de duur van een uur begeleide omgang zal plaatsvinden;

- de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de verzoeken van de vader en de moeder voor het overige afgewezen.
4.2.
De vader komt met twee grieven in hoger beroep van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. Na correctie ter zitting verzoekt de vader het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zowel het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag als het verzoek van de GI tot het wijzigen van de zorgregeling af te wijzen, zodat de vader weer mede belast is met het gezag over [minderjarige] en de zorgregeling, zoals opgenomen in de beschikking van

8 augustus 2023, opnieuw van kracht wordt.
4.3.
De moeder voert verweer en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4.
De GI voert ook verweer en verzoekt het hof eveneens om de bestreden beschikking te bekrachtigen.
<nr>5</nr>De motivering van de beslissing
* Gezag
5.1.
Op grond van artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als na de totstandkoming van het gezamenlijk gezag de omstandigheden zijn gewijzigd. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan een van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.2.
De rechtbank heeft wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk geoordeeld. Het hof is het daarmee eens. De vader heeft in hoger beroep niets laten zien dat aanleiding geeft om een andere beslissing te nemen. Het hof kan zich vinden in de motivering van de rechtbank en neemt die – na eigen onderzoek – over. Het hof voegt daar het volgende aan toe.
5.3.
De vader bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende betrokken is in het leven van [minderjarige] om het ouderlijk gezag goed te kunnen uitoefenen. De vader vroeg het hof op 31 december 2025 in zijn beroepschrift nog een kans om te laten zien dat hij wel degelijk een betrokken vader is voor [minderjarige] . De vader zei toen dat hij alles op alles zou zetten om die betrokkenheid tijdens het hoger beroep te laten zien. De vader was op dat moment voornemens van elk omgangsmoment gebruik te zullen maken en [minderjarige] niet meer teleur te stellen. De praktijk laat inmiddels anders zien. Ondanks intensieve betrokkenheid en veel sturing van de GI is het de vader niet gelukt om de daad bij het woord te voegen. De vader heeft sinds de bestreden beschikking geen verandering kunnen laten zien in zijn onvoorspelbare gedrag. Het patroon van afspraken afzeggen en moeizame communicatie zet zich tot op de dag van vandaag voort. De afgelopen acht maanden is het de vader slechts tweemaal gelukt om bij het maandelijkse bezoekmoment met [minderjarige] aanwezig te zijn. De andere zes bezoekmomenten konden steeds niet doorgaan vanwege belemmeringen aan de kant van de vader (onbereikbaar voor de GI, afzeggingen door ziekte of gebrek aan financiën/vervoersbewijs). Dat de vader niet naar de zitting van het hof is gekomen, ondanks zijn toezegging daartoe aan zijn advocaat, bevestigt dit patroon alleen maar. De onbetrouwbaarheid van de vader maakt gezamenlijk gezag onwerkbaar.
5.4.
Gebleken is dat bij de moeder sinds de bestreden beschikking juist een stuk meer rust is ontstaan. Zij en de GI zijn niet meer afhankelijk van de grillige bereikbaarheid van de vader. Ook zorgt de weerstand van de vader tegen de hulpverlening niet langer voor vertraging. De dagelijkse zorg voor [minderjarige] is intensief en niet gemakkelijk voor de moeder (en haar partner). [minderjarige] laat soms heftig en ingewikkeld gedrag zien. In 2023 heeft diagnostisch onderzoek plaatsgevonden bij [minderjarige] . Daaruit kwamen een ontwikkelings-trauma, ADHD en een mogelijke hechtingsstoornis naar voren. [minderjarige] krijgt sinds 2024 medicatie voor zijn ADHD en is aan het einde van dat jaar overgestapt naar het speciaal onderwijs. Het contact met de vader en de teleurstellingen die [minderjarige] daarbij moet incasseren zorgen in de thuissituatie bij de moeder tot ontregeling. Dat uit zich bij [minderjarige] vooral in boosheid. Alles bij elkaar heeft [minderjarige] veel begeleiding en hulpverlening nodig. Juist dan moet in de praktijk vlot geschakeld kunnen worden en is het noodzakelijk om snel belangrijke beslissingen te kunnen nemen, want anders is bijvoorbeeld een plekje in het onderwijs of de zorg weer weg. Dat is in strijd met het belang van [minderjarige] . [minderjarige] kan binnenkort starten met traumatherapie bij Accare. Mede door de opstelling van de vader heeft dat lang op zich laten wachten.

* Zorg-/omgangsregeling
5.5.
Voor de duur van de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.6.
Net als de rechtbank acht het hof vaststelling van een begeleide omgangsregeling met de vader van eenmaal per maand in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. Ook wat betreft dit onderwerp kan het hof zich vinden in de motivering van de rechtbank en neemt die – na eigen onderzoek – over. Aangezien het de vader de afgelopen acht maanden slechts twee keer is gelukt om naar een bezoekmoment te komen, acht het hof de door hem gevraagde uitbreiding niet reëel.
5.7.
Op het moment dat de ondertoezichtstelling wordt geëindigd, geldt de huidige omgangsregeling als een regeling op grond van artikel 1:377a lid 2 BW.
<nr>6</nr>De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
<nr>7</nr>De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van

24 november 2025;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C. Coster, M.A.F. Veenstra en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 10 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel 1:265g lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW)

Artikel 1:253n lid 1 onder b. BW

Artikel 1:265g lid 1 BW

Artikel delen