Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHARL:2026:5989

Familierecht. Hoofdverblijf en recht op omgang. Het hof volgt de rechtbank niet in haar beslissing strekkende tot ontzegging van het recht van de moeder op omgang voor de duur van een jaar. Er dient te worden gewerkt aan contactherstel. Noodzaak hulpverlening en traumabehandeling

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 September 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHARL:2026:5989 text/xml public 2026-09-24T12:00:22 2026-09-17 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-09-17 200.364.694/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5989 text/html public 2026-09-23T16:06:18 2026-09-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:5989 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-09-2026 / 200.364.694/01
Familierecht. Hoofdverblijf en recht op omgang. Het hof volgt de rechtbank niet in haar beslissing strekkende tot ontzegging van het recht van de moeder op omgang voor de duur van een jaar. Er dient te worden gewerkt aan contactherstel. Noodzaak hulpverlening en traumabehandeling
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.364.694/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 148385)

beschikking van 17 september 2026

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. S.M. Carabain-Klomp te IJhorst,

en

[verweerder] (de vader),

die woont in [woonplaats2] ,

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. C.C.N. Cats te Emmen.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Noord-Nederland, locatie Groningen.
<nr>1</nr>De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
<nr>2</nr>De procedure in hoger beroep 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 3 februari 2026;

- een brief namens de moeder van 4 maart 2026 met bijlage(n);

- het verweerschrift met bijlage(n);

- een brief namens de moeder van 26 juni 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de moeder van 4 augustus 2026 met bijlage(n).
2.2.
De hierna te noemen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben op 17 augustus 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij hebben verteld wat zij vinden van het verzoek in hoger beroep. De voorzitter heeft op de mondelinge behandeling een korte samenvatting van die gesprekken gegeven.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- een vertegenwoordiger van de raad.
<nr>3</nr>De feiten 3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie en de samenwoning zijn in april 2024 verbroken.
3.2.
Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2013 in [plaats1] , en

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2015 in [plaats1] .
3.3.
Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
3.4.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] verblijven bij de vader. De moeder heeft de kinderen sinds juni 2024 niet meer gezien.
3.5.
Bij beschikking van 22 augustus 2024 heeft de rechtbank in de voorlopige voorzieningenprocedure bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voor de duur van het geding aan de vader worden toevertrouwd en een voorlopige zorg- en contactregeling vastgesteld tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , inhoudende dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een keer per week voor de duur van twee uur begeleid contact met de moeder hebben, waarbij onder regie van [de jeugdzorginstelling1] (een onafhankelijke stichting die de gemeente [gemeentenaam] adviseert, onder meer op het gebied van de Jeugdwet) dat wordt bepaald of, en zo ja hoe, deze regeling wordt uitgebreid.
3.6.
[de jeugdzorginstelling1] heeft professionele ambulante begeleiding vanuit de [zorgdienst] te [plaats2] ingezet. Ondanks deze inzet is er geen contact tussen moeder en de kinderen tot stand gekomen. De kinderen vertonen weerstand tegen contact met de moeder.
3.7.
Bij beschikking van 8 november 2024 heeft de rechtbank de bij beschikking van 22 augustus 2024 vastgestelde voorlopige zorg- en contactregeling geschorst en de raad gevraagd om een onderzoek in te stellen naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel en naar welke hoofdverblijfplaats en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het meest in het belang van de kinderen is. Iedere verdere beslissing is opnieuw aangehouden.
3.8.
De raad heeft gerapporteerd op 18 juni 2025.
<nr>4</nr>De omvang van het geschil 4.1.
In de bestreden beschikking van 4 november 2025 heeft de rechtbank in overeenstemming met het advies van de raad het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader bepaald en de moeder het recht op omgang met de kinderen ontzegd met ingang van 21 oktober 2025 voor één jaar. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte, waaronder het verzoek van de moeder om een contra-expertise, is afgewezen.
4.2.
De moeder komt in hoger beroep van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking, voor zover deze het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader en de ontzegging van het recht van de moeder op contact met haar kinderen met ingang van 21 oktober 2025 voor de duur van één jaar betreft, te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen wat het hof juist acht.

Ter zitting van de hof heeft de moeder haar verzoek ex artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingetrokken en haar verzoek voor het overige nader toegelicht. De moeder wil graag dat er met inzet van de juiste hulpverlening contactherstel wordt bereikt en zij heeft als uiteindelijke doel een vorm van co-ouderschap.
4.3.
De vader voert verweer en hij verzoekt de moeder in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het door haar verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.
<nr>5</nr>De motivering van de beslissing 5.1.
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
5.2.
De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Het hoofdverblijf
5.3.
Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de rechtbank om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader te bepalen en maakt de daartoe strekkende overwegingen van de rechtbank tot de zijne. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

Niet in geschil is dat de kinderen op dit moment al geruime tijd bij de vader verblijven en dat ze zich daar goed voelen. De vader heeft opvoedondersteuning gehad. Dat traject is positief afgesloten. Er zijn geen zorgen over de opvoedingssituatie bij de vader thuis. Onder deze omstandigheden was en is er voldoende grond om het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader te bepalen. Dat de moeder graag contact met de kinderen wil en de wens heeft de kinderen samen met de vader in een vorm van co-ouderschap op te voeden, maakt dit niet anders omdat er op dit moment sprake is van een situatie waarin de kinderen hun moeder ruim twee jaar niet hebben gezien en grote weerstand vertonen tegen contact met haar. Om die reden ligt het niet voor de hand om te verwachten dat er op korte termijn sprake zal zijn van een situatie waarin het passender is om de hoofdverblijfplaats van (een van de) kinderen bij de moeder te bepalen. Het is naar het oordeel van het hof belangrijk dat de kinderen duidelijkheid hebben over hun hoofdverblijfplaats.

De zorgregeling/ontzegging van het recht op omgang
5.4.
Het hof volgt de rechtbank niet in haar beslissing strekkende tot ontzegging van het recht van de moeder op omgang met de kinderen voor de duur van een jaar. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
5.5.
De contactbreuk tussen de moeder en de kinderen is tijdens de zitting met alle betrokkenen uitgebreid besproken. De vader zou wel willen dat er contact is tussen de moeder en de kinderen, maar hij heeft verklaard dat hij niet weet hoe hij dit voor elkaar moet krijgen als de kinderen echt niet willen. Volgens de vader is de weerstand tegen contact met de moeder nog onverminderd groot en staat aan het contactherstel in de weg dat de moeder de kinderen geen erkenning geeft voor wat zij hen heeft aangedaan.
5.6.
Het hof ziet dat de vader te maken heeft met een ingewikkelde situatie, omdat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] weigeren de moeder te zien. Aan de andere kant constateert het hof dat er geen hulpverlening betrokken is bij de kinderen, terwijl de raad al in zijn rapport van 18 juni 2025 een traumabehandeling voor de kinderen heeft geadviseerd.

Uit het raadsrapport blijkt dat de kinderen angst ervaren voor de moeder. Zodra (de mogelijkheid tot) contact met de moeder aan de orde is laten zij traumagerelateerd gedrag en fysieke- en emotionele weerstand zien. Gelet hierop baart het zorgen dat er tot op heden geen hulpverlening is ingeschakeld voor de kinderen. De raad heeft ter zitting nogmaals benadrukt dat traumabehandeling van de kinderen essentieel is. Daarbij heeft de raad toegelicht dat een dergelijke behandeling niet gericht is op contactherstel, maar wel van belang is voor de kans op contactherstel. De vader heeft hierop ter zitting toegezegd ervoor te zullen zorgen dat de kinderen worden aangemeld bij de huisarts voor (een doorverwijzing voor) traumabehandeling.
5.7.
Namens de moeder is aangevoerd dat zij vanuit [de jeugdzorginstelling1] is doorverwezen naar [de jeugdzorginstelling2] Systeemtherapie en dat inmiddels een intakegesprek met haar heeft plaatsgevonden. Het hof leidt uit de stukken af dat de hulp van [de jeugdzorginstelling2] in eerste instantie gericht is op gesprekken met de moeder en dat [de jeugdzorginstelling2] vervolgens gaat kijken of vanaf eind van het jaar toegewerkt kan worden naar contactherstel. Tijdens de zitting heeft de vader verklaard dat [de jeugdzorginstelling2] ook contact met hem heeft opgenomen maar dat er nog geen intake met hem heeft plaatsgevonden. De vader heeft zich ter zitting bereid verklaard aan dit hulpverleningstraject mee te werken.
5.8.
Het hof vindt het belangrijk voor de ouders en hun kinderen dat zowel het traumabehandelingstraject als het traject van [de jeugdzorginstelling2] wordt doorlopen. Van belang is ook dat beide trajecten voortvarend worden gestart. Het hof is daarbij van oordeel dat een sterke regie vanuit het gebiedsteam op zijn plaats is. Daarbij overweegt het hof dat weliswaar gebleken is dat de kinderen weerstand tonen tegen contact met hun moeder en dat dit een omstandigheid is waarmee rekening gehouden moet worden, maar dat het gelet op de leeftijd van de kinderen en de wens van beide ouders om deze situatie te doorbreken, belangrijk is dat met inzet van passende hulpverlening wordt onderzocht op welke manier de weerstand van de kinderen tegen contact met hun moeder kan worden verminderd en hoe het contact tussen de moeder en de kinderen vormgegeven kan worden op een manier die tegemoetkomt aan de behoeften van de kinderen en de ontwikkelingsfase die zij doormaken. De eerder ingezette hulp van de [zorgdienst] is daartoe – mogelijk mede omdat geen sprake was van traumabehandeling - onvoldoende toereikend gebleken.
5.9.
Uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken en door de ouders is verklaard, is duidelijk is geworden dat de insteek van de beide ouders is om te werken aan contactherstel tussen de moeder en de kinderen en dat de ouders bereid zijn om zich in te zetten voor traumabehandeling voor de kinderen en het hulpverleningstraject van [de jeugdzorginstelling2] . Het hof is daarom van oordeel dat een ontzegging van het recht van de moeder op omgang niet langer aangewezen en passend is. Er wordt niet meer voldaan aan de wettelijke vereisten voor ontzegging van het recht op omgang. Het hof zal de ontzegging enkel bekrachtigen voor de periode tot op heden en derhalve vernietigen vanaf heden.
<nr>6</nr>Slotsom
De bestreden beschikking wordt wat betreft de beslissing over het hoofdverblijf van de kinderen bekrachtigd. De bestreden beschikking wordt wat betreft de beslissing over de ontzegging van het recht van de moeder op omgang met de kinderen voor de duur van een jaar enkel bekrachtigd tot op heden.
<nr>7</nr>De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 november 2025, voor zover betrekking hebbende op het hoofdverblijf van de kinderen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 november 2025, voor zover betrekking hebbende op de ontzegging van het recht op omgang van de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tot op heden;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 4 november 2025, voor zover betrekking hebbende op de ontzegging van het recht op omgang van de moeder met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vanaf heden;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.H.P. Selcraig, mr. L. van Dijk en mr. F. van der Meulen, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 17 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Artikel delen