Aanhouding zaak over het gezag en de zorgregeling in afwachting van het verloop van het SCHIP-traject.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 September 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5991
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2026
Datum publicatie
24-09-2026
Zaaknummer
200.365.818/01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHARL:2026:5991text/xmlpublic2026-09-24T12:00:232026-09-17Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Arnhem-Leeuwarden2026-09-17200.365.818/01UitspraakHoger beroepNLLeeuwardenCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:5991text/htmlpublic2026-09-23T16:08:412026-09-24Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHARL:2026:5991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-09-2026 / 200.365.818/01 Aanhouding zaak over het gezag en de zorgregeling in afwachting van het verloop van het SCHIP-traject.
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 580462) beschikking van 17 september 2026 in de zaak van
[verzoekster]
(de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. P. de Haan te Almere, en
[verweerder]
(de vader),
die woont op een geheim adres,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. S.M. van de Weijer te Amsterdam. In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Midden Nederland, locatie Utrecht. 1De procedure in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 15 oktober 2024 en 4 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2De procedure in hoger beroep2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 maart 2026;
- een brief namens de moeder van 19 maart 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een brief van de raad van 27 juli 2026 waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
- een brief van de raad van 11 augustus 2026 waarin de raad zich aanmeldt voor de zitting;
- een journaalbericht namens de moeder van 13 augustus 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 17 augustus 2026 met bijlage(n). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 25 augustus 2026 plaatsgevonden. De ouders zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is een vertegenwoordiger verschenen via een beeldbelverbinding. Mr. Van de Weijer heeft een pleitnota overgelegd. 3De feiten3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in]
2021. 3.2 De vader heeft de rechtbank bij verzoekschrift, binnengekomen op 20 augustus 2024, verzocht - kort gezegd - een zorgregeling vast te stellen, hem mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten en een provisionele voorziening te bepalen. 3.3 De moeder heeft verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek verzocht - kort gezegd - dat de vader een bedrag van € 250,00 per maand aan de moeder moet betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna: kinderalimentatie), bij vooruitbetaling te voldoen en met ingang van 11 september 2024, dan wel een datum in goede justitie te bepalen. 3.4 Bij (tussen)beschikking van 15 oktober 2024 heeft de rechtbank de beslissing over de definitieve zorg- of omgangsregeling, het gezag en de kinderalimentatie aangehouden voor de duur van drie maanden, in afwachting van de uitkomst van mediation. Daarnaast is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, zoals de ouders op de mondelinge behandeling onderling zijn overeengekomen. 4De omvang van het geschil4.1 Tussen de ouders is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] , het gezag, de hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie. 4.2 Bij de bestreden beschikking van 4 december 2025 is:
- de vader belast met de moeder met het gezag over [de minderjarige] ;
- de volgende zorgregeling vastgesteld:
[de minderjarige] verblijft gedurende één maand de ene week van vrijdag tot zondag en de andere week dinsdag en zondag bij de vader,
na één maand verblijft [de minderjarige] elke week van maandag na school tot woensdag naar school én om de week van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader;
- de volgende vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld: *gedurende de vakanties van een week blijft de reguliere regeling doorlopen;
*gedurende de vakanties van twee weken of langer zullen deze bij helfte worden verdeeld door de ouders. In beginsel zullen de ouders aan het begin van ieder jaar een verdeling van deze vakanties vastleggen. Indien dit overleg niet plaatsvindt en/of niet tot resultaat leidt, zal [de minderjarige] de eerste helft van de vakantie bij de vader verblijven en de tweede helft bij de moeder;
*gedurende de verjaardagen van [de minderjarige] verblijft hij waar hij volgens de reguliere regeling
verblijft. De ouders zullen contact tussen [de minderjarige] en de andere ouder toestaan;
*gedurende de feestdagen, met uitzondering van de kerstdagen en oud en nieuw, blijft de zorgregeling doorlopen.
Voor kerst geldt dat [de minderjarige] in 2025 kerstavond en Eerste Kerstdag bij de moeder en Tweede Kerstdag en oud en nieuw bij de vader zal verblijven. Ieder jaar wordt deze afspraak omgewisseld;
* [de minderjarige] verblijft op Vaderdag bij de vader en op Moederdag bij de moeder;
* [de minderjarige] mag, binnen het redelijke, contact hebben met de ouder waar hij niet verblijft wanneer hij dat wenst;
- bepaald dat de vader vanaf 1 oktober 2024 een bedrag van € 432,00 per maand en vanaf
1 januari 2025 een bedrag van € 460,00 per maand moet betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en dat deze bijdrage vanaf 1 maart 2025 op nihil wordt gesteld;
- bepaald dat de reeds door de vader aan de moeder betaalde bedragen voor [de minderjarige] vanaf 1 oktober 2024 in mindering komen op het te betalen bedrag aan kinderalimentatie.
De overige verzoeken zijn afgewezen. 4.3 De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen in die zin dat het verzoek van de vader ten aanzien van de vaststelling van het gezamenlijk gezag wordt
afgewezen en opnieuw rechtdoende:
- voor wat betreft de zorgregeling een regeling vast te stellen zoals zij in eerste aanleg heeft voorgesteld:
“te weten dat [de minderjarige] een keer per 14 dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij zijn vader kan verblijven, alsmede in het tussenliggende weekend op de zondag, mits dit geen werkdag is voor de vader”;
- alsmede te bepalen dat de vader een bedrag aan kinderalimentatie zal betalen van € 250,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, met ingang van
28 augustus 2021, dan wel 11 september 2024, dan wel een zodanig bedrag en datum als het hof juist acht. 4.4 De vader voert verweer en verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren en haar verzoeken af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt de vader het hof te bepalen dat:
- [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats voortaan bij de vader zal hebben;
- een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de moeder vast te stellen zoals omschreven in de bestreden beschikking;
- de moeder bij vooruitbetaling voor de eerste van iedere maand met ingang van de datum van de beschikking van het hof aan de vader dient te voldoen een bedrag aan kinderalimentatie van € 410,65, voor het eerst te indexeren per 1 januari 2027. 4.5 De moeder voert verweer in incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de grieven van de vader te verwerpen, althans zijn aanvullende verzoeken af te wijzen. 5De motivering van de beslissing Hulpverleningstraject 5.1 Het hof maakt zich zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] . De verstandhouding tussen de ouders raakt steeds verder verstoord en er is sprake van veel onrust en onenigheid. [de minderjarige] krijgt dit mee en heeft daar last van. De raad doet om die reden op dit moment onderzoek naar een beschermingsmaatregel voor [de minderjarige] .
Het is de verantwoordelijkheid van ouders om de nog zeer jonge [de minderjarige] buiten de strijd te houden, zodat hij een onbelast contact kan hebben met beide ouders, zich vrij kan ontwikkelen en niet (verder) verwikkeld raakt in een loyaliteitsconflict. Het hof vindt het dan ook positief dat de ouders zich ter zitting bereid hebben verklaard om het SCHIP-traject nog een kans te willen geven, zoals door de raad ter zitting is geadviseerd. Tijdens dit traject dient er aandacht te zijn voor het afhechten van het gezamenlijk verleden van de ouders en hun belemmeringen, hun rol als partners in het ouderschap en wat zij zelf kunnen doen om de situatie en communicatie te verbeteren in het belang van [de minderjarige] . De ouders dienen zich daarbij vooral te richten op hun eigen opvoedsituatie in plaats van op wat de ander in hun ogen al dan niet fout doet. 5.2 Het hof zal de beslissingen ten aanzien van de zorgregeling, het gezag en de hoofdverblijfplaats aanhouden voor een periode van zes maanden in afwachting van het verloop van het SCHIP-traject. Het hof verzoekt (de advocaten van) de ouders om uiterlijk 22 maart 2027 verslag uit te brengen over de stand van zaken en gewenste voortgang/afdoeningswijze van de procedure, met een afschrift aan de raad. De ouders en de raad krijgen vervolgens twee weken de tijd om te reageren op de ingebrachte stukken. Bij een niet positief verlopen traject zal het hof de raad verzoeken het lopende (beschermings)onderzoek uit te breiden naar welke zorgregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is, welke gezagssituatie en waar zijn hoofdverblijfplaats zou moeten zijn, en het hof daarover te informeren. In dat geval geldt deze beschikking reeds als een opdracht aan de raad en zal de zaak langer worden aangehouden. 5.3 Het hof gaat ervan uit dat de ouders met het oog op de belangen van [de minderjarige] zich volledig zullen inzetten voor een succesvol verloop van het SCHIP-traject. Kinderalimentatie 5.4 Het hof is van oordeel dat partijen onvoldoende gegevens hebben overgelegd om een juiste berekening te kunnen maken van hun draagkracht. Het hof verzoekt partijen daarom om uiterlijk 22 maart 2027 (gelijktijdig met het bericht als bedoeld in 5.2) aanvullende en actuele financiële stukken in het geding te brengen. Het gaat om stukken die worden genoemd in artikel 2.1.2 van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Voor een zelfstandig ondernemer zoals de vader betreft dit onder meer: jaarrekeningen, tussentijdse financiële overzichten, (complete) belastingaangiften en aanslagen en prognoses. Daarnaast verzoekt het hof de vader in het kader van zijn verdiencapaciteit een onderbouwing van zijn inkomensachteruitgang te geven.
Het staat partijen uiteraard vrij om in de tussenliggende periode van aanhouding met behulp van hun advocaten zelf afspraken over de kinderalimentatie te maken. Voorlopige zorgregeling 5.5 De rechtbank heeft een duidelijke zorgregeling vastgesteld. Tijdens de zitting is het hof echter gebleken dat de woensdag problemen geeft, omdat [de minderjarige] die dag niet naar school gaat. Hof zal daarom voor de duur van deze procedure, zoals ter zitting met de ouders is besproken, in de plaats van de reguliere zorgregeling de volgende voorlopige reguliere zorgregeling vaststellen: [de minderjarige] gaat elke week van maandag uit school tot dinsdag naar school en om de week van donderdag uit school tot maandag naar school naar de vader. De overdrachten blijven via school lopen en voor het overige blijft de regeling ook ongewijzigd.
De door de rechtbank vastgestelde vakantie-en feestdagenregeling blijft dus van kracht (waarbij daar waar regulier regeling staat de door het hof voorlopige reguliere regeling geldt), tenzij ouders samen andere afspraken hierover maken. Het hof wijst de ouders er op zich strak aan deze regeling te houden. Dat betekent dat de moeder geen nadere voorwaarden stelt en/of eenzijdig beslist om de regeling aan te passen. De vader is verantwoordelijk voor het tijdig brengen en halen van [de minderjarige] van en naar school/bso en is daarin vrij om zijn netwerk in te schakelen, net zoals de moeder dat is. Het is dan ook niet de bedoeling dat de moeder op de zorgdagen van de vader op school of elders verschijnt, vanwege haar zorgen/wantrouwen richting de vader. Dit zet de verhouding tussen de ouders nog meer op scherp en schept bovendien verwarring en onrust voor [de minderjarige] . Het ouderschap is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Wanneer er iets is, dienen de ouders met elkaar in gesprek te gaan. Tijdens het verblijf van [de minderjarige] bij de vader zullen er (vooralsnog) geen belmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder zijn, tenzij de ouders hier gezamenlijk andere afspraken over maken (bijvoorbeeld) tijdens het SCHIP-traject. 6De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: stelt met ingang van heden voor de duur van deze procedure een voorlopige reguliere zorgregeling vast waarbij [de minderjarige] elke week van maandag uit school tot dinsdag naar school en om de week van donderdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; draagt de ouders op om zich binnen één week na heden aan te melden voor het
SCHIP-traject (ro. 5.1 en 5.2); draagt de ouders op om uiterlijk op 22 maart 2027, het hof te informeren over de voortgang van het SCHIP-traject en daarbij de aanwezige schriftelijke verslagen van de betreffende hulpverleningsinstantie in te dienen, alsook over de gewenste voortgang/afdoeningswijze van de procedure, met een afschrift hiervan aan de raad; stelt de ouders en de raad in de gelegenheid om binnen twee weken na ontvangst van de hiervoor genoemde stukken, daarop te reageren; verzoekt de raad om in geval van een niet positief verlopen traject het (beschermings)onderzoek uit te breiden naar welke zorgregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is, welke gezagsituatie waar zijn hoofdverblijfplaats zou moeten zijn, en het hof daarover te informeren; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. L. Pieters en mr. M. Bootsma, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 17 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.