Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:1813

Art. 17 Wet WOZ. Gecorrigeerde vervangingswaarde crèche. Restwaarde. Taxatiewijzer. Belanghebbende verwerpt de uitgangspunten van de taxatiewijzer wat betreft de restwaarde. De Heffingsambtenaar slaagt er niet in de restwaarde uit de taxatiewijzer te onderbouwen. Belanghebbende onderbouwt de door haar bepleite restwaarde evenmin voldoende. Waardebepaling in goede justitie.

Gerechtshof Den Haag 22 June 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:1813 text/xml public 2026-06-22T12:56:25 2026-05-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-05-28 BK-24/1046 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2024:18564, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1813 text/html public 2026-06-22T12:52:40 2026-06-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:1813 Gerechtshof Den Haag , 28-05-2026 / BK-24/1046
Art. 17 Wet WOZ. Gecorrigeerde vervangingswaarde crèche. Restwaarde. Taxatiewijzer. Belanghebbende verwerpt de uitgangspunten van de taxatiewijzer wat betreft de restwaarde. De Heffingsambtenaar slaagt er niet in de restwaarde uit de taxatiewijzer te onderbouwen. Belanghebbende onderbouwt de door haar bepleite restwaarde evenmin voldoende. Waardebepaling in goede justitie.

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-24/1046

Uitspraak van 28 mei 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Delfland, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 november 2024, nummer SGR 23/8567.

Procesverloop

1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats 1] (de Crèche), voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 743.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag in de van gebruikers geheven onroerendezaakbelasting van de gemeente Midden-Delfland (de aanslag).

1.2. Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 559. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 28 oktober 2025 een nader stuk ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6. Van de zijde van belanghebbende is, overeenkomstig een ter zitting gemaakte afspraak, op 29 december 2025 een recente machtiging en een uittreksel van de Kamer van Koophandel ingekomen.

Feiten

2.1. Op 1 januari 2022 was belanghebbende gebruiker van de Crèche. De Crèche bestaat uit een opstal en een perceel grond van 842 m2.

2.2.1. De Heffingsambtenaar heeft een taxatieverslag (het taxatieverslag) overgelegd waarin de Crèche op de waardepeildatum op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde is getaxeerd op € 743.924. De gecorrigeerde vervangingswaarde is bepaald aan de hand van Taxatiewijzer Onderwijs waardepeildatum 1 januari 2022 (de Taxatiewijzer). Daarbij heeft de Heffingsambtenaar gebruik gemaakt van het archetype O116PL12 (Crèche plat dak, metselwerk, gemiddelde afwerking 2001 t/m 2014). In het taxatieverslag heeft de Heffingsambtenaar voor de bepaling van correcties wegens technische en functionele veroudering de gemiddelde restwaardepercentages voor ruwbouw, afbouw en installaties uit de Taxatiewijzer gehanteerd, te weten 27%, 22% en 17%. De Heffingsambtenaar heeft toegelicht dat dit voor de Crèche leidt tot een gewogen gemiddeld restpercentage van 23,55% van de bruto vervangingswaarde.

2.2.2. Ter onderbouwing dat de restwaarden ontleend aan de Taxatiewijzer niet te hoog zijn heeft de Heffingsambtenaar de volgende gegevens van een aantal verkooptransacties van, naar zijn mening, vergelijkbare objecten overgelegd:

Adres

Restwaarde taxatiewijzer

Restwaarde transactie

Bouwjaar

Leeftijd bij verkoop

Bijzonderheden

[adres 2] [woonplaats 2]

27,8%

45,46%

1983

35 jaar

N.v.t.

[adres 3] [woonplaats 3]

24%

32,09%

1967

50 jaar

N.v.t.

[adres 4] [woonplaats 4]

23,86%

41,01%

1960

58 jaar

Levensduur verstreken

[adres 5]

[woonplaats 5]

23,96%

46,20%

1954

61 jaar

Levensduur verstreken

Referenties

Levensduur ttv transactie

Staat

%restwaarde

[adres 6] [woonplaats 6]

57 jaar

Niet gerenoveerd

27,84%

[adres 7] [woonplaats 7]

24 jaar

Niet gerenoveerd

32,42%

[adres 8] [woonplaats 8]

45 jaar

Enigszins gerenoveerd

30,39%

[adres 9] [woonplaats 9]

51 jaar (min)

Enigszins gerenoveerd

25,99%

[adres 10] , [woonplaats 10]

49 jaar

Niet gerenoveerd

35,57%

2.3.1. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door haar verdedigde waarde een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport) overgelegd waarin de waarde van de Crèche op de waardepeildatum is getaxeerd op € 626.000. Bij het taxatierapport is een taxatiekaart gevoegd ter onderbouwing van de getaxeerde waarde. In de taxatiekaart is uitgegaan van een restwaarde van 10% van de bruto vervangingswaarde.

2.3.2. In het taxatierapport is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

G. Specifieke uitgangspunten

(…)

3. Bruto vervangingswaarde

:

In dit rapport wordt de bruto vervangingswaarde gecontroleerd aan de hand van de stichtingskosten van soortgelijke objecten. Daar waar mogelijk wordt aansluiting gezocht bij de kengetallen van de set taxatiewijzers van de Vereniging Nederlandse Gemeenten. [naam taxateur] doet daarnaast een eigen analyse van de kengetallen, voert een controle uit van de gereproduceerde taxatiewijzers alsmede de daarin opgenomen onderbouwende stichtingskosten. Indien de kengetallen van de taxatiewijzers onwaarschijnlijk zijn wordt gemotiveerd afgeweken van deze kengetallen.

(…)

5. Restwaarde

:

De restwaarde van een pand representeert de waarde die het pand heeft aan het eind van de geschatte levensduur daarvan en wel zodanig dat het pand alsdan nog juist bruikbaar is voor het doel waarvoor het is gesticht. Tijdens recente juridische procedures is gebleken dat de rechter van mening is dat de kengetallen in de

Taxatiewijzers onvoldoende zijn onderbouwd, aangezien de Taxatiewijzers alleen onderzoek doen naar de bruto vervangingswaarde van de diverse objectsoorten.

(…)

10. Taxatiewijzers VNG

:

De Taxatiewijzers hebben geen formele rechtskracht. Deze zijn opgesteld door vertegenwoordigers van de VNG, de Waarderingskamer, een aantal gemeenten, een samenwerkingsverband van gemeenten en waterschappen en een aantal taxatiebedrijven. De taxatiewijzers strekken ter ondersteuning van de uitvoering van de Wet WOZ door overheidsinstanties en in het bijzonder gemeenten. De opstellers van de taxatiewijzers hebben tot op heden slechts onderzoek gedaan naar de bruto vervangingswaarde van de diverse objectsoorten en niet naar de levensduur en/of restwaarde van de objectsoorten. De kengetallen in de Taxatiewijzers worden niet integraal als uitgangspunt gehanteerd.

(…)

L. Toelichting op het advies

De bruto vervangingswaarde is bepaald aan de hand van de volgende archetype: O116PL12 .

De technische correctie bepaald aan de hand van een inschatting van de restwaarde en de levensduur, waarbij rekening is gehouden met de recente jurisprudentie.

Het percentage restwaarde betreft de waarde van het (deel)object aan het eind van de initieel geschatte levensduur met inachtneming van de huidige bestemming. Ondergetekenden kiezen voor een restwaarde op (deel)objectniveau ter hoogte van 10%.

Wat de levensduur betreft is in beginsel aansluiting gezocht bij de kengetallen zoals deze in de taxatiewijzer vermeld zijn. Ondergetekenden hebben nadrukkelijk gekeken of zich recent een renovatie of aanzienlijke verbouwing heeft voorgedaan. Alleen in die gevallen zou immers een levensduurverlenging toegepast dienen te worden (ECLI:NL:HR:2020:169). Geconstateerd is dat daar hier geen sprake van is. De levensduur is om die reden niet verlengd.

Wat de functionele correctie als gevolg van de veranderde bouwwijze betreft is aansluiting gezocht bij de kengetallen van de taxatiewijzer.

Wat de grondwaardering betreft is aansluiting gezocht bij de gemeentelijke waardebepaling.

(…)”

2.3.3. Ter onderbouwing van de door belanghebbende gehanteerde restwaarde van 10% van de bruto vervangingswaarde heeft belanghebbende een rapport “Restwaarde algemeen” overgelegd (het restwaarderapport). Het restwaarderapport bevat een bijlage waarin aan de hand van gerealiseerde verkooptransacties de restwaarde wordt berekend van twaalf, naar de mening van belanghebbende, met de Crèche vergelijkbare objecten (de referentietransacties). Aan het restwaarderapport ontleent het Hof het volgende:

“(…)

2 Taxatiewijzers VNG

De VNG produceert al vele jaren de taxatiewijzers. Ondergetekende heeft in het verleden ook deel uitgemaakt van deze werkgroep. De werkgroep doet onderzoek naar de nieuwbouwkosten van diverse categorieën bijzondere objecten. Zij doet dit door gegevens van nieuwbouwprojecten bij gemeenten te verzamelen.

Nadrukkelijk doet zij geen onderzoek naar restwaarden. Dit blijkt ook uit de opzet van de taxatiewijzers. Daar waar de onderbouwende nieuwbouwkosten in overvloed zijn opgenomen in de taxatiewijzers (onder bijlage 4) ontbreekt elke vorm van onderbouwing van de restwaarden.

Deze restwaarden zijn door de commerciële derde partijen bepaald die de taxatiewijzers opstellen. Aangezien meerdere partijen betrokken zijn bij de vervaardiging van deze wijzers, heeft dat geleid tot een wirwar aan restwaarden. De restwaarden van bijvoorbeeld crematoria liggen aanzienlijk lager dan de restwaarden van andere incourante objecten.

Recent is de VNG waarschijnlijk begonnen om marktgegevens van verkochte incourante objecten te verzamelen in een poging om hieruit een restwaarde te kunnen analyseren. Een methodiek die in beginsel gelijk is aan de methodiek die in dit onderzoeksrapport wordt gehanteerd. De uitgangspunten van de gehanteerde methodiek verschillen echter.
<nr>3</nr>Methodiek onderzoek
(…)

Restwaarde en dagwaarde

De restwaarde is de waarde die het object heeft aan het eind van de levensduur. Als de levensduur nog niet is verstreken ten tijde van verkoop, wordt het object niet verkocht tegen de restwaarde van het object maar tegen de dagwaarde. Vanuit de dagwaarde kan wel een restwaarde berekend worden, mits er overeenstemming is over de manier van afschrijven (rechtlijnig) en over de levensduur.

(…)

BTW

In zijn algemeenheid geldt dat dient te worden uitgegaan van de regeling als beschreven in artikel 11 Wet omzetbelasting 1968. Indien de handelingen die in, bij of met de betrokken onroerende zaak verricht worden vrijgesteld zijn dan dient te worden uitgegaan van grondwaarden inclusief BTW en van bruto vervangingswaarden inclusief BTW. De waardering van de WOZ-waarde én van de restwaarde dient in die gevallen plaats immers te vinden inclusief BTW.

Het argument dat de restwaarde exclusief BTW dient te worden bepaald met als enige reden dat de transactieprijs ook exclusief BTW is, is niet juist. De transactieprijs is immers niet exclusief BTW, de BTW speelt bij vastgoedtransacties geen enkele rol. Dat is iets heel anders dan dat het een verkoop exclusief BTW zou betreffen.

Indien het percentage restwaarde wordt bepaald door de grondwaarde exclusief BTW van de transactieprijs af te halen en het restant te delen op de bruto vervangingswaarde exclusief BTW, dan leidt dit tot een hogere restwaarde dan bedoeld. Deze hogere restwaarde wordt vervolgens gebruikt bij de waardering van de onderhavige objecten maar dan als percentage van de bruto vervangingswaarde inclusief BTW. Mijn client wordt hiermee benadeeld.

Bovenstaand is uitgewerkt in een rekenvoorbeeld dat als bijlage bij dit rapport is gevoegd. De conclusie is dat de voorgestelde rekenmethodiek in de fase van de marktanalyse leidt tot onjuiste waarden in de fase van de herwaardering.

(…)
<nr>4</nr>Bewijslast en restwaarde
De restwaarde maakt een essentieel onderdeel uit van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Aangezien het in eerste instantie aan verweerder is om de waarde aannemelijk te maken, dient zij ook de door haar gehanteerde kengetallen van de restwaarde aannemelijk te maken.

Taxatiewijzer

Indien een gemeente zich beroept op de kengetallen zoals deze in de taxatiewijzer zijn opgenomen, is van belang te beseffen dat [naam taxateur] werkt aan de hand van eigen taxatiewijzers. Op meerdere vlakken wijken de kengetallen van deze taxatiewijzers niet af van de kengetallen van de taxatiewijzers van de VNG. Ook kan het in juridische procedures voorkomen dat de door de gemeente gehanteerde kengetallen in ieder geval niet als te hoog of te laag worden beoordeeld en om die reden niet ter discussie worden gesteld. Weliswaar leggen wij ons deels neer bij de op de richtsnoeren van de Taxatiewijzer gebaseerde taxatie van de gemeente, maar dat betekent niet dat daarmee die richtsnoeren als uitgangspunt worden aanvaard. De onderlinge verschillen van de niet betwiste elementen in de taxatie zijn zodanig gering in omvang dat die op zichzelf niet een rechtelijke procedure rechtvaardigen.

(…)”
2.3.4.
De in de “Bijlage dagverblijven” bij het restwaarderapport opgenomen referentietransacties hebben restwaardes variërend van 0% tot 13,1% van de bruto vervangingswaarde van de objecten en een gemiddelde restwaarde van 6,4%. De bijlage bij het restwaarderapport bevat voor elk van de twaalf referentietransacties een rekenblad en een taxatiekaart ter onderbouwing van de restwaarde. De gegevens uit deze bijlage zijn (schematisch) als volgt weer te geven (waarbij R-A-I staat voor Ruwbouw, Afbouw, Installaties):

[adres 11] [woonplaats 11]

[adres 12] [woonplaats 12]

[adres 13] [woonplaats 13]

[adres 14] [woonplaats 14]

[adres 4] [woonplaats 4]

Verkoopdatum

03-10-2019

31-12-2019

01-10-2020

03-10-2017

04-05-2018

Verkoopprijs

994.000

540.000

465.000

294.000

580.000

Bouwjaar

2006

2006

1968/2000

1968

1960

Opp grond

1.100

1.383

2.339

1.401

2.680

Opp opstal

762

1.030

690

571

640

Archetype [naam taxateur]

O186PH12

O186PH12

O184PH12 en O185PH12

O184PH12

O183PH12

Verv.waarde per m2 incl. btw R-A-I

905-561-344

869-538-330

730-438-292 en 779-468-312

734-440-294

680-402-305

Verv.waarde

1.379.220

1.789.110

1.314.204

838.765

887.680

Grondwaarde per m2 incl. btw

180

121

121

121

175

Grondwaarde

198.000

167.343

283.019

169.521

470.206

Waarde bijgebouwen

12.500

3.100

15.000

Berekende dagwaarde opstal

798.203

895.689

179.387

109.878

110.073

Restwaarde-percentage

9,6%

0,0%

1,6%

13,1%

12,4%

[adres 15] [woonplaats 15]

[adres 16]

[woonplaats 16]

[adres 17] [woonplaats 17]

[adres 18] [woonplaats 18]

[adres 19] [woonplaats 19]

Verkoopdatum

01-11-2019

22-10-2017

16-12-2016

08-01-2019

24-02-2017

Verkoopprijs

385.000

230.000

800.000

410.000

265.000

Bouwjaar

1986

1968

1950

1958

1970

Opp grond

1.660

1.795

3.533

1.892

1.026

Opp opstal

725

500

1.247

815

260

Archetype [naam taxateur]

O185PH12

O184PH12

O183PH12

O183PH12

O184PH12

Verv.waarde per m2 incl. btw R-A-I

788-473-315

753-451-301

617-358-259

659-390-296

783-469-313

Verv.waarde

1.142.600

752.500

1.538.798

1.096.175

406.900

Grondwaarde per m2 incl. btw

125

121

214

151

210

Grondwaarde

207.500

217.195

756.062

286.165

215.460

Waarde bijgebouwen

Berekende dagwaarde opstal

177.675

13.545

44.282

123.852

49.622

Restwaarde-percentage

2,0%

1,8%

2,9%

11,3%

12,2%

[adres 20] [woonplaats 20]

[adres 21] [woonplaats 21]

Verkoopdatum

14-02-2017

22-09-2017

Verkoopprijs

537.500

225.000

Bouwjaar

1934

1961

Opp grond

2.795

994

Opp opstal

727

268

Archetype [naam taxateur]

O182PH12

O183PH12

Verv.waarde per m2 incl. btw R-A-I

845-371-266

716-423-321

Verv.waarde

1.077.414

391.280

Grondwaarde per m2 incl. btw

180

200

Grondwaarde

503.100

198.800

Waarde bijgebouwen

Berekende dagwaarde opstal

34.444

26.207

Restwaarde-percentage

3,2%

6,7%

Bij elk object zijn onder de gegevens eventuele bijzonderheden (zoals verkoop in verhuurde staat/verkoop onder normale omstandigheden/na verkoop voorgezet gebruik als kinderdagverblijf/na verkoop omgebouwd naar zorgwoningen) weergegeven.

Uitspraak van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:

“6. (…) De rechtbank stelt vast dat beide partijen bij de onderbouwing van hun standpunten voor vrijwel alles uitgaan van de kengetallen zoals die zijn opgenomen in de Taxatiewijzer voor archetype O116PL12. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat hij de taxatiewijzer op geen enkele wijze accepteert als leidraad, maar heeft zich vervolgens niet alleen neergelegd bij de op de richtsnoeren van de Taxatiewijzer gebaseerde taxatie van de heffingsambtenaar, behoudens die voor de restwaarde, maar heeft ook zijn eigen taxatie(rapport) vrijwel volledig gebaseerd op de die richtsnoeren, weer enkel behoudens de restwaarde. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat belanghebbende de Taxatiewijzer en/of de richtsnoeren waarop die is gebaseerd in zijn geheel heeft verworpen. In dat kader is ook van belang dat belanghebbende ook niet concreet, gemotiveerd en onderbouwd heeft aangegeven op welke andere punten hij het verder met de (richtsnoeren van de) Taxatiewijzer niet eens is. Het moet er onder deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat ook belanghebbende de richtsnoeren van die Taxatiewijzer (en meer specifiek die voor de archetype O116PL12) in zijn algemeenheid als uitgangspunt voor de waardering heeft aanvaard.

7. Voor dat geval heeft de Hoge Raad in het door de heffingsambtenaar genoemde arrest van 23 oktober 2020 geoordeeld dat in een taxatiewijzer richtsnoeren zijn gegeven die als uitgangspunt kunnen dienen bij de bepaling van onder meer de restwaarde, maar dat er omstandigheden kunnen zijn die aanleiding geven om af te wijken, ook als partijen de richtsnoeren van die taxatiewijzer als uitgangspunt voor de waardering hebben aanvaard. Degene die aanspraak maakt op een zodanige afwijking moet daarvoor de gronden stellen en bij betwisting aannemelijk maken. Hieruit leidt de rechtbank af dat het mogelijk is voor een partij om slechts één of meerdere ‘losse’ parameters uit een taxatiewijzer ter discussie te stellen. Wel is die partij dan aan zet om te bewijzen waarom dat geboden is. Voor deze specifieke zaak betekent dat dat belanghebbende de bewijslast heeft van de door hem voorgestane restwaarde van 10%, omdat die restwaarde afwijkt van de kengetallen uit de Taxatiewijzer.

8. Voor het antwoord op de vraag of belanghebbende voor de door hem bepleite restwaarde van 10% van de bruto vervangingswaarde van de onroerende zaak in zijn bewijslast slaagt, zijn niet alleen de bewijsmiddelen die hij daartoe aandraagt van belang, maar moet evenzeer rekening worden gehouden met de stukken en stellingen die de heffingsambtenaar ter betwisting daarvan heeft aangedragen.

9. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door hem verdedigde restwaarde een analyse laten maken van door diverse gemeenten en de VNG aangeleverde verkochte objecten. In het onderzoeksrapport van [naam taxateur] zijn de volgende objecten geanalyseerd:

- [adres 11] in [woonplaats 11] , dagverblijf, bouwjaar 2006, transactiedatum 3 oktober 2019,

verkoopprijs € 994.000, restwaarde 14,3%,

- [adres 12] in [woonplaats 12] , dagverblijf, bouwjaar 2006, transactiedatum 31 december 2019, verkoopprijs € 540.000, restwaarde 0,0%,

- [adres 13] in [woonplaats 22] , dagverblijf, bouwjaar 1968/2000, transactiedatum € 465.000, verkoopprijs € 465.000, restwaarde 7,8%,

- [adres 14] in [woonplaats 14] , dagverblijf, bouwjaar 1968, transactiedatum 3 oktober 2017, verkoopprijs € 294.000, restwaarde 13,1%,

- [adres 4] in [woonplaats 4] , bouwjaar 1960, transactiedatum 4 mei 2018, verkoopprijs € 580.000, restwaarde 12,3%.

10. De heffingsambtenaar heeft de zienswijze en analyse van de diverse objecten in het onderzoeksrapport van [naam taxateur] en daarmee die van belanghebbende, betwist. Puntsgewijs heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de door [naam taxateur] gebezigde referentieobjecten en de daaraan verbonden transactiegegevens in het verweerschrift het volgende aangevoerd:

Referentie: [adres 11] te [woonplaats 11]

- Dit object is in verhuurde staat verkocht;

- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van € 1.740,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 870, afbouw, € 540,- en installaties € 330,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2020 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.438,-. Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als 17. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen.

Referentie: [adres 12] te [woonplaats 12]

- Dit object is in deels verhuurde staat verkocht;

- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van €1.738,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 869, afbouw, € 539,- en installaties € 330,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2021 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.461,- Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als bijlage 18. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen.

- Het object is niet verkocht om volledig voort te zetten als kinderdagverblijf. Zo staat de verdieping al nagenoeg sinds de transactie leeg en wordt deze te huur aangeboden. Hiermee is het onduidelijk op welke wijze de transactie van dit pand de restwaarde van een kinderdagverblijf onderbouwd.

Referentie: [adres 13] te [woonplaats 22]

- Dit object is niet in [woonplaats 22] , maar in het ruim goedkopere [woonplaats 13] gelegen.

- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van €1.511,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 756, afbouw, € 453,- en installaties € 302,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2021 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.270,-. Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als bijlage 19. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen. Voor het door [belanghebbende] gehanteerde archetype O115PL12 geldt hetzelfde als hierboven reeds uiteengezet (met uiteraard andere bedragen).

- [Belanghebbende] maakt geen onderscheid tussen gebouwgebonden en ongebonden grond, In de taxatieleer geldt de stelregel dat de gebouwgebonden grondoppervlakte 2 tot 2,5 maal de oppervlakte van de gebouwen bedraagt. De rest wordt aangemerkt als ongebonden grond tegen een ruim lagere grondprijs. [Belanghebbende] heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen gebouwgebonden en ongebonden grond. Het aandeel grondwaarde is hierdoor te hoog en de restwaarde te laag.

- Als bijlage 20 is de akte van levering van het object bijgevoegd. Uit deze akte blijkt dat het vastgoed is overgedragen voor € 465.000,-. Daarnaast is € 595.000,- betaald voor de overdracht van de onderneming. In vergelijking tot het vastgoed is dit een onwaarschijnlijk hoog bedrag. Het is goed mogelijk dat er een bepaalde verdeling in de

koopsom heeft plaatsgevonden waarbij een lagere prijs is toegekend aan het vastgoed om hierdoor minder overdrachtsbelasting verschuldigd te zijn.

Referentie: [adres 14] te [woonplaats 14]

- Als bijlage 21 is de akte van levering van het object bijgevoegd. Uit artikel 2.4 blijkt dat koper huurder van het object was. Hiermee komt vast te staan dat het object niet openbaar te koop is aangeboden en dat de overeengekomen transactieprijs niet of niet automatisch de waarde in het economische verkeer weergeeft. Het is goed mogelijk dat door de huursituatie de verkopende partij genoegen heeft genomen met een lagere verkoopprijs, hierdoor wordt de restwaarde negatief beïnvloed. Geconcludeerd kan worden dat dit object niet bruikbaar is ter onderbouwing van de restwaarde.

- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van €1.468,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 734, afbouw, € 440,- en installaties € 294,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2018 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.214,-. Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als bijlage 22. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen.

Referentie: [adres 4] te [woonplaats 4]

- [Belanghebbende] rekent met een totale vervangingswaarde van € 1.403,- per vierkante meter (kolom ‘Prijs’, bestaande uit ruwbouw € 687, afbouw, € 407,- en installaties € 309,-). Dit terwijl de taxatiewijzer onderwijs met hetzelfde archetype per 1-1-2019 concludeert tot een vervangingswaarde van € 1.159,-. Als bewijs is de betreffende pagina opgenomen als bijlage 23. De te hoge eenheidsprijs leidt tot een te hoge totale vervangingswaarde. Om tot de transactieprijs te komen dient de restwaarde hierdoor ten onrechte laag/te laag gesteld (berekend) te worden. Was de vervangingswaarde juist en conform taxatiewijzer ingeschat, dan zou de restwaarde ruim hoger uitvallen.

- [Belanghebbende] maakt geen onderscheid tussen gebouwgebonden en ongebonden grond, In de taxatieleer geldt de stelregel dat de gebouwgebonden grondoppervlakte 2 tot 2,5 maal de oppervlakte van de gebouwen bedraagt. De rest wordt aangemerkt als ongebonden grond tegen een ruim lagere grondprijs. [Belanghebbende] heeft ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen gebouwgebonden en ongebonden grond. Het aandeel grondwaarde is hierdoor te hoog en de restwaarde te laag.

Samenvattend

Samenvattend kan geconcludeerd worden dat [belanghebbende] in de uitgevoerde analyse uitgaat van ruim te hoge vervangingswaarden, hierdoor valt de geanalyseerde restwaarde ruim te laag uit. Daarnaast zijn transacties in verhuurde staat gehanteerd, een woning en een object wat aan de huidige huurder is verkocht. Al met al kan geconcludeerd worden dat [belanghebbende] niet geslaagd is in het aannemelijk maken van een lagere restwaarde van kinderdagverblijven. Ik kan niet anders dan concluderen dat de restwaarde zoals opgenomen in de Landelijke Taxatiewijzer Onderwijs gevolgd dient te worden voor de bepaling van de restwaarde van het object.”

11. Belanghebbende heeft tegen de gemotiveerde en doeltreffende betwisting van de heffingsambtenaar zoals hiervoor weergegeven, niets aangevoerd; hij heeft deze niet weersproken of weerlegd en heeft daaromtrent dan ook geen enkele twijfel doen rijzen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat belanghebbende tegenover de hiervoor weergegeven gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar, met de door hem ingebrachte analyse en wat hij overigens heeft ingebracht en op de zitting heeft toegelicht niet aannemelijk heeft gemaakt dat de restwaarde moet worden bepaald op 10% van de bruto vervangingswaarde van de onroerende zaak.

De rechtbank verwijst eveneens naar de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 9 juli 2024 in de zaak LEE 23/1787 [5](een zaak van dezelfde gemachtigde) waarin is geoordeeld dat het ook in die zaak bepleitte restwaardepercentage van 10% door deze op één na dezelfde transacties niet wordt onderbouwd.

12. Uit het voorgaande volgt dat de heffingsambtenaar voor het bepalen van de restwaarde van de onroerende zaak de Taxatiewijzer mocht volgen. Voor die situatie geldt dat gesteld nog gebleken is dat het door de heffingsambtenaar berekende en gehanteerde restwaardepercentage alsdan onjuist is. Er bestaat dan ook geen reden daarvan af te wijken. Gelet hierop behoeven de overige, aanvullende door de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift aangedragen verkopen van incourante objecten ter onderbouwing van de restwaarde conform de Taxatiewijzer – welke ter zitting wel nadrukkelijk en gemotiveerd door belanghebbende zijn betwist – geen verdere bespreking. Het gelijk is reeds aan de heffingsambtenaar.

13. De slotsom is dat, nu de waarde in beroep op overige onderdelen dan de restwaarde niet (meer) is bestreden, moet worden geoordeeld dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

(…)

[5] ECLI:NL:RBNNE:2024:2557.”

Geschil in hoger beroep
4.1.
In geschil is of de vastgestelde waarde van de Crèche van € 743.000 te hoog is. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de door de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de correctie voor technische veroudering van de gebouwde delen van de Crèche (de opstal) in aanmerking genomen restwaarden van de ruwbouw, afbouw en installaties.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking aldus dat de waarde van het Crèche nader wordt vastgesteld op € 626.000 en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaar-, de beroeps- en de hoger beroepsfase.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.



Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid: machtiging
5.1.1.
Ter zitting heeft het Hof belanghebbende voorgehouden dat de overgelegde machtiging niet is gesteld ten name van belanghebbende, [belanghebbende] , en dat op basis van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat degene die de machtiging heeft ondertekend bevoegd is om namens belanghebbende te tekenen.
5.1.2.
Daartoe uitgenodigd door het Hof heeft belanghebbende na de zitting een nieuwe machtiging overgelegd en daarbij stukken gevoegd uit het handelsregister (zie 1.6). Uit de stukken blijkt, dat de nieuwe machtiging is ondertekend door de voor [belanghebbende] tekeningsbevoegde persoon. Hoewel de nieuwe machtiging niet ten name van de belanghebbende is gesteld ( [belanghebbende] ), maar ten name van een gelieerde onderneming ( [A B.V.] ), heeft het Hof gelet op de ondertekening door de bevoegde persoon geen twijfel over de vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Gecorrigeerde vervangingswaarde
5.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de Crèche dient te worden bepaald op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het Hof volgt dit gezamenlijke, naar zijn oordeel juiste, gemeenschappelijke standpunt van partijen. Voorts is de door de Heffingsambtenaar toegepaste verlengde levensduur van installaties niet meer in geschil.

Bewijslastverdeling
5.3.
Het Hof stelt het volgende voorop. Bij de vaststelling van de gecorrigeerde vervangingswaarde geldt als regel dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot deze waarde in eerste instantie op de heffingsambtenaar rusten, ook indien hij bij het vaststellen van die waarde heeft aangesloten bij een taxatiewijzer. Indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt, mag de rechter de waarde op een door hem gekozen grondslag vaststellen. Bij de beoordeling van de standpunten moet de rechter acht slaan op al hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd. Ten slotte brengt een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast mee dat een partij die een beroep doet op een afwijking van een taxatiewijzer wegens de omstandigheden van het geval, terwijl zij die taxatiewijzer als uitgangspunt voor het desbetreffende aspect van de waardering heeft aanvaard, de gronden daarvoor moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. Het Hof verwijst in dit verband naar de arresten van de Hoge Raad van 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300, van 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1671, van 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:332, van 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571 en van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234.
5.4.
De Heffingsambtenaar heeft in dit geval de waarde vastgesteld aan de hand van de Taxatiewijzer. Deze taxatiewijzer is algemeen toegankelijk op de website van het WOZ-datacenter en behoort in afschrift tot de gedingstukken. Belanghebbende heeft daarop dus effectief commentaar kunnen leveren zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:234.
5.5.
Nu belanghebbende de Taxatiewijzer wat betreft het aspect restwaarde uitdrukkelijk niet heeft aanvaard als uitgangspunt voor de waardering, bestaat geen reden om af te wijken van de normale bewijslastverdeling. Op de Heffingsambtenaar rust derhalve de last aannemelijk te maken dat hij de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Gelet op de geschilpunten in hoger beroep rust in dit geval op de Heffingsambtenaar de bewijslast ten aanzien van de restwaarde voor de Crèche. Het Hof zal dit aspect van de waardering beoordelen in het licht van hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd.

Restwaarde
5.6.
De Heffingsambtenaar is bij de bepaling van de waarde van de Crèche uitgegaan van de Taxatiewijzer, meer in het bijzonder van de kengetallen van het archetype O116PL12, Crèche, plat dak, metselwerk, gemiddelde afwerking 2001 t/m 2014. Tot die kengetallen behoren de verdeling van de waarde van de opstal over ruwbouw, afbouw en installaties, de vervangingswaarde per vierkante meter van de opstal, de levensduur en de restwaarde. De Heffingsambtenaar heeft de waarde met behulp van de Taxatiewijzer vastgesteld op € 743.000.
5.7.
Uit de Taxatiewijzer Onderwijs kan niet worden opgemaakt waarop de daarin opgenomen restwaardes zijn gebaseerd. In de Taxatiewijzer Algemeen, waarnaar de Heffingsambtenaar in dit verband heeft verwezen, wordt niet meer vermeld dan dat de kengetallen voor wat betreft de restwaarde inschattingen zijn die berusten op ervaringscijfers. De Heffingsambtenaar heeft voorts ter onderbouwing van de door hem gehanteerde restwaarde uit de Taxatiewijzer verwezen naar de in 2.2.2 genoemde verkooptransacties. De gedingstukken bevatten geen nadere gegevens over deze verkooptransacties. Belanghebbende heeft de bruikbaarheid van de verkooptransacties ter onderbouwing van de restwaarde uit de Taxatiewijzer ter zitting van de Rechtbank betwist door erop te wijzen dat over deze objecten vrijwel niets bekend is. De Heffingsambtenaar noemt volgens belanghebbende geen transactieprijzen, transactiedata, objectkenmerken, afmetingen, perceeloppervlakten en grondprijzen. Ook is niet bekend in welke staat de objecten verkeerden ten tijde van de verkoop en is over de omstandigheden van de verkoop onvoldoende bekend, aldus belanghebbende. Voorts heeft belanghebbende ter zitting van de Rechtbank ten aanzien van elk van de door de Heffingsambtenaar aangedragen verkooptransacties specifiek gesteld waarom die niet kan dienen ter onderbouwing van de restwaarde uit de Taxatiewijzer. De Heffingsambtenaar heeft hierop niet gereageerd. Gelet op het ontbreken van een adequate onderbouwing van de kengetallen in de Taxatiewijzer zelf, de zeer beperkte informatie over de in 2.2.2 vermelde transacties en de terechte bezwaren die belanghebbende daartegen heeft aangevoerd is het Hof van oordeel dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om feiten en omstandigheden te stellen die het oordeel kunnen dragen dat de restwaarde van de Crèche niet te hoog is vastgesteld.
5.8.1.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of de door belanghebbende bepleite restwaarde van 10% van de bruto vervangingswaarde aannemelijk is gemaakt. Ter onderbouwing van de door haar bepleite restwaarde verwijst belanghebbende naar het restwaarderapport (zie 2.3.3) en de in de bijlage bij dat rapport opgenomen referentietransacties (zie 2.3.4). Uit die bijlage leidt het Hof af dat de restwaarde van de objecten van de referentietransacties de resultante is van de volgende rekensom. Eerst trekt belanghebbende van de gerealiseerde verkoopsom de waarde van de grond inclusief omzetbelasting af, om zo tot de opstalwaarde te komen. Vervolgens berekent zij de bruto vervangingswaarde van dit object conform de kengetallen in de Taxatiewijzer inclusief omzetbelasting. Tot slot deelt belanghebbende de opstalwaarde op de bruto vervangingswaarde.

5.8.2.1. Allereerst dient te worden vastgesteld op welke wijze moet worden omgegaan met omzetbelasting bij de herleiding van restwaardepercentages uit de referentietransacties. Partijen gaan eensluidend ervan uit dat de gecorrigeerde vervangingswaarde inclusief omzetbelasting dient te worden berekend. Dit is naar het oordeel van het Hof terecht. Tot de stichtings- of aanschaffingskosten van een onroerende zaak waarop de gecorrigeerde vervangingswaarde wordt gebaseerd, behoort de ter zake van die stichting of aanschaffing in rekening te brengen omzetbelasting voor zover de eigenaar die omzetbelasting niet in aftrek kan brengen (vgl. HR 3 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3351, r.o. 3.3, HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AW3924, HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8739, r.o. 3.3.1 en HR 28 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:812, r.o. 4.2.3). Nu belanghebbende uitsluitend vrijgestelde prestaties verricht, gaat het Hof ervan uit dat ter zake van de huur van de onroerende zaken aan haar geen omzetbelasting in rekening gebracht wordt. Alsdan behoort de ter zake van de stichting of aanschaffing van die onroerende zaken in rekening te brengen omzetbelasting in beginsel tot de vervangingswaarde daarvan.

5.8.2.2. Belanghebbende heeft met de omzetbelasting rekening gehouden door de bruto vervangingswaarde te berekenen aan de hand van prijzen per vierkante meter inclusief omzetbelasting. Om vervolgens uit markttransacties een restwaardepercentage te herleiden dat past bij deze taxatiesystematiek, zal de vervangingswaarde van de vergelijkingsobjecten eveneens dienen te worden bepaald aan de hand van prijzen per vierkante meter inclusief omzetbelasting, zoals belanghebbende ook heeft gedaan. Belanghebbende heeft echter bij de herleiding van de opstalwaarden uit de verkoopprijzen van de markttransacties ten onrechte de prijs van de grond vermeerderd met omzetbelasting. Het gaat hier immers om de levering van gebruikte onroerende zaken, zodat – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – ervan moet worden uitgegaan dat ter zake van die leveringen geen omzetbelasting was verschuldigd. Indien alsdan de opstalwaarde uit de verkoopprijs wordt herleid door daarvan een grondwaarde inclusief omzetbelasting af te trekken, ontstaat een scheve verhouding tussen de opstal- en de grondwaarde, waarbij de opstalwaarde te laag wordt vastgesteld. Het gevolg daarvan is een te laag restwaardepercentage. Dit betekent dat belanghebbende reeds daarom niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de door haar bepleite waarde van de Crèche, die mede is gebaseerd op dat restwaardepercentage, niet te laag is.
5.9.
Het vorenstaande maakt dat geen van beide partijen erin is geslaagd het van

haar gevergde bewijs te leveren voor de door haar bepleite waarde van de Crèche op de waardepeildatum. De Hof bepaalt de waarde, rekening houdend met alle ter zake doende feiten en omstandigheden, in goede justitie op € 680.000.

Slotsom
5.10.
Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

Proceskosten
6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor veroordeling van de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de door belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten.

Bezwaarfase
6.2.
Voor de bezwaarfase stelt het Hof de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 7:15, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.332 (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting à € 666 x wegingsfactor 1).

Beroepsfase
6.3.
Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep, stelt het Hof deze kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 934 x wegingsfactor 1).

Hogerberoepsfase
6.4.
Het Hof stelt de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 (1 punt voor het hogerberoepschrift,

1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor 1 x factor 0,25 (artikel 30a Wet WOZ)). Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat belanghebbende een bijzonder geval is als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
6.5.
Het Hof berekent de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep van een deskundige, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb, als volgt. Voor het taxatierapport wordt een bedrag van € 1.185,80 vergoed. Verder wordt een bedrag van € 109 (een uur; waarbij het Hof voor het bedrag uitgaat van het geldende bedrag voor verletkosten van een partij of belanghebbende) voor het bijwonen van de zitting door de deskundige vergoed en wordt een bedrag van € 25,50 voor reiskosten van de deskundige vergoed. Deze reiskosten zijn berekend op de kosten van een treinticket tweede klas van [woonplaats 23] naar Den Haag vice versa. Conform belanghebbendes verzoek ter zitting blijft de vergoeding voor de reiskosten beperkt tot 50% vanwege het feit dat de deskundige ook aanwezig is geweest bij de behandeling van de zaken BK-25/404-405 op dezelfde dag (en direct opvolgend op de behandeling van de onderhavige zaak). De totale vergoeding voor de proceskosten in hoger beroep bedraagt derhalve € 1.320,30.
6.6.
In totaal heeft belanghebbende dus recht op een vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 4.987,30.

Griffierechten
6.7.
Voorts dienen aan belanghebbende de voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 365 en € 559 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

wijzigt de beschikking aldus dat de waarde van de Crèche nader wordt vastgesteld op € 680.000;

vermindert de aanslag dienovereenkomstig;

veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van in totaal € 4.987,30, en

gelast de Heffingsambtenaar aan belanghebbende de betaalde griffierechten van € 924 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, C. Maas en A.P. Bliek-Monsma, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.

De griffier, de voorzitter,

E.J. Nederveen M.J.M. van der Weijden

De beslissing is op 28 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Artikel delen