Geheimhoudingsbeslissing. Geen belang belanghebbende.
Gerechtshof Den Haag 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2162
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
BK-26/209
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHDHA:2026:2162text/xmlpublic2026-08-03T14:56:122026-07-02Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Den Haag2026-07-01BK-26/209UitspraakHoger beroepGeheimhoudingsbeslissingNLDen HaagBestuursrecht; BelastingrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2162text/htmlpublic2026-07-29T16:27:032026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHDHA:2026:2162 Gerechtshof Den Haag , 01-07-2026 / BK-26/209 Geheimhoudingsbeslissing. Geen belang belanghebbende.
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht
enkelvoudige geheimhoudingskamer
nummer BK-26/209 Beslissing van 1 juli 2026 in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: P. de Haas) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het geheimhoudingsverzoek van de Inspecteur als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Procesverloop1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns opgelegd. Bij separate beschikking is belastingrente berekend. 1.2. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de beschikking gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank). De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.4. De Inspecteur heeft een geheimhoudingsverzoek ingediend voor een mutatierapport van de politie, dat onleesbaar gemaakte gegevens bevat. De Inspecteur heeft onder verwijzing naar artikel 8:29 Awb verzocht om die bijlage niet ongeschoond aan belanghebbende over te leggen. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft het verzoek bij beslissing van 27 augustus 2025 afgewezen. 1.5. De Rechtbank heeft op 21 januari 2026 in de hoofdzaak uitspraak gedaan. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft in het verweerschrift een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan. Hierbij heeft de Inspecteur het verzoek dat hij bij de Rechtbank had ingediend, herhaald. 1.7. Belanghebbende is bij bericht van 4 juni 2026 in de gelegenheid gesteld op het verzoek van de Inspecteur te reageren. Belanghebbende heeft bij bericht van 22 juni 2026 gereageerd. 1.8. De geheimhoudingskamer heeft besloten het verzoek zonder zitting te behandelen. Oordeel van de geheimhoudingskamer van de Rechtbank 2. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij de Inspecteur is aangeduid als verweerder: “5. Aangezien eiser al over het gehele mutatierapport beschikt, valt niet in te zien waarom het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich in zoverre tegen kennisneming van het mutatierapport door eiser verzet. Daarbij is van belang dat afwijzing van het verzoek slechts betekent dat eiser als procespartij van het mutatierapport kennis kan nemen. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer daarom in zoverre minder zwaar dan het belang van eiser om kennis te nemen van het stuk. De geheimhoudingskamer ziet ook niet in welk belang de geheimhouding van de namen van de verbalisanten jegens alleen de rechtbank zou dienen. De geheimhoudingskamer acht het geheimhoudingsverzoek niet gerechtvaardigd.” Overwegingen3.1. Op grond van artikel 8:29, lid 1, Awb kan de inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, over te leggen (geheimhouding) dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen (beperkte kennisneming). Ingevolge artikel 8:29, lid 5, Awb is beperkte kennisneming slechts toegestaan met toestemming van de andere partij. Bij de toepassing van artikel 8:29 Awb dient de grootst mogelijke terughoudendheid te worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die de weigering om stukken ongeschoond te verstrekken rechtvaardigen. 3.2. In hoger beroep heeft de Inspecteur het bij de Rechtbank ingediende verzoek herhaald. Het verzoek heeft betrekking op hetzelfde stuk (een mutatierapport van de politie), waarin gegevens zijn weggelakt. Het betreft de namen van de betrokken verbalisanten. Belanghebbende heeft in zijn reactie aangegeven de beslissing van de Rechtbank juist te achten. 3.3. Naar het oordeel van het Hof wijst de Inspecteur terecht erop dat bekendmaking van de weggelakte gegevens de persoonlijke levenssfeer van de betrokken verbalisanten zou raken. Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende enig belang bij kennisneming heeft. Weging van de belangen doet de balans dus uitslaan naar het belang van de verbalisanten. Of zij al dan niet gevaar zouden lopen bij bekendmaking, is bij afwezigheid van enig belang aan de zijde van belanghebbende niet van belang. Of belanghebbende al dan niet kennis heeft van de weggelakte gegevens, acht het Hof niet van belang. Het bestuursorgaan kan niet worden verplicht privacygevoelige gegevens (verder) bekend te maken indien de wederpartij stelt hierover al te beschikken. Overigens is niet gebleken dat belanghebbende daadwerkelijk kennis heeft van deze gegevens. De Inspecteur heeft dit betwist en gesteld dat belanghebbende het niet geanonimiseerde rapport zelf had kunnen inbrengen. Dit heeft belanghebbende niet gedaan. Dat belanghebbende hiertoe niet verplicht is, is juist, maar laat onverlet dat het Hof zich afvraagt wat belanghebbende precies beoogt met zijn verzet tegen het verzoek van de Inspecteur indien hij die gegevens al heeft. Het belang aan zijn zijde ontbreekt dan. 3.4. De slotsom luidt dat het verzoek om beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Beslissing Het Gerechtshof: beslist dat de door de Inspecteur verzochte beperkte kennisneming gerechtvaardigd is; verzoekt belanghebbende binnen vier weken mee te delen of de zetel die de hoofdzaken zal behandelen, mag kennisnemen van het ongeschoonde stuk. Deze beslissing is genomen door A. van Dongen, lid van de geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier I. Hoogendoorn. De griffier, de voorzitter, I. Hoogendoorn A. van Dongen De beslissing is op 1 juli 2026 in het openbaar uitgesproken. Deze beslissing is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: Tegen tussenbeslissingen, zoals die bedoeld in artikel 8:29, lid 3, Awb, stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie open. Tegen dergelijke beslissingen kan ingevolge artikel 28, lid 5, AWR slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het beroep in cassatie tegen de einduitspraak.