Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:2263

BPM: belanghebbende maakt niet aannemelijk dat de historische nieuwprijs van een ingevoerde auto met hagelschade op een hoger bedrag moet worden vastgesteld en dat de handelsinkoopwaarde op een lager bedrag moet worden vastgesteld. De naheffingsaanslag blijft in stand. Het hoger beroep is ongegrond.

Gerechtshof Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:2263 text/xml public 2026-08-06T12:40:06 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-07-08 BK-25/623 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:13358, Bekrachtiging/bevestiging Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2263 text/html public 2026-07-30T16:04:54 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:2263 Gerechtshof Den Haag , 08-07-2026 / BK-25/623
BPM: belanghebbende maakt niet aannemelijk dat de historische nieuwprijs van een ingevoerde auto met hagelschade op een hoger bedrag moet worden vastgesteld en dat de handelsinkoopwaarde op een lager bedrag moet worden vastgesteld. De naheffingsaanslag blijft in stand. Het hoger beroep is ongegrond.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/623
Uitspraak van 8 juli 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)

en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 juli 2025, nummer SGR 24/80.
Procesverloop 1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.509 (de naheffingsaanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk verweer gevoerd. Belanghebbende heeft op 28 mei 2026 nadere stukken ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 10 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten 2.1.
Belanghebbende heeft op 26 januari 2023 op aangifte een bedrag van € 4.098 aan bpm voldaan voor de registratie van een Volkswagen Tiguan Allspace, Elegance 4Motion, TSI (de auto). De datum van eerste toelating is 21 februari 2022. Het netto maximum vermogen van de auto is 140 kW en de motorinhoud bedraagt 2,0 L.
2.2.
In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [naam 1] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 19 januari 2023 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 20 januari 2023 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 54.250 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 28.000. De taxateur heeft een bedrag van € 18.000 aan aftrek in verband met schade, een onbekend schadeverleden en een niet te controleren kilometerstand in aanmerking genomen en de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat op € 10.000 vastgesteld.
2.3.
Bij de aangifte heeft belanghebbende een inkoopfactuur overgelegd waaruit volgt dat de auto voor een bedrag van € 27.142,86 (exclusief btw en bpm) is gekocht.
2.4.
Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door Domein Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 7 februari 2023 vermeldt een historische nieuwprijs van € 50.960, een netto catalogusprijs van € 33.920, en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 34.581. DRZ heeft een bedrag van € 10.695 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 3.315 (31%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto door DRZ is bepaald op € 31.266.
2.5.
De Inspecteur heeft een brutobedrag aan schade van € 10.955 in aanmerking genomen en een waardevermindering van 31% (€ 3.396). De Inspecteur heeft de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat vastgesteld op € 31.185 en een naheffingsaanslag bpm van € 9.509 opgelegd.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

Waardevermindering wegens schade

8. De bewijslast van de door eiseres bepleite handelsinkoopwaarde in beschadigde staat en de daarbij behorende waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Aangaande het taxatierapport overweegt de rechtbank dat zij met verweerder van oordeel is dat dit rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten aangezien het zodanig gebrekkig is dat het niet bruikbaar is voor de bepaling van de vermindering van de verschuldigde Bpm. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat van de door de taxateur gehanteerde referentievoertuigen te weinig informatie beschikbaar is om te beoordelen of deze auto’s als referentie bruikbaar zijn, er een niet nader onderbouwd percentage van 25% van de door eiseres veronderstelde gemiddelde vraagprijs van de auto wordt afgetrokken om de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat te bepalen, er slechts een gedeelte van de koerslijst van Autotelex is overgelegd waaruit een andere handelsinkoopwaarde volgt, de taxateur enkel op basis van ongedateerde foto’s de door hem gestelde schade heeft vastgesteld en het daardoor niet is vast te stellen wanneer de opname van de auto heeft plaatsgevonden en/of de op de foto’s aanwezige schade aanwezig was op het moment van opname. Daarnaast merkt de rechtbank op dat uit de inkoopfactuur volgt dat de aankoopprijs van de auto € 27.142,86 bedraagt. Het is dan zeer onwaarschijnlijk dat de auto slechts een waarde van € 10.000 vertegenwoordigd. Het taxatierapport kan niet dienen.

9. In het DRZ-rapport heeft verweerder invulling gegeven aan de taxatiemethode. Hierbij heeft verweerder aansluiting gezocht bij de koerslijst van Autotelex Pro en heeft daarnaast een bedrag aan schade in aanmerking genomen. De auto van eiseres wijkt dermate veel af van de referentieauto’s in de koerslijst dat de handelsinkoopwaarde niet daar één op één van kan worden overgenomen, zodat verweerder terecht de aanpassingen heeft gedaan.

Schadeaftrek 31%

10. Eiseres stelt dat het door DRZ vastgestelde percentage van de schadeaftrek van 31% te laag is. Volgens eiseres dient de waardevermindering minstens op 72% vastgesteld te worden. Eiseres stelt daarbij ook dat de zogenoemde 31%-regel (die de aftrek in beginsel beperkt tot 31% van de schade) zoals vastgesteld in artikel 3.5 van Bijlage 1 van de Uitvoeringregeling Wet BPM onverbindend verklaard dient te worden, omdat de gegevens die ten grondslag liggen aan de totstandkoming van die regel niet openbaar zijn gemaakt.

11. Artikel 3.5 van Bijlage 1 van de Uitvoeringregeling Wet BPM, luidt voor het onderhavige jaar als volgt:

De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar vermeerderd met de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.

12. Verweerder heeft, overeenkomstig de bevindingen en conclusies van zijn deskundige van DRZ én overeenkomstig de hiervoor aangehaalde wettelijke bepaling, de schadeaftrek beperkt tot 31% van de getaxeerde herstelkosten. Dit is in beginsel terecht; het is dan vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat de schade die is geconstateerd voor een hoger percentage in aanmerking dient te worden genomen. Daarin is eiseres niet geslaagd. De rechtbank stelt hierbij voorop dat, nu hiervoor reeds is geoordeeld dat het taxatierapport van eiseres niet kan dienen, daarin geen ondersteuning kan worden gevonden voor de conclusie dat de schade tot een hoger percentage in aanmerking moet worden genomen. Ook overigens heeft eiseres voor de door DRZ vastgestelde schadeposten geen voldoende concrete argumenten of onderbouwing gegeven op grond waarvan dat kan worden geconcludeerd. Dit ondanks dat dit dus wel op haar weg lag en eiseres ook, uitgaande van de in het rapport van DRZ gespecificeerde in aanmerking genomen schade, beschikte over voldoende gegevens om in staat te zijn om bewijs te leveren dat een hoger percentage in aanmerking diende te worden genomen.

13. Anders dan eiseres bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding de in de wettelijke bepalingen vastgelegde 31%-regel buiten toepassing te verklaren, enkel omdat deze regeling is gebaseerd op een nieuw onderzoek, uitgevoerd door de firma [naam 2] , waarin weliswaar wordt geconcludeerd dat schade voor 23% in mindering komt op de waarde van een auto maar waarvan de aan het onderzoek ten grondslag liggende gegevens en datasets niet openbaar zijn gemaakt. De rechtbank acht daarbij tevens van belang dat eiseres nog altijd de mogelijkheid heeft om, in afwijking van de uitkomsten van het bewuste onderzoek en de daarop gebaseerde wettelijk vastgelegde 31%-regeling, ervan bewijs te leveren dat de schade tot een hoge percentage in mindering op de waarde dient te komen.

Historische nieuwprijs

14. Eiseres heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Gelet op hetgeen is overwogen onder 8 kan het taxatierapport niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Eiseres bepleit nu echter een hogere historische nieuwprijs dan volgt uit haar eigen taxatierapport. De rechtbank ziet geen aanleiding uit te gaan van andere gegevens dan verweerder heeft gehanteerd.

(…)

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.“
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag is opgelegd.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en:

- primair tot vaststelling van de inkoopwaarde op € 24.722 (handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgens DRZ met 90% waardevermindering), tot vaststelling van de nieuwprijs op € 65.520, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 8.390 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.292;

- subsidiair tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde op € 26.694 (handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgens DRZ met 72% waardevermindering), tot vaststelling van de nieuwprijs op € 65.520, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 9.060 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 4.962;

- meer subsidiair tot vaststelling van de inkoopwaarde op € 31.185 (handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgens DRZ met 31% waardevermindering; (Hof: dit is door de Inspecteur vastgestelde handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat), tot vaststelling van de nieuwprijs op € 65.520, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 10.584 en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 6.486;

- tot veroordeling van de Inspecteur in de (proces)kosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Netto catalogusprijs en historische nieuwprijs
5.1.
De bewijslast met betrekking tot de netto catalogusprijs en de historische nieuwprijs ligt bij belanghebbende. Belanghebbende stelt dat de netto catalogusprijs € 33.920 bedraagt en de historische nieuwprijs € 65.520. Belanghebbende gaat daarbij uit van de netto catalogusprijs van het referentievoertuig in de koerslijst AutotelexPro (ATP) en de CO2-uitstoot van de auto van belanghebbende. De Inspecteur betwist dat kan worden uitgegaan van het referentievoertuig, omdat er een verschil is in aandrijving, motorinhoud en motorvermogen.
5.2.
Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende niet voorkomt in een van de in Nederland in de handel algemeen toegepaste koerslijsten. Gelet op de door de Inspecteur onweersproken gestelde verschillen tussen de auto en het referentievoertuig kan de koerslijst ATP daarom niet zonder meer dienen. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt welke handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat en welke netto catalogusprijs aan de auto moeten worden toegekend.

Waardevermindering (afschrijvingspercentage)
5.3.
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63).
5.4.
Het Hof overweegt dat het binnen de taxatiemethode aan belanghebbende is om te bewijzen dat de Inspecteur de handelsinkoopwaarde van de auto in beschadigde staat (de taxatiewaarde) als geheel genomen te hoog heeft vastgesteld. Belanghebbende stelt daartoe primair dat niet 31% maar 90% van het door DRZ in aanmerking genomen brutobedrag aan schade van € 10.695 in aftrek moet worden aanvaard. De Inspecteur stelt daartegenover dat de door belanghebbende betaalde inkoopprijs een verdere vermindering dan met 31% weerspreekt.
5.5.
Als belanghebbende meent dat een percentage van 90% van de door DRZ gecalculeerde schade voor aftrek in aanmerking komt, dan is het aan haar om dat te onderbouwen. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd. Voor de heffing van bpm hoeft een raming van herstelkosten niet zonder meer de waardevermindering als gevolg van schade weer te geven, reeds omdat in het kader van het herstellen van schade aan delen of onderdelen van een personenauto onvermijdelijk ook de normale sporen van gebruik - die reeds in de volgens een koerslijst bepaalde handelsinkoopwaarde van een referentievoertuig worden verdisconteerd - verdwijnen. Dit brengt mee dat artikel 110 VWEU niet vereist dat getaxeerde schade op grond van een blote stelling (zonder op feiten gebaseerde deugdelijke schadecalculatie van die 90%) voor 90% in mindering moet worden gebracht.
5.6.
Belanghebbende stelt subsidiair dat niet 31% maar 72% van het door DRZ in aanmerking genomen brutobedrag aan schade van € 10.695 in aftrek moet worden aanvaard.
5.7.
Belanghebbende is niet in de op haar rustende bewijslast geslaagd dat de taxatiewaarde als geheel genomen te hoog is vastgesteld. Gelet op de verschillen in aandrijving, motorinhoud en motorvermogen tussen de auto en het referentievoertuig heeft belanghebbende ten eerste niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van het referentievoertuig zonder meer als uitgangspunt kan worden genomen voor het bepalen van de taxatiewaarde (zie 5.2). Ten tweede is het Hof met de Inspecteur van oordeel dat de inkoopfactuur een indicatie geeft dat de taxatiewaarde eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft € 27.142,86 voor de auto in beschadigde toestand betaald, exclusief 21% omzetbelasting en het restbedrag aan bpm dat geacht kan worden nog te zijn vervat in de waarde van de auto (rest-bpm). Uitgaande van een rest-bpm van € 9.060 op basis van het standpunt van belanghebbende bij een aftrek wegens schade van 72% van het door DRZ gecalculeerde brutobedrag aan schade, zou een indicatie van de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat minimaal op € 41.902 uitkomen. Indien wordt uitgegaan van 72% in plaats van 31% van de door DRZ gecalculeerde schade, zou de vermindering wegens schade uitkomen op (afgerond) € 7.701 en de indicatie van de taxatiewaarde van de auto uitkomen op € 34.201. De Inspecteur is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 31.185. Dit leidt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur de taxatiewaarde van de auto op een te hoog bedrag heeft vastgesteld, zelfs indien rekening wordt gehouden met een percentage schadeaftrek van 72. Het kan dan ook in het midden blijven of dit percentage aan schadeaftrek had moeten worden toegepast.
5.8.
Aangezien belanghebbende niet is geslaagd in de bewijslast dat sprake is van een hogere waardevermindering dan die waarvan de Inspecteur is uitgegaan, is de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag opgelegd.

Slotsom
5.9.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs

De beslissing is op 8 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Artikel delen