Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:2460

Geldt de verstrekking van een (kostbaar) geneesmiddel in het buitenland aan een Nederlandse verzekerde als verzekerde zorg onder de Zorgverzekeringswet, ook al gold hiervoor destijds in Nederland nog geen handelsvergunning? Eindarrest. (zie ook ECLI:NL:GHDHA:2022:2877, ECLI:NL:GHDHA:2022:2878, ECLI:NL:HR:2024:1416, ECLI:NL:GHDHA:2025:3062 en ECLI:NL:GHDHA:2025:3063)

Gerechtshof Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 text/xml public 2026-08-04T10:30:07 2026-07-24 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-07-28 200.281.045/02 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:3707, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 text/html public 2026-07-30T11:44:53 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:2460 Gerechtshof Den Haag , 28-07-2026 / 200.281.045/02
Geldt de verstrekking van een (kostbaar) geneesmiddel in het buitenland aan een Nederlandse verzekerde als verzekerde zorg onder de Zorgverzekeringswet, ook al gold hiervoor destijds in Nederland nog geen handelsvergunning? Eindarrest.

(zie ook ECLI:NL:GHDHA:2022:2877, ECLI:NL:GHDHA:2022:2878, ECLI:NL:HR:2024:1416, ECLI:NL:GHDHA:2025:3062 en ECLI:NL:GHDHA:2025:3063)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.281.045/02Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/562492 / HA ZA 18-1125

arrest van 28 juli 2026

inzake

Avéro Achmea Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Leiden,

appellante,

hierna te noemen: Avéro Achmea,

advocaat: mr. T.R.M. van Helmond, Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] (overleden),

gekozen woonplaats [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W.S. van Dijk, Amsterdam.
<nr>1</nr>Het geding
Voor het verloop van het geding tot aan het tussenarrest van 11 november 2025 verwijst het hof naar dat arrest. Het hof heeft met dat arrest een deskundigenonderzoek gelast door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De deskundige heeft op 9 maart 2026 rapport uitgebracht, op 12 maart 2026 een gecorrigeerd rapport (gedateerd op de oorspronkelijke datum 9 maart 2026) met op 13 maart 2026 nog een aanvulling (het gecorrigeerde rapport en de aanvulling hierna gezamenlijk ook: het deskundigenbericht). Avéro Achmea heeft een memorie na deskundigenbericht genomen, met één productie, en [geïntimeerde] een antwoordmemorie na deskundigenbericht. Vervolgens is arrest bepaald op heden.
<nr>2</nr>Verdere beoordeling
Vraagstelling aan de deskundige

Met het arrest van 11 november 2025 heeft het hof deskundige de volgende vragen voorgelegd:

Waren ten tijde van de behandeling van [geïntimeerde] in maart en/of april 2018 dbc-zorg- en/of overige producten en/of anderszins prestatiebeschrijvingen in de zin van artikel 35 Wmg vastgesteld die passen bij de zorg die [geïntimeerde] blijkens de nota’s die als productie 14 bij de inleidende dagvaarding in het geding zijn gebracht, heeft genoten? Indien u deze vraag op basis van de nota’s en de specificaties daarbij, in het bijzonder ook de rapportage die als onderdeel van productie 18 bij de inleidende dagvaarding in het geding is gebracht, niet kunt beantwoorden, wilt u zich dan met partijen verstaan over hoe de ontbrekende informatie alsnog kan worden achterhaald?

Voor zover sprake was van vaste of maximumtarieven in Nederland: welke?

Voor zover sprake was van vrije tarieven in Nederland, dan wel geen sprake was van een door de NZa vastgestelde prestatiebeschrijving of tarief (dbc-zorg- of overig product): wat waren naar uw oordeel naar Nederlandse marktomstandigheden geldende of passende tarieven, rekening houdend met de in 6.4.18-19 van het arrest van 21 juni 2022 genoemde onderwerpen?

Heeft u verder nog opmerkingen die naar uw oordeel voor de beoordeling van deze zaak van belang zouden kunnen zijn?

Het deskundigenbericht
2.1.
De deskundige heeft in haar deskundigenbericht geadviseerd, met een aantal hierna te noemen kanttekeningen, om op basis van het toepasselijke NZa-maximumtarief of – wanneer sprake is van een vrij tarief – het gemiddeld in Nederland voor de desbetreffende prestatie gedeclareerde bedrag, te komen tot een totaalvergoeding van € 435.746,36, waarbij een tarief voor Yescarta (het geneesmiddel van de CAR-T-behandeling) is aangehouden van € 310.650,-.
2.2.
Voor zover van belang laten de kanttekeningen van de deskundige zich als volgt samenvatten:passende vergoeding voor Yescarta

de deskundige is niet bekend met de vertrouwelijke korting op de AIP voor Yescarta, zoals afgesproken tussen VWS en fabrikant Gilead om toegelaten te worden tot het basispakket; de deskundige is uitgegaan van de door het Zorginstituut geadviseerde minimumkorting van 5% (zie hierna, 2.3-2.7);

de contractprijs, overeengekomen tussen Zilveren Kruis Achmea een zorgaanbieder, kan afwijken van het NZa-maximumtarief (hierna, 2.8-2.10);

overige kosten

voor zover Avéro Achmea reeds declaraties heeft voldaan, dient het bedrag van deze declaraties te worden afgetrokken van wat Avéro Achmea nog moet vergoeden (hierna, 2.12-2.13);

kosten van medicatie buiten het ziekenhuis en fysiotherapie thuis zijn buiten beschouwing gelaten (hierna, 2.14-2.16);

op basis van nader door [geïntimeerde] aangeleverde informatie is de deskundige uitgegaan van 26 IC-dagen (hierna, 2.11).

Opmerkingen Avéro Achmea

vertrouwelijke korting
2.3.
Opmerkingen van Avéro Achmea met betrekking tot de inhoud van het deskundigenbericht zien ten eerste op de hiervoor in 2.2 onder a. genoemde kanttekening van de deskundige. In haar bericht (p. 10) heeft de deskundige hierover onder meer het volgende opgenomen:

“Nieuwe ziekenhuisgeneesmiddelen (ook wel intramurale geneesmiddelen genoemd) zijn soms heel duur en vaak is onduidelijk hoe goed ze werken en bij wie. In de zogenaamde ‘sluis’ beoordelen het Zorginstituut en het ministerie van VWS of deze medicijnen hun prijs waard zijn en ten laste van de van de Zorgverzekeringswet kunnen worden vergoed. Medicijnen worden alleen vergoed als ze net zo goed als of beter werken dan de medicijnen die al worden vergoed én een redelijke prijs hebben. Is de prijs van het medicijn redelijk voor wat het de patiënt en de samenleving oplevert? Het Zorginstituut adviseert de minister over de werking van het medicijn en of de vraagprijs wel een pakketwaardige prijs is. Als de vraagprijs van de fabrikant (AIP) hoger is dan deze pakketwaardige prijs en/of het kostenbeslag hoog is, adviseert het Zorginstituut de minister het geneesmiddel niet op te nemen in het verzekerde pakket, tenzij de fabrikant de vraagprijs met minimaal x% verlaagt ten opzichte van de AIP. Op geneesmiddelniveau is onbekend voor welke prijs (lager dan de AIP) een middel is opgenomen tot het verzekerde pakket; dat weten alleen het ministerie van VWS en de betreffende fabrikant. Op geaggregeerd niveau rapporteert het ministerie van VWS over de afgesloten financiële arrangementen met fabrikanten van sluisgeneesmiddelen en op geaggregeerd niveau via een Trusted Third Party ontvangen zorgverzekeraars van de fabrikant de korting maal het volume. Uit deze rapportages volgt dat de minister – ten opzichte van de door het Zorginstituut geadviseerde maximale pakketwaardige prijs – zowel hogere prijzen toestaat (dus minder korting bedingt) als lagere prijzen (dus hogere korting) bereikt.

Yescarta is vanwege de hoge vraagprijs in de sluis geplaatst. Vervolgens heeft de minister, na een vertrouwelijke prijsonderhandeling met Gilead over een korting op de vraagprijs (AIP), Yescarta opgenomen in het verzekerde pakket. Dit betekent dat zorgverzekeraars, waaronder Zilveren Kruis Achmea, een lager bedrag ten laste van de Zvw vergoeden dan de AIP van€ 327.000,00. Het Zorginstituut heeft in 2021 en 2024 Yescarta opnieuw beoordeeld en de minister geadviseerd over de minimale korting die nodig is om te komen tot een pakketwaardige prijs.

Wij hebben voor het benaderen van een juiste vergoeding voor Yescarta, Zorginstituut Nederland en het ministerie van VWS gevraagd met ons mee te denken. Het ministerie geeft aan dat zij de vertrouwelijke korting, die zij met de fabrikant is overeengekomen, niet aan ons kan verstrekken. De leverancier, Gilead, heeft wel de ruimte om de overeengekomen vergoeding met derden te delen. Hoewel wij bij de leverancier verder geen navraag meer hebben gedaan, kan er van worden uitgegaan dat ook Gilead geen inzicht zal verschaffen in de hoogte van de met het ministerie van VWS overeengekomen kortingen. Daarom geven zowel het Zorginstituut als het ministerie van VWS aan dat de adviezen van het Zorginstituut over een pakketwaardige prijs van Yescarta, in deze zaak gebruikt kunnen worden voor het bepalen van een reële vergoedingsprijs voor Yescarta.”
2.4.
Het bezwaar van Avéro Achmea richt zich er in de eerste plaats op dat de deskundige heeft nagelaten om bij de leverancier Gilead navraag te doen naar de korting die in de eerste sluisonderhandeling was gerealiseerd. Immers: naar zeggen van de deskundige had Gilead, anders dan het ministerie van VWS, wel de ruimte om de overeengekomen vergoeding met derden te delen.
2.5.
Het hof verwerpt dit bezwaar. Zoals de deskundige in haar bericht heeft vermeld kan er volgens haar van worden uitgegaan dat Gilead geen inzicht zal verschaffen in de hoogte van de met het ministerie van VWS overeengekomen kortingen. Avéro Achmea heeft niet toegelicht dat en waarom de visie van de deskundige op dit punt onjuist zou zijn. Die visie komt het hof overigens aannemelijk voor, mede gelet op de evidente belangen van Gilead bij geheimhouding en de door de deskundige beschreven procedure via een Trusted Third Party waarmee de kortingen feitelijk worden verstrekt zonder dat ze op individueel niveau identificeerbaar zijn voor de zorgverzekeraars.
2.6.
In de tweede plaats vindt Avéro Achmea dat de deskundige niet duidelijk heeft gemaakt waarom zij heeft gekozen voor de door het Zorginstituut geadviseerde minimumkorting. Avéro Achmea verzoekt het hof om bij het vaststellen van een vergoedingsprijs voor Yescarta in zijn beoordeling mee te nemen dat de in het deskundigenbericht genoemde korting slechts een minimumkorting is en de daadwerkelijke korting hoger kan zijn.
2.7.
Het hof ziet geen aanleiding om van een hoger kortingspercentage uit te gaan. Uit het deskundigenbericht (hiervoor, 2.3 (slot)) blijkt dat de deskundige zowel het Zorginstituut als het ministerie van VWS heeft geraadpleegd over deze kwestie, en dat de uitkomst hiervan is dat volgens beide de adviezen van het Zorginstituut over een pakketwaardige prijs van Yescarta, in deze zaak gebruikt kunnen worden voor het bepalen van een reële vergoedingsprijs voor Yescarta. Verder verdient aantekening dat volgens de deskundige uit de door haar genoemde rapportages volgt dat de minister – ten opzichte van de door het Zorginstituut geadviseerde maximale pakketwaardige prijs – in het algemeen zowel hogere prijzen toestaat (dus minder korting bedingt) als lagere prijzen (dus hogere korting) bereikt. Naar het hof begrijpt is tegen deze achtergrond niet alleen denkbaar dat in eerste instantie een hogere korting is bedongen dan de door het Zorginstituut geadviseerde minimumkorting, zoals Avéro Achmea aanvoert, maar is evenmin uitgesloten dat een lagere korting dan die geadviseerde minimumkorting is gerealiseerd. Tegen de achtergrond van dit een en ander ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van het advies van de deskundige. De stelling dat uit de pakketadviezen van het Zorginstituut blijkt dat het kortingspercentage in de relevante periode een stijgende lijn vertoont, doet aan dit alles overigens niet af, nu het hier gaat om de hypothetische situatie in 2018 (toen het middel in Nederland nog in het geheel niet op de markt was).

NZa-maximumtarief
2.8.
Ten tweede heeft Avéro Achmea een opmerking bij de hiervoor in 2.2 onder b. genoemde kanttekening van de deskundige. In haar bericht heeft de deskundige hierover het volgende opgenomen (p. 11):

“Daar waar sprake is van gereguleerde tarieven hebben wij in dit onderzoek het NZa-maximumtarief gehanteerd. Het NZa-maximumtarief is niet per definitie hetzelfde als het bedrag dat een zorgverzekeraar vergoedt. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars kunnen een vergoeding (contractprijs) met elkaar overeenkomen die onder het NZa maximumtarief ligt. Verder geldt, dat wanneer een patiënt, c.q. verzekerde, naar een ongecontracteerde zorgaanbieder gaat, het afhankelijk is van de polis van die verzekerde welk percentage van het NZa-maximumtarief of van het gemiddeld gecontracteerde, marktconforme tarief een zorgverzekeraar vergoedt.

Of voor Yescarta door zorgverzekeraars en zorgaanbieders vergoedingen (contractprijzen) worden afgesproken die onder het NZa-maxtarief liggen, is bij de NZa niet bekend. We hebben deze factor bij onze doorrekening daarom buiten beschouwing gelaten. Slechts wanneer Zilveren Kruis Achmea zelf pro actief, dan wel op verzoek van het Hof, bereid is haar gemiddeld gecontracteerde contractprijs voor Yescarta met het Hof te delen, zou het Hof met die informatie rekening kunnen houden bij de definitieve vaststelling van een naar Nederlandse marktomstandigheden passende vergoeding voor Yescarta.”
2.9.
Volgens Avéro Achmea heeft de deskundige, door uit te gaan van maximumtarieven, terwijl in de praktijk voor had kunnen komen dat zorgverzekeraars een lager tarief vergoeden en/of de verzekerde op grond van de polisvoorwaarden slechts aanspraak zou hebben op een deel van het tarief dat de zorgverzekeraar in kwestie hanteerde in geval van niet gecontracteerde zorg, verzuimd om antwoord te geven op de vraag welk tarief naar Nederlandse marktomstandigheden geldend of passend zou zijn geweest.
2.10.
Het hof verwerpt ook dit bezwaar. De deskundige heeft vermeld dat haar niet bekend is of voor Yescarta door zorgverzekeraars en zorgaanbieders vergoedingen (contractprijzen) worden afgesproken die onder het NZa-maximumtarief liggen. Naar het hof begrijpt is haar ook niet bekend of dit in het verleden (bij de introductie van Yescarta op de Nederlandse markt) zo was. Bovendien gaat Avéro Achmea niet inhoudelijk in op de suggestie van de deskundige dat Avéro Achmea zelf, als destijds ook actieve zorgverzekeraar, informatie hierover zou kunnen verschaffen voor zover het althans zou gaan om haar eigen afspraken met zorgaanbieders. Een eventuele beperking op grond van de polisvoorwaarden voor niet gecontracteerde zorg behoorde niet tot de vraagstelling aan de deskundige, en Avéro Achmea heeft hierover verder ook geen informatie verstrekt, zodat het hof hiermee verder ook geen rekening kan houden.

IC-dagen
2.11.
Ten derde heeft Avéro Achmea bezwaar tegen het door de deskundige in aanmerking genomen aantal van 26 IC-dagen (hiervoor, 2.2 onder e.). Avéro Achmea betwist niet dat die IC-dagen er waren, maar vindt dat niet onderbouwd is dat deze medisch noodzakelijk waren, terwijl IC-opname volgens haar ook niet in overeenstemming is met de Nederlandse praktijk en het daarvoor vigerende protocol. Of dit laatste het geval is kan het hof zonder nadere toelichting op dat protocol, die ontbreekt, niet vaststellen. Verder tekent het hof aan dat niet duidelijk is van wanneer dat protocol (c.q. de gestelde behandeling op een reguliere verpleegafdeling in plaats van op de IC) dateert; het overgelegde protocol vermeldt in de koptekst alleen geldigheid voor 20-21 april 2026. Het hof kan daarom niet uitsluiten dat in eerdere fases van behandeling met Yescarta IC-opname niet ongebruikelijk was (c.q. zou zijn geweest), noch dat wellicht medische bijzonderheden daartoe in het geval van [geïntimeerde] noodzaakten. Het hof ziet daarom ook geen aanleiding om af te wijken van het in het deskundigenbericht in aanmerking genomen feitelijke aantal van 26 IC-dagen.

Opmerkingen [geïntimeerde]

Aftrek reeds betaalde declaraties
2.12.
[geïntimeerde] voert met betrekking tot de hiervoor in 2.2 onder c. vermelde kanttekening van de deskundige aan dat Avéro Achmea tot het bedrag van (omgerekend) € 23.009,65 declaraties heeft erkend, en deze ook heeft betaald. [geïntimeerde] stelt dat deze (erkende en) betaalde declaraties niet, zoals de deskundige stelt, in mindering moeten worden gebracht op wat Avéro Achmea volgens het advies van de deskundige aan hem moet vergoeden, maar slechts het deel van deze declaraties dat volgens het bericht van de deskundige voor vergoeding in aanmerking komt.
2.13.
Dit verweer is tardief. [geïntimeerde] had de nu door hem gestelde erkenning van de door hem bedoelde declaraties door Avéro Achmea, en de mogelijkheid dat de deskundige deze voor een lager bedrag vergoedbaar zou oordelen, al bij zijn uitlating over de vraagstelling aan de deskundige aan de orde kunnen stellen, en in elk geval in zijn reactie op het conceptrapport waarin de door de deskundige genoemde aftrek naar het hof begrijpt reeds was geadresseerd (blijkens de aanvulling op het rapport, waarin niet is vermeld dat het rapport op dit punt is aangepast ten opzichte van het concept). Overigens heeft [geïntimeerde] niet toegelicht dat uit de declaraties en de daarbij opgegeven specificaties enerzijds en het deskundigenbericht anderzijds niet zou zijn af te leiden in hoeverre de deskundige declaraties eventueel niet vergoedbaar heeft geoordeeld c.q. dat de deskundige deze effectief niet integraal vergoedbaar heeft geoordeeld. Op het vergoedbare bedrag dienen de bedoelde declaraties daarom integraal in mindering te worden gebracht.

Extramurale medicatie en fysiotherapie
2.14.
[geïntimeerde] heeft verder bezwaren tegen de hiervoor in 2.2 onder d. vermelde kanttekening van de deskundige. In haar bericht heeft de deskundige hierover het volgende opgenomen:

“Wij hebben in dit deskundigenonderzoek de volgende kosten buiten beschouwing gelaten:

Medicatie buiten het ziekenhuis (outpatient medication): dit is medicatie die wel is voorgeschreven door het UMHS, maar door [geïntimeerde] zelf bij een apotheek opgehaald moest worden en vervolgens in de thuissituatie gebruikt werd. In Nederland worden dit extramurale geneesmiddelen genoemd. Deze geneesmiddelen worden in Nederland gedeclareerd door de openbare apotheek en vallen niet onder de prestatie- en tariefregulering van de NZa. Het is voor ons gelet op de hoeveelheid extramurale geneesmiddelen en variërende dosering niet uitvoerbaar om alle extramurale geneesmiddelen te vertalen naar Nederlandse Zl-nummers en bijbehorend tarief.Het is voor ons overigens ook niet duidelijk in hoeverre deze medicatie onderdeel is geweest van de nota's uit productie 14. Indien deze medicatie wel onderdeel blijkt van de nota's uit productie 14, dan dient het totaalbedrag zoals genoemd in 2.2. hiervoor opgehoogd te worden, mits de hierop betrekking hebbende kosten alsnog inzichtelijk kunnen worden gemaakt.

Fysiotherapie thuis: in het dossier wordt vermeld dat patiënt thuis fysiotherapie krijgt. Het is voor ons niet duidelijk of deze fysiotherapie onderdeel is van de nota's uit productie 14. Ook is niet bekend wanneer en hoe vaak fysiotherapie is geleverd. Fysiotherapie die niet in of door het ziekenhuis zelf wordt geleverd, wordt in Nederland door de fysiotherapiepraktijk, waar een patiënt in behandeling is, zelf gedeclareerd. Deze fysiotherapie is dus geen onderdeel van de gedeclareerde dbc-zorgproducten. Indien deze fysiotherapie wel onderdeel blijkt van de nota's uit productie 14, dan dient het totaalbedrag zoals hierboven genoemd in 2.2. hiervoor opgehoogd te worden, mits de hierop betrekking hebbende kosten alsnog inzichtelijk kunnen worden gemaakt.”
2.15.
[geïntimeerde] stelt dat de deskundige met de kosten van de hiervoor bedoelde medicatie en fysiotherapie ten onrechte geen rekening heeft gehouden.
2.16.
Het hof passeert ook dit bezwaar. In de eerste plaats heeft de deskundige met haar bericht tot uitdrukking gebracht dat voor haar niet duidelijk is of de hier bedoelde medicatie en fysiotherapie deel uitmaken van de door [geïntimeerde] ingediende nota’s, waarvan hij vergoeding vordert. Slechts het beoordelen van deze nota’s was de opdracht van de deskundige. [geïntimeerde] heeft niet toegelicht dat deze medicatie en fysiotherapie wel (geheel of ten dele) met deze nota’s in rekening zijn gebracht en waaruit dat blijkt, en wat dit betekent voor zijn aanspraak. [geïntimeerde] heeft bovendien niet toegelicht waarom hij dit punt niet al heeft gemaakt bij zijn reactie op het conceptrapport, waarin dit punt naar het hof begrijpt reeds was geadresseerd (blijkens de aanvulling op het rapport, waarin niet is vermeld dat het rapport op dit punt is aangepast ten opzichte van het concept). Als [geïntimeerde] zijn punt toen zou hebben gemaakt, had de deskundige hierover nog nader kunnen rapporteren. Het pas te berde brengen van dit onderwerp nadat de deskundige haar eindrapport heeft ingeleverd, terwijl het eerder had gekund, is in strijd met de goede procesorde.

Slotsom; proceskosten
2.17.
De grieven behoeven geen verdere bespreking. De slotsom is dat het hoger beroep van Avéro Achmea gedeeltelijk slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover Avéro Achmea is veroordeeld om in hoofdsom méér aan [geïntimeerde] te voldoen dan het door de deskundige geadviseerde bedrag van € 435.746,36 -/- de door Avéro Achmea reeds vrijwillig betaalde nota’s ten bedrage van € 23.009,65 = € 412.736,71.
2.18.
De rechtbank heeft in eerste aanleg een hoger bedrag in hoofdsom toegewezen, en wat de wettelijke rente betreft een splitsing gemaakt door over het bedrag van € 493.047,35 de wettelijke rente toe te kennen vanaf 3 mei 2018, en over het bedrag van € 80.727,51 vanaf 23 augustus 2018. Tegen deze ingangsdata van de wettelijke rente heeft Avéro Achmea geen grieven gericht. Uit het deskundigenbericht is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet af te leiden in hoeverre het door de deskundige geadviseerde bedrag van € 435.246,36 betrekking heeft op nota’s die onder het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag van € 493.047,35 vallen (wettelijke rente vanaf 3 mei 2018) en in hoeverre op het bedrag van € 80.727,51 (wettelijke rente vanaf 23 augustus 2018). Het hof zal schattenderwijs het toe te wijzen bedrag in dezelfde verhouding als de rechtbank heeft gedaan, toerekenen aan de onderscheiden rente-ingangsdata. Deze verhouding € 493.047,35:€ 80.727,51 van de rechtbank komt voor het toe te wijzen bedrag neer op een bedrag van € 412.736,71 x € 493.047,35/(€ 493.047,35 + € 80.727,51) = € 354.666,53 met rente-ingangsdatum 3 mei 2018, en een bedrag van € 412.736,71 x € 80.727,51/(€ 493.047,35 + € 80.727,51) = € 58.070,18 met rente-ingangsdatum 23 augustus 2018.
2.19.
Het hof ziet geen aanleiding om anders te oordelen over de door de rechtbank in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling ten laste van Avéro Achmea. Weliswaar oordeelt het hof het verweer van Avéro Achmea tegen de vordering van [geïntimeerde] gedeeltelijk gegrond; per saldo heeft Avéro Achmea nog steeds te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het in de eerste plaats op de weg van Avéro Achmea lag om de door [geïntimeerde] ingediende declaraties te beoordelen en daarvan het door haar op grond van de afgesloten verzekering verschuldigde bedrag te vergoeden. Dat [geïntimeerde] in het kader van de onderhavige procedure een hoger bedrag vordert dan uiteindelijk toewijsbaar blijkt, kan hem in dit kader niet of althans in aanmerkelijk mindere mate worden toegerekend.
2.20.
Om deze reden zal het hof Avéro Achmea ook veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden op € 1.727,- voor het griffierecht en 4 punten x appeltarief VII = € 22.476,- voor het salaris van de advocaat, te vermeerderen met € 189,-voor het nasalaris, totaal € 24.392,-. In het geval van betekening na vergeefse aanschrijving zoals het dictum vermeldt, komt hier nog een bedrag van € 98,- voor extra nasalaris bij, plus de kosten van betekening.
2.21.
Avéro Achmea heeft gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van wat zij ter uitvoering van het bestreden eindvonnis aan hem heeft voldaan. Deze vordering is toewijsbaar, voor zover Avéro Achmea ingevolge het vonnis meer heeft voldaan dan wat zij volgens het hof aan [geïntimeerde] verschuldigd is.
<nr>3</nr>Beslissing
Het hof:
3.1.
Vernietigt het bestreden vonnis voor zover Avéro Achmea daarin is veroordeeld om méér aan [geïntimeerde] te voldoen dan (i) € 354.666,53, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2018 en € 58.070,18, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2018, en (ii) € 9.410,51 (de proceskosten);
3.2.
Bekrachtigt het vonnis voor het overige;
3.3.
Veroordeelt [geïntimeerde] om Avéro Achmea terug te betalen wat zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hem heeft voldaan, voor zover het hof dit vonnis met dit arrest vernietigt;
3.4.
Veroordeelt Avéro Achmea in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 24.392,-;
3.5.
Bepaalt dat als Avéro Achmea niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de in 3.4 genoemde proceskostenveroordeling heeft voldaan en de uitspraak vervolgens wordt betekend, zij de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
3.6.
Verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, P.M. Verbeek en B.R. ter Haar, en is ondertekend en uitgesproken door mr. J.E.H.M Pinckaers, rolraadsheer, ter openbare terechtzitting van 28 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Artikel delen