Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:2488

Erfrecht. Behoort naar erfgenaam overgeboekt en slechts deels teruggeboekt bedrag tot de nalatenschap of was sprake van een schenking vanwege de (financiële) hulp die deze erfgenaam aan zijn ouders heeft gegeven gedurende hun leven? Onvoldoende onderbouwing van de betwisting dat het bedrag tot de nalatenschap behoort in het kader van hetgeen uit de stukken blijkt. Is zijn aandeel in niet terugg...

Gerechtshof Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:2488 text/xml public 2026-08-06T14:50:03 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-07-14 200.357.128/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2488 text/html public 2026-08-06T14:47:47 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:2488 Gerechtshof Den Haag , 14-07-2026 / 200.357.128/01
Erfrecht. Behoort naar erfgenaam overgeboekt en slechts deels teruggeboekt bedrag tot de nalatenschap of was sprake van een schenking vanwege de (financiële) hulp die deze erfgenaam aan zijn ouders heeft gegeven gedurende hun leven? Onvoldoende onderbouwing van de betwisting dat het bedrag tot de nalatenschap behoort in het kader van hetgeen uit de stukken blijkt. Is zijn aandeel in niet teruggeboekte bedrag aan andere erfgenaam verbeurd? Niet voldaan aan vereiste van opzettelijke verzwijgen/verbergen.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie

Zaaknummer hof : 200.357.128/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/674671 / HA ZA 24-924

Arrest van 14 juli 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [woonplaats] (Verenigde Arabische Emiraten),

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.A.G. Balkenende, kantoorhoudend in Katwijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.J. van der Kroon, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .
<nr>1</nr>De zaak in het kort 1.1
Op 23 mei 2023 is de moeder van partijen, [de moeder/erflaatster] (hierna: erflaatster en/of moeder) overleden, Haar beide zonen zijn haar erfgenamen. Erflaatster ontving op 23 augustus 2021 een bedrag van € 30.000,- uit de nalatenschap van haar zuster. Dit bedrag is vervolgens een dag later overgeboekt op een rekening van [appellant] . Op 24 september 2021 heeft [appellant] van dit bedrag € 15.000,- overgemaakt naar erflaatster. Het resterende gedeelte is op de rekening van [appellant] blijven staan.
1.2
In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van partijen is een geschil ontstaan. Kern van het onderhavige geschil is of het resterende bedrag van € 15.000,- dat op de bankrekening van [appellant] is blijven staan, een schenking van erflaatster aan [appellant] is geweest, of dat dit bedrag onverschuldigd aan [appellant] is betaald, zodat tot de nalatenschap van erflaatster behoort een vordering van € 15.000,- op [appellant] .
<nr>2</nr>Procesverloop in hoger beroep 2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 27 juni 2025, waarmee [appellant] in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 april 2025, hierna: het bestreden vonnis;

de memorie van grieven van [appellant] ;

de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel (eiswijziging) van [geïntimeerde] ;

de memorie van antwoord in incidenteel appel van [appellant] .
2.2
Op 16 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, de advocaat van [appellant] aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.
<nr>3</nr>Het bestreden vonnis 3.1
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank:

- de verdeling van de nalatenschap van erflaatster vastgesteld als overwogen in 3.17 van het bestreden vonnis;

- [appellant] veroordeeld wegens overbedeling tot betaling aan [geïntimeerde] van € 16.115,32.

Verder heeft de rechtbank het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.2
R.o. 3.17 en 3.18 van het bestreden vonnis luiden als volgt:

“3.17. De conclusie is dat de nalatenschap zal worden verdeeld als volgt:

a. de vordering van de nalatenschap op [appellant] van € 15.000,00, uit hoofde van onverschuldigde betaling, wordt toegedeeld aan [appellant] , als gevolg waarvan [geïntimeerde] een vordering verkrijgt op [appellant] van € 7.500,00 vanwege overbedeling;

b. het (totale resterende) saldo op de ervenrekening van € 17.418,13 wordt toegedeeld aan [appellant] , als gevolg waarvan [geïntimeerde] een vordering verkrijgt op [appellant] van € 8.709,07 vanwege overbedeling;

c. de helft van de vordering op de Belastingdienst wordt toegedeeld aan [appellant] , en de andere helft aan [geïntimeerde] ; en

d. de sierraden worden toegedeeld aan [geïntimeerde] , als gevolg waarvan [appellant] een vordering verkrijgt op [geïntimeerde] van € 93,75 vanwege overbedeling.
3.18.
Het resultaat van de vorderingen vanwege overbedeling over en weer is dat [appellant] een bedrag aan [geïntimeerde] dient te betalen van € 16.115,32.”
<nr>4</nr>Vorderingen in hoger beroep 4.1
[appellant] vordert dat het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt, en, opnieuw rechtdoende [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen, dan wel de vorderingen afwijst, subsidiair afwijst voor zover deze het bedrag van totaal € 8.615,32 (hof: € 16.115,32 minus € 7.500,-) te boven gaan, met veroordeling van [geïntimeerde] om het teveel betaalde bedrag ad € 7.500,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 mei 2025 (de dag van de betaling aan [geïntimeerde] ) aan [appellant] terug te betalen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, het salaris van de advocaat van [appellant] daaronder begrepen.
4.2
[geïntimeerde] vordert in incidenteel hoger beroep:

primair

ten aanzien van het bedrag ad € 15.000,- te bepalen dat [appellant] zijn aandeel in dat bedrag ad € 7.500,- verbeurt aan [geïntimeerde] en [appellant] te veroordelen om het bedrag ad € 7.500,- te betalen aan [geïntimeerde] ;

subsidiair

de door de rechtbank toegewezen vorderingen te bekrachtigen;

en de proceskosten in het principaal en incidenteel hoger beroep tussen partijen te compenseren.
<nr>5</nr>Beoordeling in hoger beroep Schenking van € 15.000,-? 5.1
Het hof gaat uit van de door de door rechtbank gestelde feiten tenzij daartegen een grief is gericht.
5.2
In de randnummers 4 tot en met 27 van de memorie van grieven geeft [appellant] nog enige achtergrondinformatie met betrekking tot het verleden, toen de ouders van [appellant] en [geïntimeerde] nog leefden. [appellant] heeft voor zijn ouders een huis gekocht in [plaats] . Na de verhuizing naar [plaats] heeft hij zijn ouders financieel ondersteund. In randnummer 22 van zijn memorie van grieven heeft [appellant] gesteld dat hij alle verhuizingen, opknapbeurten enz., heeft geregeld en betaald. Nadat [appellant] een villa had gekocht in [plaats] aan [adres] , zijn de ouders van partijen verhuisd naar de woning van [appellant] aan [adres] in [plaats] . Na het overlijden van de vader van partijen heeft de moeder van partijen aan [appellant] verzocht om haar financiën bij te houden. Om de financiën van de moeder van partijen transparant te doen voor beide broers werden de aangiftes Inkomstenbelasting steeds verzorgd door [geïntimeerde] . Ook tijdens de mondelinge behandeling op 16 april 2026 heeft [appellant] nogmaals naar voren gebracht dat hij ook in financiële zin veel voor zijn ouders heeft gedaan. In randnummer 27 van de memorie van grieven stelt [appellant] dat het voor hem voldoende was als hij een schenking kreeg van € 15.000,- voor alle kosten die hij in de loop van de jaren voor zijn ouders heeft betaald.
5.3
In randnummer 2 van zijn memorie van antwoord stelt [geïntimeerde] dat de feiten die [appellant] in de randnummers 1 tot en met 34 weergeeft onjuist zijn en grotendeels onnodig voor deze procedure. [geïntimeerde] stelt dat [appellant] de bewijslast draagt dat moeder zou hebben verklaard dat hij het geld van € 15.000,- uit de nalatenschap van de zuster van moeder, [de zuster van moeder] , zou mogen houden. Door [geïntimeerde] wordt gesteld dat bij moeder in 2021 dementie is vastgesteld en dat [appellant] voor moeder een dementieklok heeft gekocht. In randnummer 12 van zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel stelt [geïntimeerde] dat op [appellant] de bewijslast rust dat moeder aan [appellant] een bedrag van € 15.000,- heeft geschonken, hetgeen hij betwist, en dat [appellant] dat bewijs niet heeft geleverd..
5.4
Het hof overweegt als volgt. Uit het betoog van [appellant] volgt dat hij gedurende het leven van zijn ouders ook in financiële zin veel voor zijn ouders heeft gedaan. Wat hij in financiële zin heeft gedaan, heeft [appellant] ook concreet onderbouwd. [geïntimeerde] erkent dat [appellant] een dementieklok voor moeder heeft gekocht en hij weerspreekt niet expliciet dat [appellant] voor hun ouders voor woonruimte in [plaats] heeft gezorgd en de verhuizingen en opknapbeurten heeft betaald.
5.5
Uit het betoog van [appellant] volgt dat hij jegens zijn ouders gehandeld heeft uit vrijgevigheid om zo te zorgen voor zijn ouders. Dit impliceert dat wat hij heeft gegeven, in beginsel niet meer terugbetaald kan krijgen.
5.6
Het hof volgt het standpunt van [geïntimeerde] dat de bewijslast hier op [appellant] rust niet, maar is, net als de rechtbank, van oordeel dat [appellant] de met objectieve aanwijzingen gemotiveerde stelling van [geïntimeerde] dat het resterende bedrag van € 15.000,- tot de nalatenschap behoort onvoldoende onderbouwd heeft weersproken met zijn stelling dat voor dat bedrag sprake is geweest van een schenking van moeder aan [appellant] . Vaststaat dat een bedrag van € 30.000,- (erfenis [de zuster van moeder] ) eerst op de rekening van moeder is gestort en vervolgens door [appellant] is gestort op zijn rekening. Voorts heeft [appellant] schriftelijk aan [geïntimeerde] medegedeeld: “De Euro 30.000 die ik even ‘geparkeerd’ had op mijn prive rekening ga ik in overleg met mijn fiscalist terugstorten op de rekening van Ma omdat dit nu inderdaad niet handig lijkt”. In deze reactie van [appellant] aan [geïntimeerde] is niet vermeld dat alleen de helft zal worden teruggestort en dat een bedrag van € 15.000,- moet worden aangemerkt als een schenking van moeder aan [appellant] voor alles wat hij in het verleden voor zijn ouders heeft gedaan in financiële zin. Daarvoor zijn ook geen objectieve aanwijzingen te vinden in de overgelegde stukken. De omschrijving bij de initiële overboeking op de rekening van [appellant] (‘deposit’) en de hiervoor geciteerde mededeling van [appellant] dat het bedrag van € 30.000,- zal worden teruggestort wijzen eerder op het tegendeel, en [appellant] heeft hiervoor onvoldoende verklaring gegeven. Deze aanwijzingen zijn immers moeilijk te rijmen met het standpunt van [appellant] over de door moeder gedane schenking en zijn (lastig te volgen) verklaringen over de (fiscale) motieven voor (de door hem gedane mededeling over) de terugboeking. Ook een aangifte schenkbelasting ontbreekt zonder goede verklaring. Het hof is derhalve van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist en neemt die gronden na een eigen afweging te hebben genomen tot de zijne. Nu [appellant] zijn standpunt in het licht van de gemotiveerde stellingen van [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd, komt het hof aan zijn bewijsaanbod - wat daar verder ook van zij - niet toe. De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] niet slaagt.

Verbeurte op grond van artikel 3:194 lid 2 BW?
5.7
In incidenteel appel stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat [appellant] zijn aandeel in het bedrag van € 15.000,- op de voet van artikel 3:194 lid 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan hem heeft verbeurd. [appellant] weerspreekt dat hij het bedrag van € 15.000,- opzettelijk verborgen heeft gehouden.
5.8
Het hof overweegt als volgt. Artikel 3:194 lid 2 BW bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten. De strekking en functie van deze bepaling zijn om oneerlijk gedrag van de deelgenoten - dat tot doel heeft de rechten van de ander te verkorten - tegenover elkaar te ontmoedigen en om de deelgenoten te stimuleren om openheid van zaken te geven. Aan het vereiste van de opzet worden zware eisen gesteld.
5.9
Het hof is van oordeel dat in deze zaak geen reden is voor de door [geïntimeerde] gevorderde verbeurdverklaring. [appellant] heeft nog tijdens het leven van erflaatster jegens [geïntimeerde] openheid van zaken over gegeven over het bedrag dat op zijn bankrekening stond, zodat dit bij beiden bekend was. Het ging destijds ook niet om een goed van de nalatenschap aangezien erflaatster nog in leven was. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de stukken en het ter zitting verhandelde voldoende dat [appellant] daarna niet uit kwade opzet een deel van het bedrag, groot € 15.000,-, op zijn bankrekening heeft laten staan, maar in de oprechte overtuiging leefde dat dit bedrag aan hem was geschonken en niet tot de nalatenschap behoorde. Daarover heeft hij aan [geïntimeerde] bij navraag ook uitleg gegeven. De incidentele grief van [geïntimeerde] treft derhalve geen doel.

Proceskosten
5.10
Gelet op de familierechtelijke aard van de zaak zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende vordering van [appellant] zal worden afgewezen.
5.11
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
<nr>6</nr>Beslissing
Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 april 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. A.F. Mollema, mr. A.N. Labohm en mr. A.S. Mertens-de Jong en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter

getekend door de rolraadsheer

Artikel delen