Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:2498

vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.

Gerechtshof Den Haag 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:2498 text/xml public 2026-08-05T16:06:07 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-06-16 200.359.980/01 I(1) Uitspraak Kort geding Tussenuitspraak NL Den Haag Civiel recht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2025:12840, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2498 text/html public 2026-08-03T09:13:04 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:2498 Gerechtshof Den Haag , 16-06-2026 / 200.359.980/01 I(1)
vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.359.980/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/704101 / KG ZA 25-772

Arrest van 16 juni 2026 in het incident

in de zaak van

National Iranian Oil Company,

gevestigd in Teheran, Iran,

appellante,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. A. Taheri-Bhajan, kantoorhoudend in Capelle aan den IJssel,

tegen

Heuvel Vastgoed B.V.,

gevestigd in Deventer

geïntimeerde,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. J.J. Bakker, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna NIOC en Heuvel.
<nr>1</nr>De zaak in het kort 1.1
NIOC vordert in dit incident schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de bodemrechter. Het hof wijst deze vordering af .
<nr>2</nr>Procesverloop in hoger beroep 2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 2 september 2025, waarmee NIOC in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2025, met bijlage;

de memorie van grieven tevens verzoek tot ordemaatregel van NIOC, met bijlagen;

de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid voor betaling van proceskosten ex art. 224 Rv van Heuvel, met bijlagen;

de conclusie van antwoord in het incident tot zekerheidsstelling van NIOC, met bijlagen.

Heuvel heeft in dit incident geen conclusie van antwoord genomen.
<nr>3</nr>Aanleiding voor dit incident 3.1
Het gaat in deze zaak om het volgende
3.2
Crescent Gas Corporation Limited (hierna: Crescent) heeft naar aanleiding van een vordering op NIOC, een Iraans staatsbedrijf, en een tussen hen gewezen arbitraal vonnis van 27 september 2021 op 22 mei 2022 conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand van NIOC aan de Blaak 512 in Rotterdam (hierna: het pand). Het pand is vervolgens op 20 april 2023 op een openbare executieveiling verkocht en geleverd aan Heuvel. Het arbitraal vonnis is later door dit gerechtshof bekrachtigd.
3.3
Na de veiling hebben enkele procedures plaatsgevonden tussen NIOC en Heuvel, waarbij beslaglegging door NIOC en teruglevering van het pand van Heuvel aan NIOC centraal stonden. Volgens NIOC is Heuvel nooit eigenaar geworden van het pand. Na definitieve verlening van beslag op het pand, heeft de rechter in het vonnis van 23 juli 2025 (hierna: het vonnis in de bodemzaak) de vordering – zakelijk weergegeven – tot teruglevering aan NIOC afgewezen en het door NIOC gelegde beslag opgeheven.
3.4
Vervolgens heeft NIOC een kort geding aangespannen bij de rechtbank Rotterdam tegen Heuvel (hierna: de hoofdzaak), kort gezegd om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis in de bodemzaak te schorsen.
3.5
In het vonnis in de hoofdzaak van 6 augustus 2025 wees de voorzieningenrechter de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis in de bodemzaak van NIOC af. De voorzieningenrechter wees de tegenvordering van Heuvel in de hoofdzaak om inschrijving van het beslag op het pand door Heuvel te laten doorhalen, toe.
3.6
NIOC is in hoger beroep gekomen van het vonnis in de hoofdzaak, en heeft in haar memorie van grieven een “verzoek ordemaatregel” gedaan, eveneens aangeduid als “verzoek om voorzieningen”. Het hof begrijpt dit verzoek als een vordering voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv. Blijkens de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid voor betaling van proceskosten ex. art. 224 Rv heeft Heuvel het “verzoek ordemaatregel” eveneens zo opgevat.
3.7
Het hof beslist in dit arrest alleen op het door NIOC ingestelde incident. Heuvel heeft een incident ingesteld tot het stellen van zekerheidstelling voor de proceskosten van (onder meer) het hoger beroep, waarop het hof in een arrest van gelijke datum beslist.
<nr>4</nr>De vorderingen in dit incident 4.1
NIOC verzoekt het hof om bij wijze van voorlopige voorziening in afwachting van de inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak door het hof Heuvel te gebieden om I): het Blaakkantoor, in afwachting op de beslissing van het hof, niet te vervreemden en/of anderszins over te dragen dan wel te bezwaren, tegen verbeuren van een dwangsom van € 2.000.000,- (bij vervreemding) en € 250.000,- (bij bezwaren) en, II): Heuvel te gebieden om het vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam d.d. 23 juli 2025, met het zaaknummer C/10/663610/HA ZA 23-689 niet (verder) te gebruiken, tegen verbeuren van een dwangsom van 15.000,- per overtreding, met een maximum van 250.000,-
<nr>5</nr>Beoordeling van de vorderingen in het incident 5.1
Omdat NIOC een rechtspersoon is naar buitenlands recht, dient als eerste de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering in de hoofdzaak en het incident kennis te nemen. Het hof heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 2 Rv.
5.2
Het hof overweegt dat de vordering in het incident moet worden beoordeeld aan de hand van de regels die gelden voor de schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis.
5.3
De Hoge Raad heeft voor de beoordeling van een dergelijke vordering de volgende regels gegeven.

Uitgangspunt is dat een beslissing zonder nadere voorwaarden uitvoerbaar moet zijn, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de omstandigheden dat rechtvaardigen. Dat is het geval als het belang van de veroordeelde partij om de situatie te houden zoals die nu is, ondanks dat uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van de uitspraak.

Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen in de uitspraak van de rechtbank en moet niet worden gekeken niet naar de kans van slagen van een eventueel rechtsmiddel daartegen, tenzij zij op een kennelijke misslag berusten. In dat geval, kan de rechter dit in zijn oordeel betrekken.

Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, dan moet eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan haar vordering feiten of omstandigheden ten grondslag leggen waarmee in de uitspraak nog geen rekening kon worden gehouden doordat zij zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.
5.4
Het hof overweegt dat de rechtbank in het vonnis (in rov. 6.20) in de bodemzaak de uitvoerbaarheid bij voorraad heeft gemotiveerd.
5.5
NIOC heeft aangevoerd dat het vonnis van de bodemrechter berust op meerdere kennelijke misslagen. Het hof overweegt ten aanzien van de door NIOC gestelde misslagen als volgt. Het uitgangspunt bij de beoordeling of er sprake is van een kennelijke misslag, is het vonnis in de bodemzaak. NIOC voert aan dat de bodemrechter heeft nagelaten om op de vordering van NIOC tot revindicatie van de roerende zaken te oordelen. De bodemrechter heeft echter (ook) dat gedeelte van de vordering in haar dictum afgewezen. Dat de bodemrechter hier niet separaat op is ingegaan in haar overwegingen vormt geen kennelijke misslag. Ten aanzien van de overige door NIOC gestelde misslagen overweegt het hof dat het hier gaat om verschillen van inzicht die NIOC heeft, die de inhoudelijke beoordeling van de rechtbank betreffen of raken. Die geschilpunten liggen in de bodemzaak ter beoordeling voor en kunnen niet als kennelijke misslag worden aangemerkt. NIOC heeft het hof ook niet gewezen op nieuwe relevante feiten of omstandigheden die kunnen maken dat het hof in dit incident aan een belangenafweging toekomt.
5.6
De conclusie is dat de verzoeken van NIOC zullen worden afgewezen. Het hof zal de proceskosten in het incident reserveren tot aan de beslissing in de hoofdzaak.
<nr>6</nr>Beslissing
Het hof:

in het incident

wijst de vorderingen van NIOC af;

houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak;
in de hoofdzaak
- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. P. Volker, mr. H.J. van Harten en mr. B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Zie HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026

Artikel delen