Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:2514

Openlijk geweld Zalencentrum Opera Den Haag. Voldoende significante of wezenlijke bijdrage; voortdurend openlijk geweld in vereniging. Vordering benadeelde partijen van onder meer verbalisanten onder nummer en nationale politie.

Gerechtshof Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:2514 text/xml public 2026-08-06T12:26:03 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-07-16 22-001123-25 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:5269 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2514 text/html public 2026-08-06T12:25:28 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:2514 Gerechtshof Den Haag , 16-07-2026 / 22-001123-25
Openlijk geweld Zalencentrum Opera Den Haag. Voldoende significante of wezenlijke bijdrage; voortdurend openlijk geweld in vereniging. Vordering benadeelde partijen van onder meer verbalisanten onder nummer en nationale politie.

Rolnummer: 22-001123-25

Parketnummer: 09-246330-24

Datum uitspraak: 16 juli 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedatum] 1995,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 3 jaren. Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Niet alle vorderingen van de benadeelde partijen zijn in hoger beroep gehandhaafd. De benadeelde partijen die in eerste aanleg niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen en zich – hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld – in hoger beroep niet opnieuw hebben gevoegd, zijn thans niet meer aan de orde.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 17 februari 2024 te ‘s-Gravenhage openlijk, te weten, op en/of aan de Fruitweg en/of Parallelweg, althans in de nabijheid en/of in de buurt van het zalencentrum Opera (gelegen aan de Fruitweg), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen:

- personen, te weten politieambtenaren en/of brandweerpersoneel en/of journalisten en/of fotografen en/of personen in het zalencentrum Opera, en/of;

- goederen, te weten politievoertuigen en/of personenauto’s en/of een touringcar en/of één of meerdere gebouwen (onder andere zalencentrum Opera en/of naastgelegen en/of in de (directe) nabijheid gelegen gebouwen en/of een tankstation), door (meermalen):

- ( met stokken, stenen, messen en/of andere voorwerpen in de hand) (gegroepeerd) zich dreigend op te houden en/of op te stellen tegen en/of de confrontatie te zoeken/aan te gaan met de politie en/of brandweer en/of journalisten en/of fotografen, en/of;

- het zalencentrum Opera te bestormen en/of te proberen binnen te dringen (onder andere door (met meerdere personen tegelijk) op de politie en/of het zalencentrum Opera af te gaan/te rennen en/of te proberen zich door linies van de politie heen te dringen), en/of;

- ( stukken/brokken van) stoeptegels en/of stenen en/of fietsen en/of straatmeubilair en/of vuurwerk en/of brandend/brandbaar materiaal en/of één of meerdere andere voorwerpen, naar/tegen voornoemde personen en/of goederen te gooien, en/of;

- één of meerdere geparkeerde voertuigen een rijbaan op te duwen, en/of;

- één of meerdere (politie)voertuigen en/of een touringcar in brand te steken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
De beoordeling
Inleiding

Op 17 februari 2024 vond in het Opera Zalencentrum (hierna: het zalencentrum), gelegen aan de Fruitweg 28 te Den Haag, een bijeenkomst plaats, georganiseerd door de Federatie Eritrese Gemeenschappen in Nederland. Deze federatie vertegenwoordigt Eritreeërs die voornamelijk tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tussen 1961 en 1991 naar Nederland gevlucht zijn, veelal voorstander van het huidige Eritrese regime. In het zalencentrum waren zo’n 1500 personen aanwezig, waaronder hiervoor genoemde voorstanders.

Ongeveer 300 tot 500 andere Eritreeërs zijn op de hoogte geraakt van de locatie van deze bijeenkomst en hebben zich vanaf 16:00 uur (na)bij het zalencentrum verzameld. Deze personen waren voornamelijk Eritreeërs die na 1998 uit Eritrea zijn gevlucht voor het beleid van het huidige Eritrese regime en zijn daarom tegenstanders van dat regime (hierna ook genoemd: de tegenstanders). De politieke tegenstellingen tussen beide groepen veroorzaken spanning tussen de Eritreeërs buiten Eritrea. Die dag vanaf omstreeks 16:45 uur tot omstreeks 20:30 uur vonden bij het zalencentrum ongeregeldheden plaats. In verband daarmee zijn verschillende personen, waaronder de verdachte, aangehouden.

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging en daarmee – samen met anderen – strafrechtelijk aansprakelijk is voor dit geweld.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft - overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota - vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Bewijsoverwegingen

De feiten

Voorafgaand aan 17 februari 2024

Op 13 februari 2024 is door tegenstanders van het huidige regime in Eritrea een TikTok livestream uitgezonden waarbij de op 17 februari 2024 door de aanhangers voorgenomen bijeenkomst werd besproken en waarbij besproken is om de bijeenkomst te verstoren. Nadien is de locatie van de bijeenkomst bekend geworden en gedeeld via social media.

De ongeregeldheden

Op 17 februari 2024 omstreeks 16:00 uur verzamelden zich in de omgeving van het zalencentrum verschillende personen. Aanvankelijk was de sfeer beheersbaar, maar omstreeks 16:45 uur werden verbalisanten met stenen bekogeld. Toen omstreeks 17:15 uur bikers (politie te fiets) een aanhouding wilden verrichten, werd een fiets afgepakt en kreeg een agent deze fiets op zich gegooid. De sfeer sloeg vanaf dit moment om en de mobiele eenheid (hierna: de ME) moest de bikers ontzetten.

Omstreeks 17:45 uur waren ruim 300 tegenstanders in de buurt van het zalencentrum aanwezig. Ze probeerden het zalencentrum binnen te dringen en er werd geweld gebruikt tegen de verbalisanten: er was sprake van het gooien van stenen, het gooien van brandbaar materiaal en het bij zich dragen van dikke stokken (slagwapens) en grote messen. Ook werd met vuurwerk gegooid. Door de ME is geprobeerd de tegenstanders weg te drijven, onder meer door middel van meerdere linies, maar telkens werd door tegenstanders richting de linie gelopen en met stenen en fietsen naar de politie gegooid. Ook werden ijzeren palen uit de grond getrokken. De ME kreeg de opdracht om dynamisch op te treden: met het voertuig een groep benaderen, uitstappen, vegen en weer instappen. Dit is door de ME meerdere keren en op meerdere locaties rondom het zalencentrum uitgevoerd tot ongeveer 20:00 uur. Tijdens deze acties werd de ME telkens belaagd. Zo kreeg een ME-lid stenen van de voorkant en de achterkant, op zijn beenkappen, het schild, de helm en in de zij en werd er op een ME-lid ingeslagen met slagwapens en geprobeerd haar schild en wapenstok af te pakken. Er werd pepperspray gebruikt om hen op afstand te houden. Ook werd er brandbaar materiaal onder een politievoertuig gegooid en kwamen personen met de palen van verkeersborden op de voertuigen van de ME af en werd geprobeerd deze door de ME-voertuigen te boren.

Omstreeks 18:51 uur stond een politievoertuig op de rotonde bij het zalencentrum in brand en iets na 19:00 uur stond een ander politievoertuig bij het zalencentrum in brand. De brand sloeg vervolgens over op het zalencentrum, waarna de voorzijde van het zalencentrum in brand stond. De ramen van dat pand barstten. De ter plaatse komende brandweereenheid werd bij aankomst direct belaagd met stenen door meerdere personen, waardoor de brandweerlieden zich bedreigd voelden en direct zijn doorgereden naar de kazerne. Ondertussen keerde een groep van ongeveer 200 personen, voorzien van slagwapens en stenen, om 19:05 uur terug over de Fruitweg, met de kennelijke bedoeling om het zalencentrum te bestormen. De ME vormde op dat moment een cordon om het zalencentrum, om collega’s en de personen in het zalencentrum te beschermen. Rond 19:20 uur werd de druk op het cordon onhoudbaar en werd voor de veiligheid van de opsporingsambtenaren toestemming gegeven voor de inzet van traangas, maar ook dat weerhield de tegenstanders er niet van om geweld te blijven plegen: er werd volop met straatstenen en straatmeubilair gegooid. Daarnaast zijn ME’ers op deze avond bekogeld en aangevallen met allerhande wapens, kettingsloten, straatmeubilair, (bak)stenen en vuurwerk. Om 19:23 uur werd het zalencentrum opnieuw bestormd door een aantal personen en werd er brandend materiaal naar binnen gegooid.

Om iets voor 20:00 uur werd een touringcar die geparkeerd stond in de directe nabijheid van het zalencentrum, te weten in de Dynamostraat nabij de ingang van de HTM-remise, in brand gestoken. Diverse voertuigen rondom de touringcar raakten eveneens in brand en het gebouw, waarnaast de touringcar geparkeerd stond, liep gevaar om in brand te vliegen. Tijdens het blussen van de touringcar werd de brandweer bekogeld met stenen. Om 20:31 uur was de brand van de touringcar onder controle en omstreeks 20:33 uur bewogen de groepen tegenstanders zich richting het Zuiderpark. Om 21:34 uur was het weer rustig op de Fruitweg en de Troelstrakade.

Ten gevolge van de ongeregeldheden zijn verschillende ME-voertuigen zwaar beschadigd geraakt; schade bestaande uit onder andere lakschade, kapotte ramen , lekke banden en gaten in de flanken van de politievoertuigen. Twee politievoertuigen zijn geheel uitgebrand. Door de hitte van de brandende voertuigen zijn onder meer ramen gebarsten in het zalencentrum en is op diverse plekken het wegdek beschadigd. Bij het tankstation Avia Express zijn wapperborden en prullenbakken gestolen dan wel in brand gestoken/vernield. Verder zijn personenauto’s beschadigd geraakt of geheel uitgebrand.

Als gevolg van de ongeregeldheden en de stenen en voorwerpen die zijn gegooid, zijn tientallen politieambtenaren en anderen gewond geraakt. De verwondingen bestonden vooral uit blauwe plekken, (schaaf)wonden, zwellingen, verrekkingen en kneuzingen. Een ME-lid heeft een harde klap gekregen tegen het vizier van haar helm, waardoor haar linker voortand door haar bovenlip is geschoten en is afgebroken en een ander ME-lid heeft als gevolg van de harde klappen op haar helm en de ME-bus waarin zij reed een suis in het linkeroor.

Het handelen van de verdachte

Voor zover nodig, zal het hof hieronder ingaan op de verweren van de verdediging.

Ten behoeve van het onderzoek zijn camerabeelden in de directe omgeving van het zalencentrum uitgekeken, opgenomen in de periode van 17 februari 2024 ten tijde van de ongeregeldheden. Op deze beelden is een persoon te zien, aangeduid als NN091. Het signalement van NN091 betreft een man, 20-25 jaar oud, kortgeschoren zwart haar, een ruim zittend donkerblauw geruite jas met witte bontkraag en wit bont bij de mouwen, een wit met bruin/rood geruit overhemd onder de jas en een blauw/grijze ruim zittende joggingbroek met witte letters op het linker boven been (voorzijde) en het rechter boven been (achterzijde).

Een van de afbeeldingen van NN091 in het dossier betreft de volgende:

[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]

Waargenomen wordt dat NN091 tussen 18:31 uur en 20:15 uur onder meer:

- straatstenen vernielt;

- meermalen een gooiende beweging maakt naar een passerende ME-bus;

- tweemaal met anderen een voertuig vanuit een parkeervak op de rijbaan duwt;

- een gooiende beweging in de richting van het hekwerk van het zalencentrum maakt terwijl op dat moment achter het hekwerk meerdere ME-voertuigen en ME’ers staan, en

- sleept met een prullenbak.

Op enig moment is een nader onderzoek ingesteld naar de bodycambeelden waarop NN091 is te zien. Deze beelden zijn verscherpt. Op de beelden zijn de contouren van een kruisje te zien:

[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]

Blijkens een foto van de verdachte, verkregen van de IND, van 5 maart 2024 heeft de verdachte een tatoeage onder zijn rechteroog:

[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de rechtbank waargenomen dat de verdachte een tatoeage van een kruis onder zijn rechteroog heeft.

De politie heeft een mobiele telefoon (Samsung) onder de verdachte in beslag genomen.

De verdachte heeft verklaard dat hij één telefoon in gebruik heeft en dat dat de telefoon is die door de politie in beslag is genomen.

Naar de in beslag genomen telefoon is onderzoek gedaan. In de telefoon is een snapchat account met de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] aangetroffen, dat gebruikt werd in combinatie met het telefoonnummer [telefoonnummer] .

In de telefoon van de verdachte zijn onder meer twee afbeeldingen aangetroffen, aangemaakt op 2 maart 2024 respectievelijk 24 februari 2024, met daarop telkens een persoon in een blauwe jas met witte kraag.

[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]

[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]

Voorts is in de telefoon een filmpje aangetroffen, aangemaakt op 11 februari 2024 met daarop een persoon met een blauwe broek met een wit logo op het linker bovenbeen, voorzijde (waarneming hof).

[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen staan er diverse foto's in de telefoon van de verdachte in een blauw geblokte jas en een blauwe broek. De jas en de broek op de foto's komen overeen met de jas en de broek, welke NN091 droeg op 17 februari 2024 ten tijde van de ongeregeldheden.

Voorts is uit onderzoek gebleken dat de verdachte onder meer gebruik maakt van Facebook met ID [nummer 1] en TikTok met gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] . Op het Facebook-profiel van de verdachte is een video geüpload op 24 december 2023. Hierop is een persoon te zien op een vervoersmiddel. Volgens de verbalisant toont onder meer de jas die de persoon in de video draagt gelijkenissen met de blauw geblokte jas van NN091. De gelijkenissen bestaan volgens de verbalisant uit hetzelfde patroon (geblokt), een witte bontkraag, knopen aan de rechterzijde van de jas en wit bont bij de mouwen. Volgens de verbalisant is de verdachte op deze video zichtbaar.

[Afbeelding verwijderd i.v.m. pseudonimiseren.]

Uit analyse van de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op 17 februari 2024 om 16:54.30 uur een mast gebruikt in Amsterdam. Vervolgens is te zien dat het telefoonnummer [telefoonnummer] op 17 februari 2024 om 18:54.30 uur een mast gebruikt in Den Haag. Deze mast bevindt zich in de directe omgeving van de ongeregeldheden. Hierna wordt er op 17 februari 2024 om 22:53.01 uur weer een mast in Amsterdam gebruikt.

De verdachte heeft van 20 maart 2023 tot en met 20 februari 2024 verbleven op de locatie [adres] te Amsterdam.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de tante van de verdachte in Den Haag en meer specifiek in de omgeving van de [straatnaam] woont en dat de verdachte liever bij zijn tante verblijft dan in het AZC Ter Apel. Het hof begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat de verdachte op 17 februari 2024 mogelijk bij zijn tante in Den Haag is geweest als verklaring voor het aanstralen van een zendmast in de omgeving van de ongeregeldheden. Dit betreft echter niet een door de verdachte gegeven verklaring. Het hof gaat reeds hierom aan dit door de raadsman geschetste alternatief scenario voorbij.

De verdachte heeft zich wat betreft de verdenking grotendeels op zijn zwijgrecht beroepen. Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij niet NN091 is.

De verdachte heeft, in het licht van het voorgaande, zeer beperkt verklaard. Bij (door)vragen beriep de verdachte zich meermalen op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft in eerste aanleg volstaan met de verklaring dat hij niet NN091 is en dat hij ‘eigenlijk niks daarover wil zeggen’. De verdachte heeft in hoger beroep geen verklaring ter terechtzitting afgelegd. De verdachte heeft daardoor nimmer een redelijke, de redengevendheid van het tegen hem verzamelde bewijsmateriaal ontzenuwende verklaring gegeven voor feiten en omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd, redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte NN091 is. Deze omstandigheden zijn ieder op zich sterk, staan niet op zichzelf en grijpen onderling op elkaar in.

Het beoordelingskader voor openlijk geweld

Het hof dient te beoordelen of de verdachte medepleger is van openlijk gepleegd geweld en zo ja, voor welk gepleegd geweld hij strafrechtelijk aansprakelijk is.

Het beoordelingskader voor openlijke geweldpleging

Voor het “in vereniging” plegen van openlijk geweld moet worden nagegaan of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld. Daarbij kan van belang zijn dat openlijke geweldpleging in vereniging, gelet op de aard van het delict, zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar deze strafbaarstelling is ook toepasselijk op openlijk gepleegd geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan, samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. De vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben.

Van het “in vereniging” plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, waarbij deze bijdrage zelf niet gewelddadig hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen kan daarentegen wel van voldoende gewicht zijn. Gedragingen die bijdragen aan de sfeer van ontremming kunnen een significante of wezenlijke bijdrage zijn. Een bijdrage van voldoende gewicht kan mede bestaan uit het filmen van de geweldshandelingen als onderdeel van een gezamenlijke actie. De rechter moet beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Voortdurend openlijk geweld in vereniging

Op basis van de hiervoor gebruikte bewijsmiddelen stelt het hof vast dat tegenstanders van het regime in Eritrea op 17 februari 2024 naar het zalencentrum zijn gegaan om te demonstreren tegen de bijeenkomst die daar op dat moment plaatsvond. Het gemeenschappelijke doel van de groep was om die bijeenkomst te laten stoppen. Buiten het zalencentrum ontstonden op een gegeven moment ongeregeldheden. Daarbij hebben de geweldshandelingen, zoals die zijn ten laste gelegd achter de gedachtestreepjes, zich allemaal voorgedaan.

Verder staat vast dat rond 16:45 uur voor het eerst buiten het zalencentrum naar de politie met stenen werd gegooid. Het geweld escaleerde nadat twee politie bikers een aanhouding wilden verrichten. De groep tegenstanders was op dat moment aangezwollen tot ongeveer 300 personen. Er ontstond een continu proces van geweld dat gericht was tegen de politie en politievoertuigen, waarbij de tegenstanders bij het zalencentrum naar binnen wilden komen. Nadat de politie diverse maatregelen had genomen om het zalencentrum te beschermen, de groep uiteen te drijven en te verjagen, is het geweld (deels) verplaatst van de Fruitweg in de richting van de Parallelweg en uitgewaaierd op en in de nabije omgeving van deze twee wegen. Nadien is een groep van 200 personen teruggekeerd naar de Fruitweg, waar rond 21:30 uur de rust weerkeerde. Het geweld voltrok zich dus op plekken die zich op een geringe afstand van elkaar bevonden, in een tijdsbestek van vier uren, waarbij tegenstanders van de bijeenkomst in het zalencentrum zich doorlopend met geweld tegen de politie keerden. Er deed zich een groepsdynamiek voor waarbij een groot aantal individuele personen op elkaar reageerden door mee te doen aan de gewelddadigheden. Een sfeer van ontremming ontstond, waarin het gewelddadige gedrag van de één bevorderde dat de ander mee ging doen of mee bleef doen met het plegen van geweld en het geweld bleef voortduren en escaleerde. Het geweld tegen de politie en de brandstichtingen aan de voertuigen dienden hetzelfde achterliggende doel, namelijk het verstoren van de bijeenkomst van de aanhangers in het zalencentrum. Naar het oordeel van het hof kan het geweld, waaronder de brandstichtingen, dan ook worden aangemerkt als één geheel van geweldshandelingen dat in vereniging is gepleegd.

Uit de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in ieder geval tussen 18:31 uur en 20:15 uur ter plaatse is geweest en actief heeft bijgedragen aan het jegens de verbalisanten en goederen gepleegde openlijk geweld. De verdachte heeft zich na de eerste brandstichting niet onttrokken aan de ongeregeldheden en is daarna nog geruime tijd in de directe nabijheid van het zalencentrum aanwezig geweest. Daarmee is hij, naast de hiervoor beschreven handelingen, de groep van relschoppers getalsmatig blijven versterken in de confrontatie die op dat moment plaatsvond met de politie. Hieruit volgt dat het opzet van de verdachte zich (ook) uitstrekte tot het geweld dat anderen in het geheel van geweldshandelingen pleegden, waaronder de brandstichtingen.

Het verweer van de verdediging dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de in de tenlastelegging weergegeven brandstichtingen wordt dan ook verworpen.

Conclusie

Het hof komt tot het oordeel dat de verdachte op 17 februari 2024 een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld, waarbij al het ten laste gelegde geweld één geheel van geweldshandelingen vormt. Het hof acht het ten laste gelegde openlijk geweld wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 17 februari 2024 te 's-Gravenhage openlijk, te weten, op en/of aan de Fruitweg en/of Parallelweg, althans in de nabijheid en/of in de buurt van het zalencentrum Opera Zalencentrum (gelegen aan de Fruitweg), in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen:

- personen, te weten politieambtenaren en/of brandweerpersoneel en/of een journalisten en/of een fotografen fotograaf en/of personen in het zalencentrum Opera Zalencentrum, en/of;

- goederen, te weten politievoertuigen en/of personenauto's en/of een touringcar en/of één of meerdere gebouwen (onder andere zalencentrum het Opera Zalencentrum en/of naastgelegen en/of in de (directe) nabijheid gelegen gebouwen en/of een tankstation), door (meermalen):

- (met stokken, stenen, messen en/of andere voorwerpen in de hand) (gegroepeerd) zich dreigend op te houden en/of op te stellen tegen en/of de confrontatie te zoeken/aan te gaan met de politie en/of brandweer en/of een journalisten en/of een fotografen fotograaf, en/of;

- het zalencentrum Opera Zalencentrum te bestormen en/of te proberen binnen te dringen, (onder andere door (met meerdere personen tegelijk) op de politie en/of het zalencentrum Opera Zalencentrum af te gaan/te rennen en/of te proberen zich door linies van de politie heen te dringen), en/of;

- ( stukken/brokken van) stoeptegels en/of stenen en/of fietsen en/of straatmeubilair en/of vuurwerk en/of brandend/brandbaar materiaal en/of één of meerdere andere voorwerpen, naar/tegen voornoemde personen en/of goederen te gooien, en/of;

- één of meerdere geparkeerde voertuigen een rijbaan op te duwen, en/of;

- één of meerdere (politie)voertuigen en/of een touringcar in brand te steken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

Op 17 februari 2024 heeft de verdachte samen met andere tegenstanders van het huidige Eritrese regime openlijk geweld gepleegd bij een zalencentrum in Den Haag, waar aanhangers van dat regime kort daarvoor bijeen waren gekomen. Toen het binnen gaan van het zalencentrum door de ME werd belet, ontstond er een grimmige sfeer. Ondanks dat werd opgeroepen de omgeving direct te verlaten, werden de ME’ers bekogeld met onder andere stenen en stokken. Ook politievoertuigen, een touringcar en personenauto’s hebben het moeten ontgelden. Toen de brandweer ter plaatse kwam om in brand gestoken voertuigen te blussen, richtte het geweld zich ook tegen de brandweer. Ook zijn een fotograaf en een journalist direct geconfronteerd met het geweld. Diverse personen zijn ten gevolge van het handelen van de verdachte en zijn mededaders gewond geraakt. Het geweld is van een ongekende heftigheid geweest. Voorts moet voor de aanwezigen in het zalencentrum de situatie uitermate beangstigend zijn geweest. Dergelijk handelen gaat de perken van wat toelaatbaar is zeer ver te buiten. Dat de verdachte en zijn mededaders enkel naar Den Haag zouden zijn afgereisd om ter plaatse ‘vreedzaam te demonstreren’ verhoudt zich op geen enkele wijze met hetgeen zich aldaar heeft voltrokken.

De aard, de intensiteit en de duur van het geweld hebben, blijkens de vele aangiften, slachtofferverklaring(en) en de toelichtingen op de vorderingen benadeelde partij een enorme impact op de aldaar aanwezigen gehad. Betrokken politieagenten/ME-ers hebben het geweld omschreven als een oorlogssituatie en hebben soms gevreesd voor hun leven.

De verdachte heeft een actieve bijdrage geleverd aan het tegen de politie gerichte geweld zoals hiervoor bewezen verklaard.

De persoon van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 28 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit.

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte door de verdediging naar voren gebracht. Uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier volgt dat er geen (grote) zorgen zijn op de verschillende domeinen. Het hof heeft dit ook bij het oordeel betrokken.

Slot

Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tot schadevergoedingen
De vorderingen van de benadeelde partijen/ de schadevergoedingsmaatregel

Slachtoffers hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben het hof verzocht om hoofdelijke toewijzing van hun vordering en deze te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is verzocht telkens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht (Sr) aan de verdachte op te leggen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft standpunten ingenomen ten aanzien van de vorderingen. Het hof zal hierop, voor zover nodig, hierna ingaan.

Het oordeel van het hof

Algemene uitgangspunten en overwegingen

Onevenredige belasting van het strafgeding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren vanwege het aantal vorderingen, de grootte van de vorderingen en vaak ook de onderbouwing.

Het hof overweegt als volgt. Het enkele feit dat in deze zaak door veel benadeelde partijen vorderingen zijn ingediend betekent niet dat de vorderingen in de strafzaak niet inhoudelijk beoordeeld

kunnen worden. De behandeling van deze hoeveelheid vorderingen levert naar het oordeel

van het hof op zichzelf geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Ook anderszins is van een dergelijke onevenredige belasting naar het oordeel van het hof geen sprake. Mede in aanmerking genomen dat de meeste vorderingen eenvoudig van aard en beperkt van omvang zijn, is de verdediging naar het oordeel van het hof voldoende in de gelegenheid geweest om de vorderingen te bestuderen en (gemotiveerd) te betwisten. Bovendien zijn 66 vorderingen van benadeelde verbalisanten, die in hoger beroep werden vertegenwoordigd door een tweetal advocaten, onderling samenhangend en op een overzichtelijke en eenvoudige wijze gepresenteerd. Ook de overige door de verdediging in dit kader aangedragen omstandigheden maken dit oordeel niet anders.

Het hof zal hierna iedere vordering afzonderlijk beoordelen.

Groepsaansprakelijkheid en hoofdelijkheid

De verdachte heeft zich met zijn gedragingen schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld. In artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat indien één van de tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedrag in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.

Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende, ongeacht de vorm die deze deelname heeft aangenomen. Een beroep op het ontbreken van het causaal verband wegens het niet kunnen koppelen van de individuele handelingen van de verdachte aan de specifieke schade houdt derhalve geen stand.

De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan één van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken.

De regeling van art. 6:166 BW voorziet in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in een ieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 663-664) en relevante rechtspraak, zoals onder meer ECLI:NL:HR:2015:2914, ECLI:NL:HR:2025:1056 in vervolg op ECLI:NL:GHARL:2024:1870 (Mallorca-zaak) en ECLI:NL:HR:2025:1507 in vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2024:1204 (Pegida-zaak).

Matigen naar billijkheid?

De verdediging heeft matiging naar billijkheid bepleit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het gaat om schade van een enorme omvang die is veroorzaakt door honderden personen, terwijl slechts een klein deel van hen terecht staat voor openlijke geweldpleging. Dat maakt volgens de verdediging dat een disproportioneel klein aantal schadeveroorzakers verantwoordelijk wordt gehouden voor schade van enorme omvang. Het hof dient een billijkheidscorrectie toe te passen en de schadevergoedingsverplichting van de verdachte te beperken, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt. In artikel 6:166, tweede lid BW is bepaald hoe de onderlinge verdeling van schade tussen de tot de groep behorende personen behoort plaats te vinden: zij moeten onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding bijdragen, tenzij in de omstandigheden van het geval de billijkheid een andere verdeling vordert. Uit artikel 6:166, eerste en tweede lid BW samen volgt aldus een systeem waarin ieder van de betrokkenen hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade, wat verhaal van deze schade door de benadeelden vergemakkelijkt. Na vergoeding van de schade kan een betrokkene vervolgens op zijn medegroepsleden het bedrag verhalen dat hij te veel heeft betaald, waarbij de bijdrage in het geweld (mede)bepalend kan zijn voor het aandeel dat ieder uiteindelijk te dragen heeft.

Het ligt aldus in de eerste plaats op de weg van de verdachte - en andere betrokkenen bij de rellen op 17 februari 2024 - om op deze manier de schade onderling te verdelen. Een billijkheidscorrectie zou betekenen dat de benadeelde partijen worden beperkt in hun verhaalsmogelijkheden. Dat acht het hof, gelet op de wettelijke regeling, niet billijk. Gelet op het voorgaande ziet het hof ten aanzien van de verschillende vorderingen van de benadeelde partij dan ook geen grond voor matiging naar billijkheid en aldus afwijking van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte.

Horen getuigen

De raadsman heeft in het kader van het door de verdediging gevoerde verweer, al dan niet in voorwaardelijk zin, verzocht te horen:

- de benadeelde partijen (politieambtenaren) die een vordering onder nummer hebben ingediend;

- de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] , [naam benadeelde partij 3] , [naam benadeelde partij 4] en [naam benadeelde partij 5] ten aanzien van het door hen gestelde psychisch letsel,

- [naam deskundige] uit hoofde van haar gestelde deskundigheid op het gebied van BTW ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de Nationale Politie, en

- een niet nader geduide medewerker van de [naam bank 1] dan wel de [naam bank 2] in geval een vijftal betalingen van € 1,00 aan de Nationale Politie ten behoeve van een vijftal vorderingen benadeelde partij zouden worden betwist.

Nu het de benadeelde partij ingevolge artikel 334, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet is toegestaan ter onderbouwing van zijn vordering getuigen of deskundigen aan te brengen, staan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in het bijzonder de ‘equality of arms’, eraan in de weg dat wel aan de verdachte de bevoegdheid zou toekomen met betrekking tot deze vordering getuigen aan te brengen (zie ECLI:NL:HR:2011:BQ0834 en ECLI:NL:HR:2014:1448). Het hof wijst reeds hierom, voor zover aan de orde, de verzoeken van de verdediging tot het horen van de desbetreffende personen af.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld, waardoor

hij jegens de benadeelde partijen aansprakelijk is voor schade die door dit feit aan hen is

toegebracht. Het hof is van oordeel dat vergoeding van de schade een bij uitstek

passende maatregel is bij een dergelijke vorm van openlijk geweld. Om die reden én als

extra waarborg voor de betaling aan de benadeelde partijen zal het hof aan de verdachte - voor de toegewezen bedragen - steeds hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, zal het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel geen onderscheid maken tussen namens natuurlijke personen en rechtspersonen gevorderde en toegewezen schadevergoedingen. De schadevergoedingsmaatregel beoogt de strafrechtelijke positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand (MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21345, 3, p. 5). Uit de wet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat ten behoeve van rechtspersonen geen schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr kan worden opgelegd. Dat een benadeelde partij een rechtspersoon is, is aldus geen criterium dat bij de keuze voor het al dan niet opleggen van de schadevergoedingsregeling een rol behoeft te spelen, zodat dit aspect het oordeel van het hof niet anders maakt. Daaraan doet ook niet af dat rechtspersonen en bedrijven in het algemeen beter in staat zullen zijn om een toegewezen vordering te (laten) executeren.

Gelet op de maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling,

is het totaal van de opgelegde gijzeling 365 dagen.

Wettelijke rente

Indien het hof de vorderingen tot schadevergoeding geheel of ten dele toewijst, zal hij

daarbij tevens de vordering tot betaling van de wettelijke rente toewijzen vanaf 17 februari

2024, de dag dat de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, tenzij hieronder

anders wordt overwogen en beslist.

Politieambtenaren

Namens 66 politieambtenaren is een vordering benadeelde partij ingediend. Een aantal van deze vorderingen is onderscheiden in drie categorieën. Het hof zal iedere vordering, na het bespreken van algemene verweren, al dan niet per categorie, afzonderlijk beoordelen.

Algemene verweren

Ontbreken voegingsformulieren

De verdediging heeft bepleit dat de 66 politieambtenaren niet-ontvankelijk moeten worden

verklaard in hun vordering omdat zij geen gebruik hebben gemaakt van het door de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) vastgestelde formulier ex artikel 51g Sv (hierna: het voegingsformulier). De verdediging heeft bepleit dat benadeelde partijen verplicht zijn om het voegingsformulier te gebruiken, omdat het voegingsformulier de waarborg bevat dat de benadeelde partij zelf tekent, direct dan wel indirect verklaart het formulier naar waarheid te hebben ingevuld en daarmee naar waarheid een opgave heeft gedaan van de reeds vergoede schade. De zich in het dossier bevindende verzoeken tot schadevergoeding, opgesteld door de advocaten van de benadeelde partijen, wijken volgens de verdediging zodanig af van het door de minister vastgestelde formulier, dat die niet daarvoor in de plaats kunnen treden.

Het hof stelt vast dat de advocaten van de benadeelde partijen namens deze voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg een schriftelijke ‘vordering benadeelde partij’ hebben ingediend, welke vordering telkens is toegelicht. Er is opgave gedaan van de inhoud van de vorderingen en van de gronden waarop deze berusten. Hiermee voldoen de namens de benadeelde partijen ingediende vorderingen aan de wettelijke vereisten zoals genoemd in artikel 51g, eerste lid, eerste volzin Sv. Hierbij is geen gebruik gemaakt van het voegingsformulier of een – kort gezegd – elektronische voorziening, zoals bepaald in artikel 51g, eerste lid, tweede volzin Sv. Het hof stelt voorop dat het in artikel 51g eerste lid, tweede volzin Sv genoemde voegingsformulier vooral is bedoeld om de benadeelde partij tegemoet te komen en een efficiënte afhandeling van de vordering te bevorderen. Het betreft niet een formaliteit die de verdachte beoogt te beschermen en waarop deze zich kan beroepen. Bij het voorgaande neemt het hof mede in aanmerking dat voeging op grond van artikel 51g, derde lid Sv desnoods nog ter terechtzitting mondeling kan gebeuren en dat in het Wetboek van Strafvordering geen rechtsgevolgen zijn verbonden aan het niet gebruik maken van het voegingsformulier. Voorts betrekt het hof hierbij dat de advocaten van de benadeelde partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter terechtzitting de vorderingen hebben toegelicht en de verdediging in de gelegenheid is geweest daarover vragen te stellen en verweer te voeren.

Nu in de namens de benadeelde partijen ingediende schriftelijke vorderingen telkens tijdig opgave is gedaan van de inhoud van de vordering en de gronden waarop deze berust, een en ander als bedoeld in artikel 51g lid 1 Sv en niet is gebleken dat de verdachte enig nadeel heeft ondervonden doordat geen gebruik is gemaakt van het voegingsformulier, ziet het hof geen aanleiding om de benadeelde partijen om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering.

Vorderingen ingediend onder nummer

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen die hun vordering niet onder eigen naam maar onder nummer hebben ingediend, niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient de naam van een partij te worden vermeld. Een gedaagde kan zich anders niet verweren tegen de eiser en kan bij de eiser anders ook geen proceskosten incasseren. Het door de minister vastgestelde formulier bevat volgens de verdediging niet voor niets een deel met persoonsgegevens en een deel waarop alleen de naam moet worden vermeld. Verder komt het de verdediging voor dat niet iedereen onder nummer deel uitmaakt van een bijzondere eenheid die anonimiteit vereist. Volgens de verdediging is lidmaatschap van het Team Parate Eenheid niet een zodanig bijzondere omstandigheid dat afgeweken kan worden van de ondergrens die in het door de minister vastgestelde formulier is getrokken.

Het hof oordeelt als volgt. De mogelijkheid om onder nummer aangifte te doen, is bedoeld voor het slachtoffer dat een gegrond vermoeden heeft dat een aangifte of verhoor kan leiden tot overlast zoals gevaar voor de persoonlijke veiligheid of veiligheid van anderen of tot belemmering in de uitoefening van zijn of haar beroep. Bij aangifte of verhoor onder nummer wordt de identiteit van het slachtoffer niet prijsgegeven: naam, geboortedatum en adresgegevens worden niet in de aangifte of het proces-verbaal van verhoor opgenomen en het slachtoffer wordt met een specifieke code aangeduid. Deze gegevens zijn wel bekend bij de opsporingsinstanties en het Openbaar Ministerie, maar worden afzonderlijk geregistreerd en niet gevoegd bij de processtukken. Dit is ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat-generaal desgevraagd bevestigd, alsmede dat de aangiftes onder nummer corresponderen met de nummers waaronder de desbetreffende politieambtenaren zich als benadeelde partij in het strafgeding hebben gevoegd. Wanneer een slachtoffer, dat aangifte heeft gedaan onder nummer, een vordering tot schadevergoeding wenst in te dienen, is het van belang dat kan worden vastgesteld dat dit slachtoffer de betreffende aangifte heeft gedaan. Gelet op het specifieke nummer waaronder aangifte is gedaan, is het hof van oordeel dat genoegzaam valt vast te stellen dat de vordering door de betreffende aangever is ingediend. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien waarom aangevers hun anonimiteit niet zouden mogen voortzetten wanneer zij de door hun geleden schade door verdachte vergoed wensen te zien. Dit geldt temeer nu de verdediging door de specifieke code die gekoppeld is aan zowel de aangifte als de vordering, waardoor de vordering te herleiden is tot de aangever, niet wordt geschaad in haar verdedigingsrecht. Daar komt bij dat door de verbalisanten en de casemanagers GTPA (Geweld Tegen Politieambtenaren) twee advocaten zijn gemachtigd tot het indienen van de vorderingen en het geven van een toelichting daarop, hetgeen zij ook ter zitting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hebben gedaan. Concluderend ziet het hof in de - betrekkelijke - anonimiteit van de verbalisanten geen reden om hen als benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.

Ten onrechte is de schade niet door de werkgever vergoed en handelingsonbevoegdheid

De verdediging heeft zich – verkort weergegeven – op het standpunt gesteld dat een werkgever in beginsel verplicht is om de schade van een werknemer te vergoeden die de werknemer bij de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden heeft geleden. De benadeelde partijen zijn allen politieambtenaar en hadden de gestelde schade moeten verhalen bij hun werkgever de Nationale Politie. Voorts dienen de politieambtenaren naar analogie van artikel 3:40 BW handelingsonbevoegd te worden verklaard. Ook om die reden zou de schade door de Nationale Politie vergoed dienen te worden, ter waarborging van de integriteit.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, schrijft de wet de door de verdediging voorgestane volgorde niet voor. Het staat de benadeelde partij vrij om te kiezen of hij zijn schade via het strafproces of via de burgerlijke rechter op de dader verhaalt, dan wel op andere wijze schadeloos wordt gesteld, zoals bij de verzekeraar of de werkgever. Dat de benadeelde partijen hun schade mogelijk ook op andere wijze zouden kunnen verhalen, staat aan toewijzing van de vorderingen niet in de weg.

Het verweer dat de benadeelde partij handelingsonbevoegd dient te worden verklaard naar analogie van artikel 3:40 BW op de grond dat politieambtenaren geen rechtstreeks belang mogen hebben bij de uitkomst van een procedure waarbij de politieambtenaar in functie bij is betrokken, wordt verworpen. Uitgangspunt van de wet is dat een ieder die stelt schade te hebben geleden ten gevolge van een tegen hem gepleegd strafbaar feit in beginsel het recht toekomt zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen. Dat geldt ook voor individuele politieambtenaren die stellen in functie schade te hebben geleden. De door de verdediging gestelde beperking vindt geen steun in het recht.

De vorderingen van € 350,00

In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan door lichamelijk letsel, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 350,00. Het betreft:

nr. 4: [naam benadeelde partij 55]

nr. 14: [naam benadeelde partij 6]

nr. 18: [naam benadeelde partij 2]

nr. 19: [naam benadeelde partij 7]

nr. 24: [naam benadeelde partij 8]

nr. 25: [naam benadeelde partij 9]

nr. 26: [naam benadeelde partij 5]

nr. 27: [naam benadeelde partij 10]

nr. 28: [naam benadeelde partij 3]

nr. 29: [naam benadeelde partij 11]

nr. 30: [naam benadeelde partij 12]

nr. 31: [naam benadeelde partij 13]

nr. 32: [naam benadeelde partij 14]

nr. 33: [naam benadeelde partij 1]

nr. 34: [naam benadeelde partij 4]

nr. 35: [naam benadeelde partij 15]

nr. 36: [naam benadeelde partij 16]

nr. 37: 3254616

nr. 38: 3254628

nr. 39: 3254839

nr. 44: 3255764

nr. 46: 3256007

nr. 48: 3256065

nr. 50: 3256298

nr. 51: 3256309

nr. 52: 3256357

nr. 55: 3256600

nr. 56: 3256945

nr. 57: 3257688

nr. 58: 3258166

nr. 59: 3259023

nr. 60: 3259472

nr. 61: 3260529

nr. 62: 3272822

nr. 65: [naam benadeelde partij 17]

nr. 66: [naam benadeelde partij 18] .

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot het in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 350,00.

De advocaat-generaal heeft telkens geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.

Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Uit de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde toelichtingen volgt dat de benadeelde partijen nadelige (psychische) gevolgen hebben ondervonden van het bewezenverklaarde openlijk geweld. Naar het oordeel van het hof brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte en zijn mededaders mee dat de nadelige (psychische) gevolgen daarvan voor de politieambtenaren zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ dan door lichamelijk letsel of aantasting in hun eer of goede naam als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Dit betekent dat een vergoeding van immateriële schade op haar plaats is. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking de duur en intensiteit van het gepleegde geweld, maar ook het feit dat de politieambtenaren zich ieder in het kader van hun taakuitoefening genoodzaakt zagen te blijven optreden in een situatie waarin het geweld zich in toenemende mate tegen de politie richtte. Uit de verscheidene processen-verbaal van aangiftes, de processen-verbaal van bevindingen en de vorderingen volgt dat sprake was van een geweldsexplosie van ongekende omvang. Onder die omstandigheden waren de betrokken politieambtenaren, gelet op hun taak en verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde, gehouden de confrontatie aan te gaan, hetgeen ertoe heeft geleid dat zij geruime tijd zijn blootgesteld aan een situatie die een ernstige bedreiging vormde voor hun fysieke veiligheid.

Voorts stelt het hof op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat de hiervoor genoemde benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. De door hen gestelde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit. Het hof acht de schade derhalve rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit veroorzaakt.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.

Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de zogenoemde “Rotterdamse schaal”, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor toewijzing tot een bedrag van € 350,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vorderingen van € 400,00

In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij vorderen immateriële schadevergoeding wegens licht letsel en wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 400,00. Het betreft:

nr. 3: [naam benadeelde partij 19]

nr. 8: [naam benadeelde partij 20]

nr. 9: [naam benadeelde partij 21]

nr. 10: [naam benadeelde partij 22]

nr. 12: [naam benadeelde partij 23]

nr. 13: [naam benadeelde partij 24]

nr. 20: [naam benadeelde partij 25]

nr. 21: [naam benadeelde partij 26]

nr. 22: [naam benadeelde partij 27]

nr. 23: [naam benadeelde partij 28]

nr. 40: 3254852

nr. 42: 3254869

nr. 47: 3256014

nr. 49: 3256279

nr. 53: 3256367

nr. 54: 3256593

nr. 64: [naam benadeelde partij 29]

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 400,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.

Het hof stelt op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat deze benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. Daarnaast is het lichamelijke letsel door deze benadeelde partijen onderbouwd. De vorderingen zijn voor zover deze betrekking hebben op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partijen is het hof, op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel hebben en dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW.

De door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering.

Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor toewijzing tot een bedrag van € 400,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vorderingen van € 700,00

In het onderhavige strafproces hebben de hierna genoemde personen zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij vorderen immateriële schadevergoeding op grond van ernstiger opgelopen lichamelijk letsel, te weten kneuzingen, zwellingen, hoofdletsel, een hersenschudding of een combinatie daarvan alsmede wegens aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 700,00. Het betreft:

1: [naam benadeelde partij 30]

5: [naam benadeelde partij 31]

6: [naam benadeelde partij 32]

7: [naam benadeelde partij 33]

11: [naam benadeelde partij 34]

15: [naam benadeelde partij 35]

16: [naam benadeelde partij 36]

43: 3254922

45: 3255767

63: [naam benadeelde partij 37]

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van telkens € 700,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De betreffende vorderingen van de benadeelde partijen zijn namens de verdachte betwist.

Het hof stelt op grond van de aangiften en de toelichtingen op de vorderingen vast dat deze benadeelde partijen zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevonden en met het geweld zijn geconfronteerd. Daarnaast is het lichamelijke letsel door deze benadeelde partijen onderbouwd. De vorderingen zijn voor zover deze betrekking hebben op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partijen is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel hebben en dat zij ‘op andere wijze’ in de persoon zijn aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW.

De door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partijen heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede telkens de onderbouwing van de vordering.

Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – telkens voor toewijzing tot een bedrag van € 700,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Overige vorderingen van politieambtenaren

Vordering van verbalisant 3254857

Namens verbalisant 3254857 is een vordering benadeelde partij ingediend van € 950,00 wegens geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde vordert deze immateriële schade op grond van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens opgelopen lichamelijk letsel (letsel aan de linkerhand, waaronder bandletsel vinger en een zenuwbeschadiging).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 950,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Daarnaast is namens deze benadeelde partij een onderbouwing van het lichamelijke letsel overgelegd. De vordering is voor zover deze betrekking heeft op het lichamelijk letsel door de verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering.

Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor toewijzing tot een bedrag van € 950,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering van verbalisant [naam benadeelde partij 38]

Namens [naam benadeelde partij 38] is een vordering benadeelde partij ingediend van € 3.000,00 aan geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Benadeelde vordert deze immateriële schade op grond van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens opgelopen lichamelijk letsel (tinnitus).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.000,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft de vordering betwist.

Het hof stelt op grond van de aangifte en de toelichting op de vordering vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Daarnaast is namens deze benadeelde partij een onderbouwing van het lichamelijke letsel overgelegd. Uit de geneeskundige verklaring van 15 november 2024, opgesteld door een KNO-arts werkzaam bij Haaglanden Medisch Centrum met de aanvulling van 11 december 2024 blijkt naar het oordeel van het hof voldoende van tinnitusklachten. Voor een andere oorzaak dan die benadeelde in haar aangifte/vordering duidt - kort gezegd: harde klappen tegen de helm tijdens de rellen – is geen begin van aannemelijkheid. Ook blijkt uit de geneeskundige verklaringen voldoende dat de klachten niet van voorbijgaande aard zijn, hetgeen ook ter terechtzitting in hoger beroep namens de benadeelde partij is bevestigd.

Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval meegewogen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering.

Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. In dat verband merkt het hof op dat een bedrag van € 5.000,00 wordt genoemd indien sprake is van ‘lichte tinnitus zonder lawaaidoofheid’, de minst zware categorie van ‘aantasting van het gehoor’(Rotterdamse schaal, Aantasting gehoor, sub d, categorie VI). De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vordering van verbalisant [naam benadeelde partij 39]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 39] vordert een bedrag van € 5.000,00 wegens geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij vordert deze immateriële schade op grond van de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ en wegens lichamelijk letsel dat aan de verbalisant is toegebracht. Dit letsel bestaat uit een afgebroken voortand, een gat in de bovenlip die zowel aan de binnen- als aan buitenzijde gehecht moest worden, een litteken op de bovenlip, een gekneusde rib en de ziekte van Mondor (verstopte ader onder de borst).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.000,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof stelt op grond van de aangifte en de toelichting op de vordering vast dat deze benadeelde partij zich ten tijde van de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging ter plaatse bevond en met het geweld is geconfronteerd. Ter onderbouwing van haar schade heeft [naam benadeelde partij 39] medische verklaringen ingebracht alsmede foto’s van een litteken van haar bovenlip. Uit de verklaring van de benadeelde partij van 9 augustus 2024 blijkt dat zij ten gevolge van het bewezenverklaarde feit een pijnlijke rib had en dat de ziekte van Mondor zeer waarschijnlijk is ontstaan door een (post)trauma aan deze rib. Dit wordt ook beschreven in een verslag van een medisch onderzoek van 22 april 2024. Verder is in hoger beroep ter staving van het standpunt dat ook thans nog sprake is van een litteken op de bovenlip namens de benadeelde partij een aantal foto’s ter terechtzitting overgelegd. Voorts is ter terechtzitting namens de benadeelde partij toegelicht dat ook thans nog sprake is van gevoelloosheid in de bovenlip wegens de vorming van littekenweefsel.

Gelet op deze toelichting en onderbouwing is het hof van oordeel dat de vordering met betrekking tot de immateriële schade wegens het letsel aan het gebit, het litteken op het aangezicht en de ziekte van Mondor namens de verdachte niet voldoende gemotiveerd is betwist en namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Ook ten aanzien van deze benadeelde partij is het hof, mede op de gronden die hiervoor zijn uiteengezet, van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde letsel heeft opgelopen en ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b BW. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade staat daarmee in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zodat sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding voor deze benadeelde partij heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering.

Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en op de hiervoor genoemde “Rotterdamse schaal”. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare zaken wordt toegewezen – voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Proceskostenvergoeding

De advocaten van alle voornoemde benadeelde partijen hebben verzocht om een proceskostenvergoeding. Zij hebben daarvoor aansluiting gezocht bij het voor de behandeling van civiele vorderingen in strafzaken gebruikelijke ‘liquidatietarief kantonzaken’.

Nu de vorderingen steeds (deels) worden toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt.

Het hof zal bij iedere geheel of gedeeltelijk toe te wijzen vordering het gevraagde bedrag van € 82,00 aan vergoeding van proceskosten toewijzen. Het enkele gegeven dat verzocht is deze proceskosten op de rekening van de Nationale Politie te voldoen en niet aan de individuele benadeelde partijen, doet hieraan niet af en lijkt ook praktisch. Het hof ziet ook geen reden om het gevorderde bedrag aan proceskosten te matigen. Uit de toelichting bij de vordering blijkt dat telkens een op de benadeelde partij toegeschreven onderbouwing van de schade is gegeven. In dat licht bezien acht het hof een proceskostenveroordeling van € 82,00 (welk bedrag in hoger beroep niet is verhoogd) per benadeelde partij allerminst redelijk.

Evenals bij de toegewezen vorderingen tot schadevergoeding, is de verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor de toegewezen proceskosten. Anders dan door de verdediging is betoogd zal niet elk van de veroordeelden apart voor alle - geheel of gedeeltelijk – toegewezen vorderingen € 82,00 aan proceskosten moeten betalen. Als (een van) de mededaders (een deel van) de toegewezen proceskosten van in totaal € 5.412,00 (€ 82,00 x 66 vorderingen) heeft betaald, is de verdachte niet meer verplicht om (dat deel) te betalen.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

(Deel)betalingen reeds verricht

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat namens de verdachte aan de benadeelde partijen [naam benadeelde partij 1] , [naam benadeelde partij 2] , [naam benadeelde partij 3] , [naam benadeelde partij 4] en [naam benadeelde partij 5] reeds een betaling van € 1,00 zou zijn gedaan in mindering op het gevorderde bedrag en heeft het hof verzocht met deze deelbetalingen rekening te houden bij een eventuele toewijzing van (een deel van) de vordering.

Het hof is van oordeel dat, nu de benadeelde partijen hun vorderingen in hoger beroep hebben gehandhaafd en nu het om een zeer gering gedeelte van het gevorderde bedrag gaat dat betaald zou zijn, ervan moet worden uitgegaan dat er kennelijk nog schade bestaat bij de benadeelde partijen waarvoor de verdachte, gelet op voornoemd uitgangspunt, in beginsel hoofdelijk aansprakelijk is. Indien en voor zover in de fase van tenuitvoerlegging blijkt dat reeds aan (een deel van) de betalingsverplichtingen ten behoeve van de benadeelde partijen door de verdachte dan wel (een van) zijn medeverdachte(n) is voldaan, zal daarmee alsdan rekening kunnen worden gehouden.

Veiligheidsregio Haaglanden

Namens de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden is een vordering tot

schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 250,00 aan materiële schadevergoeding wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gaat om schade aan een voertuig die niet door de verzekeraar is vergoed wegens het eigen risico.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 250,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft – kort weergegeven – betoogd dat uit het handelsregister niet kan worden opgemaakt dat [naam 2] (hierna: [naam 2] ) of [naam 1] (hierna: [naam 1] ) bevoegd zijn om de vordering namens Veiligheidsregio Haaglanden in te dienen.

Het hof overweegt als volgt. De vordering van een benadeelde partij die een rechtspersoon is, zal door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger moeten worden ingesteld. De vertegenwoordiging kan volgen uit de wet (Boek 2 BW), de statuten van de rechtspersoon en/of uit een volmacht. Als een persoon die verbonden is aan de rechtspersoon namens de rechtspersoon een vordering instelt en uit het procesdossier (bijvoorbeeld de aangifte) of een uittreksel van de Kamer van Koophandel duidelijk is dat deze persoon een voor de vordering relevante functie heeft binnen de rechtspersoon, dan is een machtiging niet nodig, want deze persoon is geen derde. In dergelijke gevallen mag van de Hoge Raadal snel worden aangenomen dat die persoon bevoegd is namens de rechtspersoon de vordering in te dienen. Dit alles geldt ook indien door de benadeelde geen stukken zijn overgelegd waaruit expliciet van de bevoegdheid blijkt. De achterliggende gedachte is dat de interne vertegenwoordigingsregeling van de rechtspersoon strekt ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon zelf. Zij strekken dus niet ter bescherming van de belangen van de verdachte, zodat die zich er niet al te gemakkelijk op kan beroepen.

Op het voegingsformulier (hierna: de vordering) is onder 1c [naam 1] als vertegenwoordiger van de Veiligheidsregio Haaglanden vermeld. Voorts is de vordering namens Veiligheidsregio Haaglanden op 14 mei 2024 door [naam 2] ondertekend (sub 6). Bij de vordering is als bijlage gevoegd een artikel van de Veiligheidsregio Haaglanden waarin wordt gesteld dat [naam 2] plaatsvervangend Commandant Brandweer Haaglanden is ten tijde van het indienen van de vordering. Voorts is bijgevoegd de ‘Mandaat- en Volmachtregeling Dagelijks Bestuur Veiligheidsregio Haaglanden 2023’. In artikel 7 sub a van die regeling staat vermeld dat het Dagelijks Bestuur onder meer de commandant brandweer machtigt voor het aansprakelijk stellen van een natuurlijke of een rechtspersoon door de Veiligheidsregio. In artikel 1 lid 8 is bepaald dat bij afwezigheid van een gemandateerde om hun te vertegenwoordigen en hun belangen toe te lichten degene gemandateerd is die bij afzonderlijk schriftelijk genomen besluit is aangewezen als plaatsvervanger of als waarnemer. Het hof stelt vast dat een dergelijk schriftelijk besluit niet door de benadeelde partij is overgelegd.

Namens de Veiligheidsregio Haaglanden is opgemerkt dat [naam 1] op de vordering (sub 1c) staat vermeld omdat hij als Officier van Dienst – Brandweer Veiligheidsregio Haaglanden ter plaatse was ten tijde van het feit ten gevolge waarvan de schade is toegebracht en namens Veiligheidsregio Haaglanden aangifte heeft gedaan, maar dat [naam 2] formeel de vertegenwoordiger van Veiligheidsregio Haaglanden betreft en om die reden bevoegd is om de vordering te ondertekenen (sub 6).

Hoewel een preciezere uitwerking van dit punt door benadeelde de voorkeur zou hebben gehad, ziet het hof, het voorgaande in aanmerking nemende, geen aanleiding om aan de bevoegdheid van [naam 2] om in deze als vertegenwoordiger van de Veiligheidsregio Haaglanden op te treden, te twijfelen. Het hof acht de benadeelde partij ontvankelijk in de vordering.

De vordering is namens de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) betwist en door de

benadeelde partij voldoende onderbouwd. Uit de toelichting van de benadeelde partij en de

facturen die zijn ingediend blijkt voldoende dat het gaat om schade aan een voertuig van het

merk Volvo en dat de schade bestaat uit het herstellen en spuiten van dit voertuig. Ook blijkt

dat uit de ingediende schade-afrekening dat de verzekering een bedrag van € 250,00 aan

eigen risico niet heeft vergoed. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting

kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de

openlijke geweldpleging. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Het hof is, gelet daarop, van oordeel dat de verdediging geen vergoeding toekomt van de kosten die zijn gemaakt voor de uittreksels uit het handelsregister.

Nationale Politie – motorrijtuigen en fietsen

Namens de benadeelde partij Nationale Politie is een vordering tot schadevergoeding

ingediend, waarin een bedrag van € 515.736,21 aan materiële schade wordt gevorderd, te

vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In hoger beroep is de vordering verlaagd tot een bedrag van € 480.433,92, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij ziet op schade aan twintig politieauto’s en twee politiefietsen.

In hoger beroep is deze vordering voor wat betreft de materiële schade aan de orde tot dit in hoger beroep verlaagde bedrag van € 480.433,92. Alsmede zijn gevorderd een proces- en reiskostervergoeding.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot het in hoger beroep gevorderde bedrag van € 480.433,92, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voertuigen

Het hof overweegt dat voldoende is aangetoond dat door de Nationale Politie schade is geleden ten gevolge van het bewezenverklaarde.

De verdediging heeft betwist dat de Nationale Politie eigenaar is van de voertuigen, zodat zij niet degene is die de schade heeft geleden. De verdediging heeft verder betwist dat de Nationale Politie BTW verschuldigd is, zodat de schade, voor zover deze ziet op de BTW, niet voor toewijzing in aanmerking komt.

In reactie hierop heeft de Nationale Politie – samengevat – toegelicht dat de politie de eigenaar is van de voertuigen, maar dat een aantal zaken zoals de aanschaf, het beheer en schadeafhandeling krachtens overeenkomst bij andere partijen ligt. De aanschaf en ook herstelkosten ter zake van geleden schade dient de Nationale Politie wel degelijk te voldoen, maar zij doet dit niet rechtstreeks, zij heeft daarvoor overeenkomsten afgesloten. Ter onderbouwing van die stelling heeft de Nationale Politie facturen overgelegd (productie 19) van [naam leasemaatschappij] , gericht aan het Korps Nationale Politie, en toegelicht dat [naam leasemaatschappij] middels die facturen de aanschaf, inclusief BTW, heeft doorbelast aan de Nationale Politie. Verder heeft de Nationale Politie facturen overgelegd en verklaringen waarmee is onderbouwd dat de kosten van schadeherstel – uiteindelijk - aan de Nationale Politie worden doorberekend. Deze met stukken onderbouwde toelichting is door de verdediging verder niet gemotiveerd betwist, zodat is komen vast te staan dat de Nationale Politie de gevorderde schade heeft geleden aan de voertuigen. Dat de Nationale Politie geen BTW verschuldigd zou zijn, zoals namens de verdachte naar voren is gebracht, is door de zijdens de Nationale Politie overgelegde facturen weerlegd en overigens valt niet in te zien waarom de Nationale Politie BTW niet verschuldigd zou zijn of zou kunnen aftrekken indien zij voor de uitvoering van haar publieke taken een voertuig aanschaft of schade doet laten herstellen.

Politiefietsen

Voor het hof is voldoende komen vast te staan dat aan twee politiefietsen schade is toegebracht. Nu de omvang van deze laatstgenoemde schadeposten niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zal het hof de totale omvang van de door de benadeelde partij geleden schade schatten op redelijkerwijs een bedrag van € 1.000,00 per fiets. Het hof wijst de vordering betreffende de politiefietsen toe tot dit bedrag en verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van

€ 472.450,34 (voertuigen) en € 2.000,00 (fietsen), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Reis- en proceskostenvergoeding

De advocaten van de benadeelde partij hebben verzocht om een reis- en proceskostenvergoeding. Zij hebben daarvoor aansluiting gezocht bij het voor de behandeling van civiele vorderingen in strafzaken gebruikelijke ‘liquidatietarief gerechtshoven’. De proceskosten bedragen 2x € 3.723,00 (= € 7.446,0) en de reiskosten bedragen € 2,05, derhalve totaal € 7.448,05.

De verdediging heeft op dit punt geen verweer gevoerd.

Nu de vordering wordt toegewezen zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

[bedrijfsnaam 1] BV

Namens de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) is een bedrag van € 128.271,04 aan materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De schade betreft de dagwaarde van een uitgebrande touringcar minus de restwaarde daarvan en de kosten van schadevaststelling.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 128.271,04.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De omvang van de schade is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de

benadeelde partij voldoende onderbouwd met een expertiserapport van Dekra Automotive

van 6 maart 2024. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het gepleegde openlijke geweld ter grootte van het gevorderde bedrag. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die

de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De

benadeelde partij heeft als proceskosten een bedrag van € 2.057,71 opgevoerd, berekend aan

de hand van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten. Het hof begroot de

proceskosten volgens het gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven op € 1.929,00 (1 punt x liquidatietarief V). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten

die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdediging heeft betoogd dat de vordering niet is ondertekend door iemand die

gemachtigd is door [bedrijfsnaam 1] . [naam 3] heeft een volmacht verkregen van [naam 4] (hierna: [naam 4] ). Uit het handelsregister blijkt dat [naam 4] tot € 100.000,00 bevoegd is. Nu met de vordering € 128.000,00 is gemoeid, gaat de vordering de bevoegdheid van [naam 4] en daarmee [naam 3] te boven. Om die reden dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Het hof herhaalt hetgeen reeds hiervoor overwogen (zie de paragraaf omtrent Veiligheidsregio Haaglanden). De vordering van een benadeelde partij die een rechtspersoon is, zal door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger moeten worden ingesteld. De vertegenwoordiging kan volgen uit de wet (Boek 2 BW), de statuten van de rechtspersoon en/of uit een volmacht. Als een persoon die verbonden is aan de rechtspersoon namens de rechtspersoon een vordering instelt en uit het procesdossier (bijvoorbeeld de aangifte) of een uittreksel van de Kamer van Koophandel duidelijk is dat deze persoon een voor de vordering relevante functie heeft binnen de rechtspersoon dan is een machtiging niet nodig, want deze persoon is geen derde. In dergelijke gevallen mag van de Hoge Raad al snel worden aangenomen dat die persoon bevoegd is namens de rechtspersoon de vordering in te dienen. Dit alles geldt ook indien door de benadeelde geen stukken zijn overgelegd waaruit expliciet van de bevoegdheid blijkt. De achterliggende gedachte is dat de interne vertegenwoordigingsregeling van de rechtspersoon strekt ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon zelf. Zij strekken dus niet ter bescherming van de belangen van de verdachte, zodat die zich er niet al te gemakkelijk op kan beroepen.

De vordering tot schadevergoeding is - blijkens het voegingsformulier - ingediend door [naam 4] . [naam 4] heeft namens [bedrijfsnaam 1] aangifte gedaan bij de politie en daarbij verklaard dat hij directeur is en dat hij bevoegd is om aangifte te doen. Blijkens het handelsregister is [naam 4] tot € 100.000,00 bevoegd. Onder deze omstandigheden neemt het hof aan dat [naam 4] bevoegd is om namens [bedrijfsnaam 1] de vordering in te dienen. Daaraan doet niet af dat [naam 4] boven € 100.000,00 niet bevoegd zou zijn.

De omvang van de schade is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de

benadeelde partij voldoende onderbouwd met een expertiserapport van Dekra Automotive

van 6 maart 2024. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook

worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het

gepleegde openlijke geweld ter grootte van het gevorderde bedrag. De gevorderde

schadevergoeding acht het hof toewijsbaar.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die

de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De

benadeelde partij heeft als proceskosten een bedrag van € 2.057,71 opgevoerd, berekend aan

de hand van de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten. Het hof begroot de

proceskosten volgens het gebruikelijke liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven op € 1.929,00 (1 punt x liquidatietarief V). Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de verdediging geen vergoeding toekomt van de kosten die zijn gemaakt voor de uittreksels uit het handelsregister.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 40] (fotograaf)

Door de benadeelde partij [naam benadeelde partij 40] is een vordering tot schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 370,00 aan immateriële schade wegens letsel aan zijn linkerarm en linkerbeen wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 370,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging heeft de vordering betwist.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. De verbalisanten die de aangifte van de benadeelde partij hebben opgenomen hebben de verwondingen op de bovenarm en het linker onderbeen geconstateerd. De vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Een nadere onderbouwing met foto’s is gelet op de constateringen van de verbalisanten niet vereist. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar nu er sprake is van letsel als bedoeld in artikel 6:106 sub b BW.

De vordering van de benadeelde partij ter zake van immateriële schade zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die

de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 41]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 41] vordert een bedrag van € 22.551,07 aan schadevergoeding,

te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een bedrag van € 20.551,07 aan materiële schade (autoschade) en € 2.000,00 aan immateriële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 22.551,07.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade door reparatiekosten,

is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij

voldoende onderbouwd. De benadeelde partij heeft op 17 februari 2024 om 17:58 uur zijn

auto geparkeerd op de Fruitweg in Den Haag, omdat hij een bruiloft bezocht in het

zalencentrum. Op 18 februari 2024 trof hij zijn auto beschadigd aan. Op grond van

het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde

partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. In de door de

benadeelde partij ingediende calculatie van de reparatiekosten van 8 maart 2024 is de

schade aan het voertuig gespecificeerd omschreven. Naar het oordeel van het hof is de hoogte van de schade hiermee afdoende onderbouwd. Dat de naam van de benadeelde partij niet op de calculatie is vermeld doet daar niet aan af. Dit is geen vereiste om schade vast te kunnen stellen. Het hof acht dit deel van de vordering toewijsbaar.

Voor zover de vordering immateriële schade betreft zal het hof de benadeelde partij

niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is door de verdachte gemotiveerd

betwist en door de benadeelde onvoldoende onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft de benadeelde partij geen nadere onderbouwing gegeven. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van

€ 20.551,07, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten

die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.

Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 42]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 42] vordert een bedrag van € 4.286,66 aan materiële

schadevergoeding (schade aan een voorruit en een spiegel van de auto), te vermeerderen met

de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 4.286,66.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde niet nader onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 43]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 43] vordert een bedrag van € 14.478,21 aan materiële

schadevergoeding (autoschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging

van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 14.478,21.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is namens de verdachte niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist en door

de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding ter zake van reparatiekosten is met een calculatie van een schadeherstelbedrijf onderbouwd. Weliswaar dateert de calculatie voor de reparatiekosten van 7 mei 2024, maar uit de door de benadeelde partij in hoger beroep gegeven schriftelijke toelichting volgt dat eerdere schadevaststelling niet mogelijk was. Voorts overweegt het hof dat het enkele gegeven dat de naam van de benadeelde partij niet op de schadecalculatie staat vermeld aan het voorgaande niet af doet. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging, te weten vernieling van haar auto, en het hof acht de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar. te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die

de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 44]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 44] vordert een bedrag van € 120,00 aan materiële

schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de

schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit de schade aan de ruit (eigen risico van

€ 75,00) en de reparatiekosten (€ 45,00).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 120,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 75,00 ter zake van het eigen risico van de ruit, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op het eigen risico van € 75,00, is door de verdachte niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Gelet daarop is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. Het hof zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 75,00.

De verdediging heeft de reparatiekosten betwist en deze kosten zijn niet onderbouwd. De

benadeelde partij heeft dit deel van de vordering niet (nader) onderbouwd. De benadeelde partij thans nog de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de

vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van

€ 75,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten

die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 45]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 45] vordert een bedrag van € 3.670,41 aan materiële schadevergoeding (goederen die uit een auto zijn verdwenen), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 3.670,41.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de

verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft

moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 46]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 46] vordert een bedrag van € 973,00 aan materiële schade,

te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade bestaat uit het eigen risico voor de autoverzekering in verband met schade aan de auto (€ 150,00) en de premieverhoging van de autoverzekering voor de komende 5 jaren (€ 823,00).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 973,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een schadecalculatie van [autoschadeherstelbedrijf] en een brief van FBTO van 23 februari 2024, waarin staat dat FBTO de kosten van de reparatie betaalt aan [autoschadeherstelbedrijf] Den Haag, dat het eigen risico € 150,00 bedraagt en dat de premie stijgt door deze schade die het gevolg is van rellen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. De gevorderde schadevergoeding acht het hof dus toewijsbaar.

Ten aanzien van de kosten eigen risico zal het hof de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 februari 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die dag is ontstaan.

De schade als een gevolg van de stijging van de premie begroot het hof op een bedrag van € 823,00.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag bestaande uit premiebedragen die in de toekomst verschuldigd zullen worden, zal het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren Het hof beschikt niet over voldoende informatie om de ingangsdatum van de wettelijke rente over de verschillende bedragen te bepalen en het zou een onevenredige belasting vormen van het geding om dit nader te onderzoeken.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van

€ 823,00 en € 150,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over het bedrag € 150,00 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 150,00, en voor het overige zal het hof de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

Nu de vordering grotendeels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 47]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 47] vordert een bedrag van € 5.946,60 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het betreft verdwenen spullen uit de auto (€ 1.957,10), sleepkosten (€ 239,50) en het verschil tussen de (werkelijke) waarde en de dagwaarde van de auto (€ 3.750,00).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.946,60.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 239,50 ter zake van sleepkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de sleep- dan wel stallingskosten, is door

de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Het hof zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 239,50.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze betrekking heeft op de spullen in de auto ter waarde van € 1.957,10 en het bedrag van € 3.750,00 voor het verschil tussen de werkelijke waarde en de dagwaarde van de auto. Deze onderdelen van de vordering zijn namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen en als gevolg daarvan verloren zijn gegaan. Met betrekking tot het verschil tussen de dagwaarde van de afgebrande auto en de (werkelijke) waarde daarvan overweegt het hof het volgende. Uit de overgelegde stukken blijkt dat op basis van een expertiserapport de dagwaarde van de auto is bepaald en dat de verzekering deze dagwaarde reeds heeft vergoed. Met het aankoopbewijs van een andere auto is onvoldoende onderbouwd dat de (werkelijke) waarde van de afgebrande auto ten tijde van het openlijk gepleegde geweld hoger lag dan de dagwaarde die door de verzekeringsmaatschappij is vastgesteld. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van deze delen van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van

€ 239,50 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten

die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 48]

Namens de benadeelde partij [naam benadeelde partij 48] is een vordering tot schadevergoeding ingediend, waarbij een bedrag van € 200,00 aan materiële schade wordt gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 200,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.

Het schadebedrag dat namens de benadeelde partij is gevorderd is het verschil tussen de aanschafwaarde van de auto (€ 8.900,00 op 30 december 2022) en het uitgekeerde schadebedrag op basis van de dagwaarde door de verzekeraar (op 23 februari 2024 vastgesteld op € 8.700,00). De benadeelde partij heeft, zo blijkt uit de overgelegde stukken, vanaf de aanschaf tot 17 februari 2024 ruim een jaar in de auto kunnen rijden. Gelet hierop moet het niet-vergoede bedrag van € 200,00 worden beschouwd als afschrijving op de auto en niet als schade die het gevolg is van de openlijke geweldpleging. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij dan ook afwijzen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de

verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft

moeten maken. Het hof begroot deze kosten op nihil.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 49]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 49] heeft blijkens het voegingsformulier een bedrag van € 25.272,98 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit een bedrag van € 272,98 aan materiële schade (verdwenen goederen) en een bedrag van € 25.000,00 aan immateriële schade (verergering hartritmestoornis en aantasting persoonlijke levenssfeer).

In hoger beroep heeft de benadeelde partij (de hoogte van) de vordering schriftelijk toegelicht. Het hof begrijpt de vordering van de benadeelde partij aldus dat thans nog een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade wordt gevorderd en nu het bedrag aan materiële schade in de toelichting niet expliciet wordt genoemd, dat dat deel van de vordering wordt gehandhaafd. Het hof begrijpt aldus dat in totaal € 2.772,98 wordt gevorderd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.

Het hof zal de benadeelde partij, voor zover de vordering ziet op de materiële schade, niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de goederen ten tijde van de openlijke geweldpleging in de auto lagen en er een rechtstreeks verband bestaat tussen de schade en dit feit.

Het hof zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren voor zover de vordering ziet op de immateriële schade. Ook dit deel van de vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en namens de benadeelde onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de

verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft

moeten maken. Het hof begroot deze kosten op nihil.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 50]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 50] vordert een bedrag van € 3.372,88 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de officier van justitie, opgemaakt op 10 juli 2024, blijkt dat de benadeelde partij zijn vordering reeds in eerste aanleg heeft verminderd tot een bedrag van € 400,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 400,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat het eigen risico € 400,00 bedroeg. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de

verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft

moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 51]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 51] vordert een bedrag van € 847,00 aan materiële schadevergoeding (auto), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 847,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 847,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist. Hiertoe is aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu uit het voegingsformulier volgt dat zij voor de gestelde materiële schade verzekerd is.

Het hof overweegt dat het de benadeelde partij vrij staat de schade op de veroorzaker te verhalen, ook al is die benadeelde partij voor de schade verzekerd. Dat de benadeelde partij reeds schadeloos zou zijn gesteld is voorts niet gebleken. Uit het voegingsformulier blijkt niet dat de schade reeds door een verzekeraar is vergoed. Nu de benadeelde partij haar vordering heeft gehandhaafd, staat de omstandigheid dat zij verzekerd is aan toewijzing van de vordering niet in de weg.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat tot een bedrag van € 847,00 aan materiële schade is geleden, bestaande uit reparatiekosten van de personenauto. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 52]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 52] vordert een bedrag van € 690,00 aan materiële schade, te

vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het gaat om eigen risico leaseauto (€ 300,00), schade aan een kinderzitje (€ 300,00) en kosten

vervangend vervoer (€ 90,00).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 690,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 190,00 ter zake van het kinderstoeltje en de kosten van vervangend vervoer, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de openlijke geweldpleging. Op basis van de overgelegde stukken stelt het hof vast dat zich een kinderzitje in de auto van de benadeelde partij bevond dat door brand onbruikbaar is geworden. De waarde van het zitje is niet met stukken onderbouwd. Het hof maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid en stelt de schade vast op € 100,00. Voor de rest zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gelet op de overgelegde foto’s van de forse autoschade is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij gebruik heeft moeten maken van vervangend vervoer. De kosten daarvan zijn niet onderbouwd. Het hof zal gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en de schade vaststellen op € 90,00.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover deze het eigen risico betreft. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij niet onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In totaal zal het hof dus een bedrag van € 190,00 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering deels wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 53]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 53] vordert een bedrag van € 2.800,00 aan materiële schade, te

vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het betreft autoschade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.800,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 53] heeft de raadsman aangevoerd dat deze niet ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard, nu de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep op 20 mei 2026 ‘zou hebben meegedeeld dat deze vordering reeds zou zijn voldaan’.

Het hof overweegt als volgt. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal opgemerkt – samengevat – dat zij had vernomen dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) het door de benadeelde partij gevorderde en in eerste aanleg door de rechtbank toegewezen bedrag inmiddels had uitgekeerd en dat het CJIB dit bedrag nog tracht te verhalen op de verdachten die daartoe (hoofdelijk) veroordeeld zijn in deze strafzaak.

De benadeelde partij is niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen. Gelet op het voorgaande kan het hof niet enkel op grond van de mededeling van de advocaat-generaal vaststellen dat sprake is van een situatie waarbij de benadeelde partij kennelijk door middel van de voorschotregeling van het CJIB in deze zaak inmiddels geheel of ten dele schadeloos is gesteld. Het strekt dan ook te ver om reeds op grond van deze enkele mededeling te oordelen dat er sprake geweest van een betaling aan de benadeelde partij en er aldus geen schade meer is, zodat de benadeelde partij thans niet ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard, dan wel dat de vordering om die reden dient te worden afgewezen. Mede gelet op het aantal verdachten dat inmiddels onherroepelijk veroordeeld is tot betaling van deze schade, is het praktisch wanneer dit in de executiefase worden verwerkt.

De omvang van de schade is voorts namens de verdachte niet voldoende (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. De gevorderde schadevergoeding acht het hof toewijsbaar, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die

de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 54]

De benadeelde partij [naam benadeelde partij 54] vordert een bedrag van € 5.524,42 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gaat om autoschade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.524,42.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij in de vordering.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Op basis van de overgelegde stukken kan het hof niet vaststellen dat de schade in een rechtstreeks verband staat met de openlijke geweldpleging, in aanmerking genomen dat in het rapport van 21 maart 2024 wordt vermeld dat het om schade door een aanrijding zou gaan. De door de benadeelde partij ingediende stukken roepen daarnaast ook vragen op over de hoogte van het vastgestelde schadebedrag en een eventuele uitkering door de verzekering. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de

verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft

moeten maken. Het hof begroot deze kosten tot op heden op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij 3254616

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254616 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254616, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3254628

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254628 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254628, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3254839

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254839 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254839, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3254852

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254852 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254852 , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3254857

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254857 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 950,00 (negenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254857, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 950,00 (negenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3254869

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254869 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254869, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3254922

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3254922 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3254922, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3255764

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3255764 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3255764, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3255767

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3255767 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3255767, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256007

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256007 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256007, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256014

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256014 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256014, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256065

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256065 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256065, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256279

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256279 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256279, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256298

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256298 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256298, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256309

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256309 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256309, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256357

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256357 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256357, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256367

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256367 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256367, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256593

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256593 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256593, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256600

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256600 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256600, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3256945

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3256945 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3256945, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3257688

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3257688 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3257688, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3258166

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3258166 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3258166, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3259023

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3259023 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3259023, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3259472

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3259472 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3259472, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3260529

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3260529 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3260529, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij 3272822

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij 3272822 ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd 3272822, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 27]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 27] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 27] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 40]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 40] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 370,00 (driehonderdzeventig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 40] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 370,00 (driehonderdzeventig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 11]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 11] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 11] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 45]

Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 45] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 9]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 9] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 9] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 6] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 6] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 36]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 36] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 36] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 51]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 51] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 847,00 (achthonderdzevenenveertig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 51] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 847,00 (achthonderdzevenenveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 14]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 14] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 14] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 55]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 55] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 55] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 10]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 10] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 10] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 16]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 16] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 16] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 53]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 53] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.800,00 (tweeduizend achthonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 53] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.800,00 (tweeduizend achthonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 52]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 52] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 190,00 (honderdnegentig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 52] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 190,00 (honderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 39]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 39] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 39] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 3 (drie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 8] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 8] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 47]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 47] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 239,50 (tweehonderdnegenendertig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 47] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 239,50 (tweehonderdnegenendertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 26]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 26] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 26] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 12]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 12] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 12] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 23]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 23] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 23] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 7] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 7] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 49]

Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 49] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 25]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 25] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 25] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 37]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 37] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 37] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 29]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 29] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 29] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 30]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 30] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 30] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 43]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 43] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 14.478,21 (veertienduizend vierhonderdachtenzeventig euro en eenentwintig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 43] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 14.478,21 (veertienduizend vierhonderdachtenzeventig euro en eenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 20]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 20] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 20] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 38]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 38] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 38] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 44]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 44] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 75,00 (vijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 44] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75,00 (vijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 15]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 15] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 15] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 34]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 34] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 34] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 21]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 21] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 21] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 18]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 18] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 18] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 54]

Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 54] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 28]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 28] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 28] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 13]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 13] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 13] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 33]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 33] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 33] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 42]

Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 42] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 31]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 31] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 31] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 48]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 48] tot schadevergoeding af.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 32]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 32] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 32] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 5] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 5] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 17]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 17] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 17] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 4] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 4] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 3] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 3] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 35]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 35] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 35] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 19]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 19] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 19] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 50]

Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 50] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 46]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 46] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 973,00 (negenhonderddrieënzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag € 150,00 (honderdvijftig euro) vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 46] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 973,00 (negenhonderddrieënzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag € 150,00 (honderdvijftig euro) vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade ter hoogte van € 150,00 (honderdvijftig euro) op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 24]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 24] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 24] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 22]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 22] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 22] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 41]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 41] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.551,07 (twintigduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zeven cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 41] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.551,07 (twintigduizend vijfhonderdeenenvijftig euro en zeven cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 82,00 (tweeëntachtig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 350,00 (driehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 128.271,04 (honderdachtentwintigduizend tweehonderdeenenzeventig euro en vier cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.929,00 (duizend negenhonderdnegenentwintig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijfsnaam 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 128.271,04 (honderdachtentwintigduizend tweehonderdeenenzeventig euro en vier cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Nationale Politie ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 474.450,34 (vierhonderdvierenzeventigduizend vierhonderdvijftig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 7.448,05 (zevenduizend vierhonderdachtenveertig en vijf cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Nationale Politie, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 474.450,34 (vierhonderdvierenzeventigduizend vierhonderdvijftig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 157 (honderdzevenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Vordering van de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Veiligheidsregio Haaglanden ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Veiligheidsregio Haaglanden, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 februari 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. E.C. van Veen, als voorzitter, en mr. M.C. Bruining en mr. F.W. Pieters, leden, in bijzijn van de griffiers mr. R. Rakić-Dieteren en mr. M.S. Karsters.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juli 2026.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s dan betreft dit de pagina’s van het procesdossier met onderzoeksnummer [nummer 2] , TGO Charlie24 (Algemeen Dossier p. 1-62, Aangiften dossier p. 1-761 en Persoonsdossier p. 1-179).

Proces-verbaal van bevindingen, p. 33 e.v. Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 51 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 53 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 6 e.v. Algemeen dossier en Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 40] , p. 44 e.v. Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 6 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 55 e.v. Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 146-148 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 99 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 7 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 7 Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 99 e.v. Aangiften dossier.

Proces-verbaal van aangifte van [naam benadeelde partij 33] , p. 178 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 291 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 17 e.v. Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 55 e.v. Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 17 e.v. Algemeen dossier.

Proces-verbaal van aangifte [aangever 1] namens Gemeente Den Haag, p. 602 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 8] , p. 250 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 5 e.v. Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 51 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier en Proces-verbaal van bevindingen, p. 18 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van relaas verbalisant [naam verbalisant] , p. 10 van het relaas Algemeen dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van aangifte [aangever 2] , p. 596 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Algemeen dossier.

Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 602 Aangiften dossier en een geschift, zijnde digitale aangifte door de Gemeente Den Haag, Publiekszaken, p. 638 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van aangifte [aangever 4] namens [bedrijfsnaam 2] , p. 743 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 41] , p. 653 Aangiften dossier, Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 45] , p. 682 Aangiften dossier, en Proces-verbaal van aangifte [aangever 5] , p. 659 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 56 Algemeen dossier, Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 40] , p. 44 e.v. Aangiften dossier, en Proces-verbaal van aangifte [aangever 6] , p. 56 e.v. Aangiften dossier.

Proces-verbaal van aangifte [aangever 7] , p. 295 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 203 e.v. Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 171 Aangiften dossier, Proces-verbaal van bevindingen, p. 110 en Proces-verbaal van aangifte 3254852 , p. 482 Aangiften dossier.

Proces-verbaal van aangifte [naam benadeelde partij 39] , p. 212 e.v. Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 142 e.v. Aangiften dossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-6 en 19 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 3-31 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 70 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 36-37 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 37 Persoonsdossier.

Proces-verbaal ter terechtzitting eerste aanleg d.d. 6 februari 2025.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 120 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 67 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 107 e.v. Persoonsdossier.

Proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 1] , p. 109 (persoonsdossier).

Proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] , p. 115 (persoonsdossier).

Proces-verbaal van bevindingen met documentcode [proces-verbaalnummer 3] , p. 39 e.v. (persoonsdossier).

Proces-verbaal van bevindingen, p. 41 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 117 Persoonsdossier.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 121 Persoonsdossier.

ECLI:NL:HR:2016:1320 en ECLI:NL:HR:2016:2191.

ECLI:NL:HR:2003:AL6209 en de daarin genoemde wetsgeschiedenis.

ECLI:NL:HR:2016:1320.

ECLI:NL:HR:2011:BO9823.

ECLI:NL:GHSHE:2021:2657, ECLI:NL:HR:2022:967.

ECLI:NL:HR:2017:1093

Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822.

HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043 (later herhaald en bevestigd in onder andere HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006 en HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:523).

HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043 (later herhaald en bevestigd in onder andere HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2006 en HR 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:523).

Artikel delen