Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:2517

Mishandeling van een aan de zorg van verdachte toevertrouwd kind, meermalen gepleegd. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht op basis van de rapportages. Oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden, in combinatie met een taakstraf van 120 uren.

Gerechtshof Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:2517 text/xml public 2026-08-04T15:14:04 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-08-04 22-003037-25 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2025:12101 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2517 text/html public 2026-08-04T15:13:21 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:2517 Gerechtshof Den Haag , 04-08-2026 / 22-003037-25
Mishandeling van een aan de zorg van verdachte toevertrouwd kind, meermalen gepleegd. Verdachte wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht op basis van de rapportages. Oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren met bijzondere voorwaarden, in combinatie met een taakstraf van 120 uren.

Rolnummer: 22-003037-25

Parketnummer: 10-025414-24

Datum uitspraak: 4 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum 1] 1990,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren met oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden, te weten – kort weergegeven – een meldplicht, ambulante behandeling, begeleiding en een contact- en gebiedsverbod. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren met aftrek van voorarrest, zodat na deze aftrek 114 (honderdveertien) uren te verrichten taakstraf resteren, subsidiair 57 dagen vervangende hechtenis. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis is opgeheven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 30 december 2023 tot en met 20 januari 2024 te Schiedam, althans in Nederland [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), zijnde een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin en/of dat aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, opzettelijk geweld uit te oefenen op de rug, de borst, buik, flanken, het voorhoofd, de nek, de linker oksel, het rechterbeen en/of de rechterarm, althans het lichaam, van die [het slachtoffer] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een meervoudig gebroken onderarm, een gebroken bovenarm/elleboog en/of tenminste twee gebroken ribben, althans lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds nu het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode van 30 december 2023 tot en met 20 januari 2024 te Schiedam, althans in Nederland [het slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), zijnde een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin en/of dat aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, opzettelijk geweld uit te oefenen op de rug, de borst, buik, flanken, het voorhoofd, de nek, de linker oksel, het rechterbeen en/of de rechterarm, althans het lichaam, van die [het slachtoffer] , terwijl het feit waardoor [het slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een meervoudig gebroken onderarm, een gebroken bovenarm/elleboog en/of tenminste twee gebroken ribben, althans lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad heeft bekomen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijs­

middelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter

discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de

beoordeling van de bewijsvraag.

Op 20 januari 2024 heeft de moeder van [het slachtoffer] na thuiskomst bij [het slachtoffer] blauwe plekken op zijn ellenboog, rug, hand en buik geconstateerd. Ook heeft zij geconstateerd dat de rechterarm en rechterhand van [het slachtoffer] gezwollen waren en dat hij pijn had. In het ziekenhuis bleek dat de rechterarm van [het slachtoffer] op twee plaatsen was gebroken. [de oom] , de oom van [het slachtoffer] , had bij thuiskomst ook gemerkt dat [het slachtoffer] pijn had. Hij heeft hem toen meegenomen naar zijn slaapkamer. De verdachte, die die dag zowel op zijn zoon [de zoon] als enkele uren op [de zoon] en [het slachtoffer] samen had gepast, heeft daarover onder meer tegen [de oom] gezegd dat hij dacht dat [het slachtoffer] verkeerd op zijn arm had geslapen.Voorafgaand aan 20 januari 2024 heeft de moeder van [het slachtoffer] ook al letsel bij [het slachtoffer] geconstateerd. Zo heeft zij op 29 december 2023 rode krassen in zijn nek en blauwe plekken op zijn rug, zij en heup gezien. Verder heeft zij op 5 januari 2024 gezien dat het voorhoofd van [het slachtoffer] blauw en dik was en dat hij een grote blauwe plek op zijn rug had. Daarnaast zag zij dat [het slachtoffer] ’s nek en borst onder de rode plekken zaten. De moeder van [het slachtoffer] heeft op 20 januari 2024, 5 januari 2024 en 29 december 2023 foto’s gemaakt van het letsel bij [het slachtoffer] . De verdachte heeft zowel op 20 januari 2024, als op 5 januari 2024 als op 29 december 2023 op [het slachtoffer] gepast.

Voor wat betreft 20 januari 2024 overweegt het hof dat uit de verklaringen van [de oom] en de verdachte volgt dat [het slachtoffer] gedurende een aantal uren uitsluitend onder de zorg van de verdachte heeft gestaan. De verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het oppassen heeft opgemerkt dat [het slachtoffer] last had van zijn hand. Toen [de oom] thuis kwam, heeft hij gemerkt dat [het slachtoffer] pijn had. [de oom] zag dat [het slachtoffer] een dikke en harde rechterarm had. Hij heeft [het slachtoffer] toen meegenomen naar zijn eigen kamer en hem daar met hem laten slapen. Kort nadat [het slachtoffer] op die dag weer onder de zorg van zijn moeder was gekomen, is zij met hem naar het ziekenhuis gegaan waar is vastgesteld dat de rechterarm van [het slachtoffer] op twee plaatsen was gebroken. Uit het FARR-rapport volgt dat deze dubbele breuk waarschijnlijker past bij een toegebrachte niet-accidentele krachtsinwerking, dan dat er sprake is van een accidentele krachtsinwerking.

Het verweer van de verdediging dat het letsel mogelijk is veroorzaakt door [de zoon] en het spelen van [de zoon] en [het slachtoffer] , dan wel door een ander die mogelijk toegang had tot [het slachtoffer] , dan wel dat het letsel op andere wijze accidenteel is ontstaan, acht het hof niet aannemelijk geworden. Deze scenario’s zijn niet verenigbaar met de bevindingen van het FARR-rapport. Ook bevatten het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep – in het bijzonder door de grote hoeveelheid geconstateerde letsels bij [het slachtoffer] – geen aanknopingspunten voor een andere toedracht dan een niet-accidentele krachtsinwerking. Er zijn tot slot geen aanwijzingen dat [het slachtoffer] de breuken in zijn rechterarm reeds had opgelopen voordat hij aan de zorg van de verdachte werd toevertrouwd.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat het niet anders kan dan dat het letsel is veroorzaakt door een niet-accidentele krachtsinwerking welke is ontstaan in de periode dat [het slachtoffer] een aantal uren (alleen) aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat dit letsel door handelen van de verdachte moet zijn veroorzaakt, en dat de verdachte hiervoor dus verantwoordelijk is.

Naar het oordeel van het hof kan mede gelet op het voren overwogene voorts worden vastgesteld dat het letsel bij [het slachtoffer] op 29 december 2023 en 5 januari 2024 door toedoen van de verdachte is ontstaan. Ook op die momenten heeft de moeder van [het slachtoffer] , nadat de verdachte op hem had gepast, letsel bij hem geconstateerd, zoals hiervoor beschreven. Uit het FARR-rapport volgt dat naast het op 20 januari 2024 vastgestelde letsel ook sprake was van ouder letsel dat qua aard en ouderdom past bij de letsels die de moeder op die eerdere momenten heeft waargenomen en waarvan zij foto's heeft gemaakt. Het hof ziet in de bevindingen in het FARR-rapport, bezien in samenhang met de door de moeder gemaakte foto's en de overige bewijsmiddelen, een belangrijke bevestiging dat ook het oudere letsel het gevolg is geweest van niet-accidentele geweldsinwerking. De in het rapport beschreven likelihood ratio ondersteunt die conclusie in sterke mate. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid of betrouwbaarheid van deze deskundigenbevindingen te twijfelen. Dat niet vastgesteld kan worden op welke wijze het letsel exact is toegebracht, doet daar niet aan af.Ook voor wat betreft 5 januari 2024 en 29 december 2023 acht het hof de door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario’s, inhoudende dat het letsel mogelijk is veroorzaakt door het spelen van [de zoon] en [het slachtoffer] , dan wel door een ander die mogelijk toegang had tot [het slachtoffer] , dan wel dat het letsel op andere wijze accidenteel is ontstaan, derhalve niet aannemelijk geworden. Deze scenario’s zijn na toetsing daarvan door de medisch deskundige niet verenigbaar met de bevindingen en conclusies van het FARR-rapport. Ook bevatten het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep geen aanknopingspunten voor een andere toedracht dan een niet-accidentele krachtsinwerking.

Het hof verwerpt tevens het subsidiaire verweer van de raadsvrouw dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van het letsel, omdat hij als gevolg van zijn psychische problematiek de gevolgen van zijn handelen niet heeft kunnen overzien. De omstandigheid dat de verdachte blijkens de Pro Justitia-rapportage als verminderd toerekenbaar moet worden beschouwd, vormt onvoldoende grond voor de conclusie dat hij geen opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad of kunnen hebben op het door hem uitgeoefende geweld. De vraag of een verdachte opzettelijk heeft gehandeld, dient te worden onderscheiden van de vraag in hoeverre dat handelen ook aan hem kan worden toegerekend, en zo ja, in welke mate. Het hof is van oordeel dat de verdachte ten minste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [het slachtoffer] door zijn handelen pijn en letsel zou oplopen en heeft opgelopen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Naar het oordeel van het hof leveren de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewijs op dat de verdachte [het slachtoffer] omstreeks de periode van 30 december 2023 tot en met 20 januari 2024 meerdere malen heeft mishandeld waardoor [het slachtoffer] lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van de kleinzoon van zijn vriendin, die bij zijn vriendin in huis woonde. [het slachtoffer] was bijna twee jaar oud en op dat moment aan de zorg en de waakzaamheid van de verdachte toevertrouwd. Op drie verschillende momenten waarop de verdachte aan het oppassen was, heeft [het slachtoffer] lichamelijk letsel opgelopen, bestaande onder meer uit blauwe plekken, een op twee plaatsen gebroken arm en twee gebroken ribben.

Dit is een ernstig feit. De mishandeling vond plaats in de woning van de oma van [het slachtoffer] , zijnde een plek waar hij zich volledig veilig zou moeten kunnen voelen. De verdachte heeft zijn plicht om het jonge kind in zijn kwetsbare positie de juiste zorg te bieden, ernstig verzaakt, door zich meermalen schuldig te maken aan een min of meer ernstige vorm van mishandeling. De ervaring leert dat de slachtoffers, ook wanneer zij nog zeer jong zijn, hiervan geruime tijd, en al dan niet op een later moment, nog de gevolgen kunnen ondervinden.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte, weliswaar enige tijd geleden, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit, zijnde mishandeling.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een Pro-Justitia rapport van 25 juni 2025. Daaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Hiermee samenhangend is de verdachte minder goed dan anderen in staat om de mogelijke gevolgen van zijn handelen te overzien, waarbij bij oplopende druk het risico op acting-out toeneemt. De zwakbegaafdheid en borderline persoonlijkheids-stoornis waren van invloed op het handelen van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Uit het rapport volgt derhalve het advies om het ten laste gelegde (indien bewezenverklaard) in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het hof neemt voormelde conclusies over en maakt deze tot de zijne. Op grond van de vastgestelde stoornis is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het delict als verminderd toerekenbaar moet worden beschouwd. Het hof zal hiermee bij de op te leggen straf rekening houden.

Tot slot heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 6 september 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte hard bezig is om zijn leven op te bouwen. Zo heeft hij een vast contract gekregen bij zijn werkgever, is hij gestart met begeleiding door Humanitas Homerun en is hij op zoek naar zelfstandige huisvesting om een leven op te kunnen bouwen met zijn eigen zoontje dat hij heeft met de grootmoeder van [het slachtoffer] . Voorts vermeldt de reclassering dat de verdachte bereid is mee te werken aan bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert in dat verband een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij De Waag, ambulante begeleiding door Humanitas, alsmede en een contact- en gebiedsverbod. Het hof neemt dit advies grotendeels over en zal deze bijzondere voorwaarden opleggen, met uitzondering van het gebiedsverbod. Ter terechtzitting in hoger beroep is immers gebleken dat de moeder van [het slachtoffer] en [het slachtoffer] niet langer op het desbetreffende adres van de grootmoeder van [het slachtoffer] wonen. Gelet daarop is het hof van oordeel dat met een contactverbod kan worden volstaan.

Door de psycholoog wordt in het Pro-Justitia rapport aanvullend geadviseerd om de huidige begeleiding van de verdachte aan te vullen met een individuele behandeling (van de borderline problematiek) binnen een forensische polikliniek zoals bij De Waag, waarbij rekening wordt gehouden met het lage denkniveau van de verdachte. Het hof neemt dit advies – gelet op de aard en ernst van de persoonlijke problematiek van de verdachte – over en zal ook deze behandeling opleggen als bijzondere voorwaarde.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, met oplegging van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden, in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, een passende en geboden reactie vormen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

zich meldt op afspraak bij zijn vaste toezichthouder van Reclassering Nederland. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

zich ambulant (zonder opname) gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling noodzakelijk vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

zich laat begeleiden bij zijn praktische zaken door Humanitas-Homerun zo lang de reclassering dit nodig acht;

zich individueel zal laten behandelen binnen een forensische polikliniek als De Waag (waarbij rekening wordt gehouden met het lage denkniveau van de verdachte), te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering deze behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [het slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] en met (zijn moeder) [naam van moeder] , geboren op [geboortedatum 3] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, als voorzitter, mr. H. Steenhuis en

mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 augustus 2026.

Artikel delen