Poging tot doodslag. De verdachte heeft op klaarlichte dag en midden op straat met een vuurwapen geschoten op het slachtoffer. Verweren noodweer(exces), putatief noodweer en psychische overmacht verworpen.
Gerechtshof Den Haag 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2519
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
22-001786-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHDHA:2026:2519text/xmlpublic2026-08-05T12:44:002026-08-04Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Den Haag2026-04-1622-001786-25UitspraakHoger beroepNLDen HaagStrafrechtEerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2025:8847Rechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2519text/htmlpublic2026-08-05T12:42:252026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHDHA:2026:2519 Gerechtshof Den Haag , 16-04-2026 / 22-001786-25 Poging tot doodslag. De verdachte heeft op klaarlichte dag en midden op straat met een vuurwapen geschoten op het slachtoffer. Verweren noodweer(exces), putatief noodweer en psychische overmacht verworpen.
Rolnummer: 22-001786-25
Parketnummers: 10-047793-25 en 10-067274-23 (TUL)
Datum uitspraak: 16 april 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2025 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
thans gedetineerd in [naam P.I.] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (poging tot doodslag), 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader vermeld in het vonnis waarvan beroep en is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Rotterdam van 9 november 2023, met parketnummer 10-067274-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermaals op dan wel in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock, model 19 gen 4, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en/of (bijbehorende) munitie van categorie III, te weten één of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad; 3.hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1.hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermaals op dan wel in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geschoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2.hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock, model 19 gen 4, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en/of (bijbehorende) munitie van categorie III, te weten één of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad; 3.hij op of omstreeks 13 februari 2025 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd. en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht. De strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde feit en de dader Inleiding De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij al hetgeen hem wordt verweten heeft begaan. Hij heeft daarover stellig en tot in detail verklaard. Het komt erop neer dat hij met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van [slachtoffer 1] . De verdachte zat toen gehurkt naast een geparkeerde Audi en schoot door de portierruit aan de bestuurderszijde terwijl op dat moment – de verdachte wist dat ook – [slachtoffer 1] zich in de (directe) nabijheid bevond van de portierruit aan de bijrijderszijde. De afgevuurde kogel heeft vlak onder die ruit het portier verlaten. [slachtoffer 1] is (net) niet geraakt. De rechtbank heeft dit feitencomplex integraal bewezenverklaard als de feiten 1 (impliciet primair), 2 en 3. Hiertegen zijn geen verweren gevoerd en er is geen vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 wordt in de pleitnota weliswaar het (voorwaardelijk) opzet bestreden, maar de raadsman heeft ter terechtzitting – gehoord hebbende de zittingsverklaring van de verdachte – expliciet afstand gedaan van dat (tot vrijspraak strekkende) verweer en zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het standpunt van de verdediging Namens de verdachte is aangevoerd dat hij niet strafrechtelijk aansprakelijk is voor hetgeen hij heeft gedaan. Om die reden moet hij, aldus de raadsman, worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Achtereenvolgens is daartoe een beroep gedaan op noodweer, noodweerexces, putatief noodweer, putatief noodweerexces en tot slot psychische overmacht. Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat geen van de gevoerde verweren kan slagen. Oordeel van het hof Op 13 februari 2025 heeft in een woonwijk te Rotterdam een schietpartij plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer 1] . Dat was omstreeks 16.15 uur, rondom een personenauto die geparkeerd stond aan de [straat]. Een eerste bijzonderheid van deze strafzaak is dat er camerabeelden beschikbaar zijn waarop een deel van de gebeurtenissen duidelijk te zien is. De opname wordt voor deze zaak relevant op het moment dat eerst [slachtoffer 1] en daarna de verdachte rennend in beeld komen. Een andere bijzonderheid is dat [slachtoffer 1] heeft geweigerd om ook maar iets te verklaren over deze gebeurtenis. Tot slot heeft niemand anders er (inhoudelijk) over verklaard.
Een belangrijke complicatie in deze strafzaak is dat alles wat naar voren is gebracht ter onderbouwing van de verweren, zou zijn gebeurd voordat de verdachte en [slachtoffer 1] in beeld verschijnen. Het komt erop neer dat het hof uitsluitend het woord van de verdachte heeft, daar waar het gaat om de beoordeling van de door hem gepresenteerde feiten en omstandigheden. Dit is – samengevat – wat de verdachte daarover ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard. Hij was die middag samen met twee andere mannen aan het chillen in een zwarte VW Polo (hierna: de Polo). Dit was in een parkeervak aan de [straat], vlakbij waar later de schietpartij zou plaatsvinden. De bijrijder was [bijrijder] . Ongewis blijft wie de bestuurder was, de verdachte heeft zijn naam niet willen noemen. De verdachte zat links achterin, achter de bestuurder. Op enig moment, na ongeveer een dik anderhalf uur chillen, rijdt een grijze BMW voorbij en stopt. Iemand – dat blijkt genoemde [slachtoffer 1] te zijn – stapt uit, en loopt vervolgens richting de Polo. [slachtoffer 1] begint een stevige ‘discussie’ met de bijrijder, wiens portierruit is geopend. Op enig moment herkent de verdachte [slachtoffer 1] , en hij weet zeker dat dit wederzijds is. De verdachte stapt vervolgens uit, en het komt dan direct tot een confrontatie tussen hen beiden. [slachtoffer 1] richt, over het dak van de Polo, een vuurwapen op de verdachte, dit op een afstand van circa één meter. De verdachte vreesde dat zijn liquidatie aanstaande was. Het vuurwapen maakte echter een klikgeluid. De verdachte wist dat dit betekende dat het wapen haperde. De vermeende aanslag was kennelijk mislukt, waarna [slachtoffer 1] wegrende van de Polo. De verdachte koos er doelbewust voor om vervolgens achter hem aan te rennen. Hij trok zijn eigen doorgeladen vuurwapen en richtte dat al rennend op [slachtoffer 1] . Hij wilde hem afschrikken, om te voorkomen dat [slachtoffer 1] zou terugkomen om het ‘karwei’ af te maken.
Kort daarop verschijnen zij beiden rennend in beeld. Wat vervolgens heeft plaatsgevonden kan dus objectief worden waargenomen. De verdachte heeft tot aan het einde van de schietpartij zijn vuurwapen in zijn hand gehouden.
De beelden zijn niet ter terechtzitting in hoger beroep getoond. Wél heeft het hof ze van tevoren bekeken en besproken op zitting. In eerste aanleg zijn de beelden wel getoond. De rechtbank heeft de inhoud ervan omschreven in het vonnis. Gesteld noch gebleken is dat dit een onjuiste/onvolledige weergave zou zijn. Het hof sluit zich als volgt daarbij aan. Op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 1] rennend over straat achter een geparkeerde auto duikt en zich daar schuilhoudt. Al snel hierna komt ook de verdachte rennend aan bij die auto. Beide mannen kijken naar elkaar, bewegen zich aan weerszijden rond de auto, waarbij zij met elkaar meebewegen en daarbij steeds de auto tussen zich houden. Zij hebben dan beiden een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de hand en richten deze op momenten ook over het dak van de auto op elkaar.
Te zien is dat de verdachte op enig moment aan de bestuurderskant van de auto staat, terwijl [slachtoffer 1] aan de andere zijde van de auto recht tegenover hem staat. Beiden staan steeds zeer dicht op de auto en de verdachte houdt daarbij zijn vuurwapen ook steeds met een gestrekte arm gericht op [slachtoffer 1] .
De verdachte gaat dan licht door de knieën en houdt via de ruiten van de auto zicht op
[slachtoffer 1] aan de andere zijde van de auto. Aan de richting van de gestrekte arm van de verdachte is te zien dat hij ook dan zijn vuurwapen steeds op [slachtoffer 1] blijft richten. Direct nadat [slachtoffer 1] zijn wapen ter hoogte van bijrijdersportier over het dak van de auto op de verdachte richt en daarna weer omlaag duikt, gaat de verdachte bij het voorportier aan de bestuurderskant van de auto nog wat verder door de knieën en schiet vanuit die positie op de ruit van het rechter voorportier. Op dat moment bevond [slachtoffer 1] zich gehurkt bij het bijrijdersportier, recht tegenover de positie van de verdachte.
Direct na het door de verdachte geloste schot rent [slachtoffer 1] weg van de auto, de verdachte wijst met zijn vuurwapen [slachtoffer 1] nog na, maar rent dan even later zelf ook weg, in tegengestelde richting. Wanneer de verdachte wegrent en uit beeld verdwijnt zijn nog twee schoten te horen. De verdachte heeft verklaard, ook ter terechtzitting in hoger beroep, dat hij degene is geweest die het eerste schot heeft gelost en dat de andere twee schoten door [slachtoffer 1] zijn gelost. De bevindingen uit het forensisch onderzoek ondersteunen de juistheid van die stelling. Bespreking van de verweren Het hof zal ten behoeve van de leesbaarheid de verweren in gezamenlijkheid bespreken. Noodweer (exces) Wettelijke omschrijving Art. 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt:
"1. Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.
2. Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt." Het hof stelt voorop dat het in hoger beroep door de verdachte aangevoerde noodweerscenario, dat overigens anders is dan het in eerste aanleg aangevoerde scenario, uitsluitend berust op zijn eigen verklaring. Het scenario - dat plaatsgevonden zou hebben vlak voor de schietpartij - vindt geen steun in, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Het hof acht de feitelijke toedracht die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, ook niet in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, niet aannemelijk geworden. Maar zelfs al zou het door de verdachte geschetste scenario wél aannemelijk zijn bevonden, kan hem dat nog steeds niet baten.
Een beroep op noodweer kan namelijk niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als ‘verdediging’, maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht. Het scenario van de verdachte volgend, zou kunnen worden betoogd dat er voor hem sprake was van een noodweersituatie toen [slachtoffer 1] zijn vuurwapen op hem richtte. Echter, die noodweersituatie was vlak daarna tot een einde gekomen: nadat zijn vuurwapen had gehaperd rende [slachtoffer 1] van de verdachte weg. Op het moment dat [slachtoffer 1] op de vlucht was geslagen en hem de rug had toegekeerd, heeft de verdachte er bewust voor gekozen om met een getrokken en doorgeladen vuurwapen achter hem aan te rennen. Dat kan hem worden verweten, aangezien hij zich had kunnen maar ook moeten onttrekken aan die nieuwe situatie die zich hierdoor kenmerkte dat [slachtoffer 1] zich rennend van de verdachte verwijderde. Gelet op de situatie ter plaatse, had de verdachte meerdere vluchtwegen tot zijn beschikking. En daarnaast is onvoldoende gebleken dat die onttrekking geen reëel alternatief was. Door zich dus niet uit de voeten te maken in een richting tegengesteld aan die van [slachtoffer 1] , maar door, integendeel, achter [slachtoffer 1] aan te gaan, was de verdachte dus aanvallend bezig.
Het is dan ook te begrijpen dat [slachtoffer 1] zich aan die tegenaanval probeerde te onttrekken door zich te verschuilen achter een auto. Dat [slachtoffer 1] op enig moment zijn vuurwapen over deze auto op de verdachte heeft gericht, acht het hof gezien de wijze van benadering door de verdachte gerechtvaardigd. Vanuit zijn optiek bezien, moest hij zich verdedigen tegen de op dat moment ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding die de verdachte jegens hem had ingezet. De slotsom is dat het beroep op noodweer moet worden afgewezen.
Het feit is strafbaar.
Ook het beroep op noodweerexces kan niet slagen. Dit reeds omdat het hof al heeft vastgesteld dat de verdachte de aanval jegens [slachtoffer 1] had ingezet. De daarvóór bestaande noodweersituatie, als het hof de verdachte daarin al zou volgen, was op dat moment al beëindigd. Er was dan ook geen sprake meer van enige noodzakelijke verdediging. Putatief noodweer(exces) Ter onderbouwing van dit verweer is aangevoerd dat de verdachte verschoonbaar in de veronderstelling verkeerde zich te moeten verdedigen tegen een (verdere) aanval door [slachtoffer 1] .
Bij dit beroep moet worden onderzocht of sprake was van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte. Te denken valt aan een situatie waarbij hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen, dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.
Daar staat echter tegenover dat een beroep op noodweer (logischerwijze) kan niet worden aanvaard wanneer de gedraging van degene die zich hierop beroept, op grond van zijn bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging kan worden aangemerkt als verdedigend, maar – naar de kern bezien – als aanvallend. In een dergelijk geval kan ook een beroep op putatief noodweer niet slagen (ECLI:NL:HR:2010:BK4788). Het hof heeft onder het kopje ‘Noodweer(exces)’ reeds overwogen waarom het hof van oordeel is dat niet is gebleken van verdedigingshandelingen door de verdachte, zodat reeds om die reden een beroep op putatief noodweer(exces) niet kan slagen. Psychische overmacht Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is noodzakelijk dat er sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het moet gaan om exceptionele omstandigheden.
Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een zodanig van buiten komende drang dat de verdachte daaraan onder de gegeven omstandigheden, zoals die uit de stukken in het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting blijken, redelijkerwijze geen weerstand kon en behoefde te bieden. Welke de van buiten komende drang is geweest is door de raadsman niet geconcretiseerd en kan ook niet blijken uit de eigen verklaring van de verdachte.
Bovendien had de verdachte zich, zoals hiervoor overwogen, niet in de hiervoor beschreven situatie hoeven te begeven, nu hij niet achter [slachtoffer 1] had hoeven aan te gaan. Hij kon zich aan hem onttrekken en had dat ook moeten doen. Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve eveneens verworpen. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde feit en de verdachte uitsluit. Zowel het feit als de verdachte zijn dus strafbaar.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 (impliciet primair) bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag. Het onder 2 bewezenverklaarde levert op: de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2°
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. Het onder 3 bewezenverklaarde levert op: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen. Strafbaarheid van de verdachte Er is, zoals reeds eerder overwogen, geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen en een poging tot doodslag door op 13 februari 2025 op klaarlichte dag en midden op straat, waar ook onschuldige voorbijgangers liepen, met dat wapen te schieten op [slachtoffer 1] . Bij het schieten is de auto, waar [slachtoffer 1] zich achter verschool, beschadigd geraakt.
Het gemak waarmee de verdachte besloot in een woonwijk met een doorgeladen vuurwapen in de hand de achter [slachtoffer 1] aan te rennen en de confrontatie aan te gaan door gericht op hem te schieten, is op zijn zachtst gezegd onthutsend. De verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met andere personen die in de straat aanwezig waren en heeft, door het vuurwapen op deze wijze te gebruiken, zeer gevaarlijk gehandeld. Het feit dat voetgangers weg moesten vluchten om het vege lijf te redden is ongetwijfeld schokkend en beangstigend voor hen geweest, zoals ook op de audio van de camerabeelden te horen is aan de geschokte kreten van derden. De ervaring leert dat ernstige misdrijven als deze, bij de aanwezigen en in de samenleving, gevoelens van onveiligheid en afschuw teweegbrengen. Het hof neemt dit de verdachte zeer kwalijk. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Voorts heeft het hof acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van 1 mei 2025. De reclassering acht de situatie van de verdachte zorgelijk. Op zijn jonge leeftijd is de
verdachte al verschillende keren voor ernstige delicten met justitie in aanraking gekomen.
Er is sprake van een hoog risico op recidive en geweld. Er zijn signalen van een crimineel
netwerk, een cognitieve beperking en een pro-criminele houding. Bovendien lijkt de verdachte volhardend in crimineel gedrag. Alhoewel de verdachte nu zegt open te staan voor
reclasseringstoezicht en bijzondere voorwaarden, kan de reclassering nog steeds niet werken
aan risicobeheersing, omdat niet duidelijk is geworden in welk milieu de verdachte zich
begeeft en welke risico's dit meebrengt. Er is geen zicht op het psychosociaal welzijn van de
verdachte en eventuele interventies die daarop aansluiten. De reclassering heeft daarnaast ook geen motivatie bij de verdachte tot gedragsverandering gehoord. Hij lijkt geen lijdensdruk te ervaren van zijn leefstijl en berust in de situatie, waarin hij zich al vanaf zijn achttiende jaar begeeft. Ook heeft het hof acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland van 12 januari 2026 (“Detentie & Re-integratieplan”). Gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte kan niet anders worden
gereageerd dan met het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Anders dan zoals door de verdediging is bepleit, ziet het hof geen aanknopingspunten om een sterk gematigde gevangenisstraf op
te leggen. Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2] In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde feit 3, tot een bedrag van € 4.608,70, te vermeerderen met de wettelijke rente. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. De advocaat-generaal heeft bevestiging van het vonnis gevorderd en derhalve geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.338,51, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 4.338,51 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit 3. De schade bestaat uit de gemaakte kosten voor het laten
repareren van het interieur en de autodeur (€ 4.263,51) en het door de ANWB in mindering
gebrachte bedrag van het eigen risico (€ 75,-) in verband met de wel vergoede ruitschade. Dit maakt dat de totale materiële schade wordt vastgesteld op € 4.338,51. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof is van oordeel dat de vordering voor overige dient te worden afgewezen. Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 4.338,51, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2025, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] . Vordering tenuitvoerlegging Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2023 onder parketnummer 10-067274-23 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met het bevel dat een gedeelte van die gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestiging van het vonnis gevorderd en derhalve gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond. Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 55, 57, 63, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair (poging tot doodslag), 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.338,51 (vierduizend driehonderdachtendertig euro en eenenvijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.338,51 (vierduizend driehonderdachtendertig euro en eenenvijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 20 maart 2025. Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2023, parketnummer 10-067274-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van:
gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden. Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, als voorzitter, mr. G.C. Haverkate en
mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 april 2026.