incident ex artikel 224 Rv - vordering tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten.
Gerechtshof Den Haag 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2555
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
200.359.980/01 I(2)
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:GHDHA:2026:2555text/xmlpublic2026-08-05T16:07:092026-08-05Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof Den Haag2026-06-16200.359.980/01 I(2)UitspraakKort gedingTussenuitspraakNLDen HaagCiviel rechtEerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2025:12840, OverigRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2555text/htmlpublic2026-08-05T14:47:382026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHDHA:2026:2555 Gerechtshof Den Haag , 16-06-2026 / 200.359.980/01 I(2) incident ex artikel 224 Rv - vordering tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten.
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht
Team Handel Zaaknummer hof : 200.359.980/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/704101 / KG ZA 25-772 Arrest van 16 juni 2026 in het incident ex artikel 224 Rv in de zaak van National Iranian Oil Company,
gevestigd in Teheran, Iran,
appellante,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. A. Taheri-Bhajan, kantoorhoudend in Capelle aan den IJssel, tegen Heuvel Vastgoed B.V.,
gevestigd in Deventer,
geïntimeerde,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. J.J. Bakker, kantoorhoudend in Amsterdam. Het hof noemt partijen hierna NIOC en Heuvel. 1De zaak in het kort1.1 Heuvel vordert in dit incident zekerheid voor de proceskosten. Het hof wijst deze vordering toe. 2Procesverloop in hoger beroep2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 2 september 2025, waarmee NIOC in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2025, met bijlage; de memorie van grieven tevens verzoek tot ordemaatregel van NIOC, met bijlagen; de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid voor betaling van proceskosten ex art. 224 Rv van Heuvel, met bijlagen; de conclusie van antwoord in het incident tot zekerheidsstelling van NIOC, met bijlagen. 3Aanleiding voor dit incident3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.2 Crescent Gas Corporation Limited (hierna: Crescent) heeft naar aanleiding van een vordering op NIOC, een Iraans staatsbedrijf, en een tussen hen gewezen arbitraal vonnis van 27 september 2021 op 22 mei 2022 conservatoir beslag gelegd op het bedrijfspand van NIOC aan de Blaak 512 in Rotterdam (hierna: het pand). Het pand is vervolgens op 20 april 2023 op een openbare executieveiling verkocht en geleverd aan Heuvel. Het arbitraal vonnis is later door dit gerechtshof bekrachtigd. 3.3 Na de veiling hebben enkele procedures plaatsgevonden tussen NIOC en Heuvel, waarbij beslaglegging door NIOC en teruglevering van het pand van Heuvel aan NIOC centraal stonden. Volgens NIOC is Heuvel nooit eigenaar geworden van het pand. Na definitieve verlening van beslag op het pand, heeft de rechtbank in het vonnis van 23 juli 2025 (hierna: het vonnis in de bodemzaak) de vordering – zakelijk weergegeven – tot teruglevering aan NIOC afgewezen en het door NIOC gelegde beslag opgeheven. 3.4 Vervolgens heeft NIOC een kort geding aangespannen bij de rechtbank Rotterdam tegen Heuvel (hierna: de hoofdzaak), kort gezegd om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis in de bodemzaak te schorsen. 3.5 In het vonnis in de hoofdzaak, van 6 augustus 2025, wees de voorzieningenrechter de vordering van NIOC tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis in de bodemzaak af. De voorzieningenrechter wees de tegenvordering van Heuvel in de hoofdzaak, om inschrijving van het beslag op het pand door Heuvel te laten doorhalen, toe. NIOC is in hoger beroep gekomen van het vonnis in de hoofdzaak. Heuvel heeft een incident ingesteld tot het stellen van zekerheidstelling voor de proceskosten van (onder meer) dat hoger beroep, waarop het hof in dit arrest beslist. NIOC heeft een incident ex 223 Rv opgeworpen, waarop het hof in een arrest van gelijke datum beslist. 4De vordering in incident4.1 In het incident verzoekt Heuvel, samengevat, dat het hof NIOC beveelt om zekerheid te stellen ter hoogte van € 3.653, met bepaling dat indien de zekerheidstelling niet plaatsvindt, er geen beslissing wordt genomen op het verzoek om voorlopige voorzieningen van NIOC en ten gronde en NIOC niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Heuvel verzoekt het hof voorts dat indien NIOC afdoende zekerheid heeft gesteld, de zaak weer naar de rol te verwijzen voor antwoord zijdens Heuvel in het incident ex art. 223 van NIOC. Eveneens verzoekt Heuvel het hof om NIOC in de proceskosten van het incident te veroordelen. 4.2 NIOC concludeert – zakelijk weergegeven – primair tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van Heuvel in de proceskosten van het geding. Subsidiair concludeert NIOC te bepalen dat zekerheid gesteld dient te worden voor een bedrag van € 2.847,- op een wijze die feitelijk mogelijk is en in ieder geval niet in strijd is met de geldende sancties betrekking hebbend op NIOC, en wel binnen een termijn die – gelet op de door het hof te bepalen wijze – in redelijkheid en billijkheid haalbaar is. NIOC concludeert voorts tot veroordeling van Heuvel in de proceskosten, dan wel compensatie van de proceskosten in het incident. 5Beoordeling van de vordering in incident5.1 Artikel 224 lid 1 Rv neemt tot uitgangspunt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen in een geding, verplicht zijn om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.. Artikel 224 Rv is op grond van artikel 353 lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in hoger beroep alleen de oorspronkelijk eiser die ook principaal hoger beroep heeft ingesteld, kan worden verplicht tot het stellen van zekerheid (artikel 353 lid 2 Rv). NIOC is oorspronkelijk eiser die ook principaal hoger beroep heeft ingesteld. 5.2 Heuvel heeft ter onderbouwing van zijn vordering tot het stellen van zekerheid aangevoerd dat NIOC gevestigd is in Teheran en geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Volgens Heuvel zijn – in tegenstelling tot wat NIOC aanvoert - geen van de uitzonderingen genoemd in lid 2 van artikel 224 Rv van toepassing. 5.3 Het hof is van oordeel dat, anders dan NIOC aanvoert, zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Uit het door NIOC overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat zij haar statutaire zetel in Iran heeft. De omstandigheden dat NIOC een ruimte huurt in Capelle aan den IJssel en over personeel in Nederland beschikt, zijn onvoldoende om een andere conclusie te rechtvaardigen. 5.4 NIOC voert daarnaast aan dat zij op grond van artikel 224 lid 2 sub c Rv niet verplicht is tot het stellen van zekerheid, omdat Heuvel beschikt over kantoorinventaris die nog steeds eigendom is van NIOC, waarvan Heuvel op de hoogte is. NIOC heeft echter niet nader gespecificeerd om welke goederen het gaat en onderbouwd wat de waarde van die goederen is. Bovendien is niet duidelijk of het voor Heuvel mogelijk is om deze goederen te gelde te maken. Daarmee is onvoldoende aannemelijk dat deze goederen Heuvel voldoende verhaal kunnen bieden bij een mogelijke proceskostenveroordeling van NIOC. 5.5 NIOC voert daarnaast aan dat het voor NIOC als Iraanse entiteit die onder door de Europese Unie opgelegde sancties valt, niet toegestaan is om zekerheid te stellen. Dit leidt er volgens NIOC toe dat door het toewijzen van de vordering de effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd. Het hof overweegt dat NIOC de door haar gestelde onmogelijkheid zekerheid te verschaffen onvoldoende heeft toegelicht. Zo heeft zij niet met stukken onderbouwd dat zij op grond van de door haar aangehaalde artikelen 25 en 26 van de Verordening (EU) nr. 267/2012, geen toestemming kan verkrijgen voor de in deze procedure gevorderde zekerheid. 5.6 Heuvel gaat voor de proceskosten in hoger beroep uit van een bedrag van € 3.653,-. NIOC stelt zich (subsidiair) op het standpunt dat het bedrag waarvoor zij zekerheid zou moeten stellen € 2.847,- bedraagt. 5.7 Het hof overweegt dat de verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat voor de te liquideren proceskosten in hoger beroep. Het hof begroot een eventuele proceskostenveroordeling van NIOC op € 3.870 (3 punten, tarief II) aan advocaatkosten; € 189,- aan nakosten en € 98,- aan kosten bij te late betekening. Ook het op € 827,- bepaalde griffierecht wordt bij de zekerheidstelling in aanmerking genomen. De vordering tot het stellen van de zekerheid tot een bedrag van € 3.653,- is daarom toewijsbaar. 5.8 De conclusie is dat de incidentele vordering van Heuvel tot zekerheidstelling zal worden toegewezen. Heuvel vordert niet een bepaalde vorm van zekerheidsstelling, zodat het hof zal aansluiten bij hetgeen is bepaald in artikel 6:51 lid 2 BW. Het hof bepaalt de termijn voor het stellen van de zekerheid door NIOC op zes weken, waarna Heuvel zich bij akte kan uitlaten over de zekerheidsstelling. Het hof zal de beslissing over de proceskostenveroordeling in het incident aanhouden. 6Beslissing Het hof: in het incident beveelt dat NIOC zekerheid stelt voor een bedrag van € 3.653,- voor de proceskosten waarin zij in deze zaak (waaronder het onderhavige incident) kan worden veroordeeld; bepaalt dat NIOC deze zekerheid moet hebben gesteld in een vorm die aan de eisen van artikel 6:51 lid 2 BW voldoet, binnen zes weken na de datum van dit arrest, dus uiterlijk op 28 juli 2026, op straffe van niet-ontvankelijkheid van NIOC in de hoofdzaak; verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak; wijst het meer of anders gevorderde af; in de hoofdzaak verwijst de zaak naar de rol van 11 augustus 2026 voor het nemen van een akte als bedoeld in 5.8 hierboven, aan de zijde van Heuvel; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mr. P. Volker, mr. H.J. van Harten en mr. B.R. ter Haar en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier. Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010.