Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:406

Art. 6 EVRM; Art. 420bis Sr; Art. 420ter Sr. Medeplegen van (gewoonte)witwassen van geldbedragen tot ruim € 1,6 miljoen en een BMW X6; rol van financieel, juridisch en fiscaal adviseur; gebruikmaking van schijnconstructies; strafoplegging: 3 jaren gevangenisstraf; schending redelijke termijn.

Gerechtshof Den Haag 12 May 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:406 text/xml public 2026-05-12T13:35:25 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-17 22-003071-18 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:406 text/html public 2026-05-12T13:34:22 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:406 Gerechtshof Den Haag , 17-03-2026 / 22-003071-18
Art. 6 EVRM; Art. 420bis Sr; Art. 420ter Sr. Medeplegen van (gewoonte)witwassen van geldbedragen tot ruim € 1,6 miljoen en een BMW X6; rol van financieel, juridisch en fiscaal adviseur; gebruikmaking van schijnconstructies; strafoplegging: 3 jaren gevangenisstraf; schending redelijke termijn.

Rolnummer: 22-003071-18

Parketnummers: 10-750124-15 en 10-750391-16

Datum uitspraak: 17 maart 2026

TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1958,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 10-750124-15 onder 1, 2 en 3 en onder parketnummer 10-750391-16 onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. De zaken onder deze beide parketnummers zijn ter terechtzitting op 6 juni 2018 gevoegd.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

onder parketnummer 10-750124-15:

1.Witwassen BMW X6

hij, in of omstreeks de periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam en/of Dordrecht, althans (elders) in Nederland en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een BMW X6, althans enig goed verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten (een) BMW X6, was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat deze BMW X6 - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)

2.Witwassen fictief loon

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2015 te Berkel en Rodenrijs en/of Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een geldbedrag van in totaal EUR 307.561,- (bestaande uit 'winst uit onderneming' een bedrag à EUR 118.875 en 'loon uit arbeid' een bedrag à EUR 188.686) althans enig(e)geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)

3.Witwassen [zaaksdossier 2]

hij, in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 17 april 2015 te Berkel en Rodenrijs en/of Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een geldbedrag van in totaal EUR 87.500,- althans enig(e)geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)

onder parketnummer 10-750391-16:

1.

Onderzoek [zaaksdossier 1] (ter berechting gevoegd bij parketnummer 10-750124-15)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 28 februari 2013, te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats 1] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 410.000,- euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)

2.Onderzoek Setter (ter berechting gevoegd bij parketnummer 10-750124-15)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2013 tot en met 31 maart 2014 te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 852.050 euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

(artikel 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht)

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest. De advocaat-generaal heeft zich omtrent het beslag niet uitgelaten.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Bewijsoverwegingen
Algemeen kader witwassen
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Vervolgens zal de rechter moeten beoordelen of de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Feiten en omstandigheden
Algemene vaststellingen

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte [verdachte] (veder: de verdachte) trad op als financieel, juridisch en fiscaal adviseur van [persoon 1] (verder: [persoon 1] ) in de periode dat de tenlastegelegde feiten plaatsvonden, te weten van 2011 tot medio 2015.

[persoon 1] is in 2020 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren wegens -onder andere - de invoer van ongeveer 300 kilogram cocaïne in december 2013, voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne van oktober 2014 tot juni 2015, de omkoping van een douaneambtenaar in de haven van Rotterdam tussen 1 mei 2013 en 17 april 2015 en witwassen op verschillende tijdstippen tussen januari 2010 en juni 2015. Deze veroordeling is onherroepelijk nu het cassatieberoep bij arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2021 is verworpen.

De verdachte werkte in de hieronder nader te bespreken vijf situaties samen met medeverdachte [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ), geboren in [geboorteland] . [medeverdachte 1] was in die periode gevolmachtigd om namens [bedrijf 1] (verder: [bedrijf 1] ), een rechtspersoon gevestigd in Panama, te handelen en was voorts als enige bevoegd voor de bankrekening van [bedrijf 1] bij de [naam bank 2] (verder: [naam bank 2] ), van welke rekening [medeverdachte 1] in die periode de Ultimate Beneficial Owner was. De verdachte had met [medeverdachte 1] afgesproken dat de bankrekening van [bedrijf 1] in Liechtenstein zou worden gebruikt voor het overmaken en doorstorten van geldbedragen.

De financiële geldstromen tussen [persoon 1] , [medeverdachte 1] en de verdachte verliepen als volgt. Op de bankrekening van [bedrijf 1] bij de [naam bank 2] werden geldbedragen gestort danwel overgemaakt die toebehoorden aan [persoon 1] . Deze geldbedragen werden door [medeverdachte 1] op verzoek van de verdachte en ten behoeve van [persoon 1] weer doorgestort naar andere bedrijven en/of dienstverleners. De verdachte stuurde [medeverdachte 1] aan en [medeverdachte 1] deed wat de verdachte hem vroeg. Voornoemde geldbedragen op de bankrekening van [bedrijf 1] konden soms worden herleid naar eerdere contante stortingen op een [naam bank 1] bankrekening op naam van [medeverdachte 1] en in andere gevallen ging het om overboekingen van bedrijven.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde onder parketnummer 10-750124-15 (witwassen BMW X6)

Vaststellingen

Tussen [bedrijf 2] (verder: [bedrijf 2] ) en medeverdachte [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) is een koopovereenkomst gesloten ter zake een blauwe BMW X6 met als verkoopprijs € 107.995. Tevens is overeengekomen dat een BMW X5 ( [kenteken 1] ) voor een bedrag van € 27.000 door [medeverdachte 2] zou worden ingeruild, zodat als restant betaling een bedrag van € 80.995 diende te worden voldaan. Op 13 maart 2013 is een verkoopfactuur met factuurnummer [nummer] opgemaakt op naam van [medeverdachte 2] voor van een BMX X6 ( [kenteken 2] ). [medeverdachte 2] is gehuwd geweest met [persoon 2] .

De verdachte maakte gebruik van een kantoorruimte aan de [adres 1] te Barendrecht. Tijdens de doorzoeking van deze kantoorruimte is in de e-mailbox van de verdachte een e-mail van 12 april 2013 aangetroffen van [medeverdachte 1] aan de verdachte. [medeverdachte 1] stuurde als bijlage bij deze e-mail een Excelbestand met daarin bankmutaties. Hieruit kan worden opgemaakt dat vanaf de bankrekening van [bedrijf 1] bij [naam bank 2] op 28 maart 2013 een bedrag van

€ 81.004,10 is overgeboekt naar [bedrijf 2] onder vermelding van o.a. “ [betalingskenmerk] ”.

Voorts is in de mappenstructuur van user [verdachte] (naar het hof begrijpt: de verdachte) een map genaamd “ [naam map] ” aangetroffen. In deze map is onder meer een document aangetroffen, gedateerd 13 maart 2013, waarin staat dat [medeverdachte 1] namens [bedrijf 1] is overeengekomen dat [bedrijf 3] , een Belgische rechtspersoon, 14 fenders zal leveren voor een bedrag van € 81.000. Betaling dient te geschieden aan [bedrijf 2] met vermelding van “ [betalingskenmerk] ”. In de periode van 26 maart 2013 tot en met 28 maart 2013 is op voornoemde rekening van [bedrijf 1] in totaal een bedrag van € 90.000 ontvangen van [bedrijf 3] .

De vertaling van “fender” vanuit het Engels naar het Nederlands betreft: stootkussen, haardrand, spatbord en/of haardscherm, vuurscherm.

Desgevraagd heeft [persoon 3] (verder: [persoon 3] ),een van de twee bestuurders van [bedrijf 3] , verklaard dat [bedrijf 3] op verzoek van de verdachte geld heeft overgemaakt naar [bedrijf 1] .

In de administratie van [bedrijf 2] is voornoemde betaling via de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] blijkens een handgeschreven notitie “ [nummer] ” gekoppeld aan de koopovereenkomst met betrekking tot de BMW X6.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van A-3727 heeft [medeverdachte 2] op 17 juni 2015 tegen verbalisant A-3727 gezegd: “die X5 hebben we ingeruild tegen die X6 en daar heeft [persoon 1] (het hof begrijpt: [persoon 1] ) een stuk van bijbetaald” en “hij heeft het geld aan een of andere Hindoestaan gegeven en die zorgde er dan weer voor dat het in Panama op een rekening kwam en vervolgens heeft [persoon 1] het geld vanaf daar overgemaakt. Ik geloof dat [persoon 1] 10 procent moest betalen toen”, of woorden van gelijke strekking.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat er een BMW voor [medeverdachte 2] was gekocht. [persoon 1] zei dat hij geld over zou maken naar de rekening van [medeverdachte 1] en dan moest de verdachte opdracht geven aan [medeverdachte 1] om het over te maken aan de autodealer, aldus de verdachte.
Beoordeling door het hof Witwasvermoeden gerechtvaardigd?
Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat de BMW X6 van [medeverdachte 2] is aangekocht door de inruil van een BMW X5 in combinatie met een bijdrage van [persoon 1] van € 81.000. Dit bedrag van € 81.000 is afkomstig van de partner van [medeverdachte 2] en op de rekening van [bedrijf 2] gestort via [bedrijf 3] en de Liechtensteinse bankrekening van de Panamese vennootschap [bedrijf 1] . Voorafgaand aan deze betaling heeft een derde persoon geld van [persoon 1] gekregen en ervoor gezorgd dat het in Panama kwam. Er is geen zakelijke verklaring waarom deze betaling via verschillende bankrekeningen liep en niet rechtstreeks naar [bedrijf 2] is overgemaakt door [persoon 1] .

Op grond van het voorgaande acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het bedrag van € 81.000, waarmee de BMW X6 deels is gefinancierd, uit enig misdrijf afkomstig is.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde onder parketnummer 10-750124-15 (witwassen fictief loon / via Belastingdienst)

Vaststellingen

Winst uit onderneming [persoon 1] heeft aangifte bij de Belastingdienst gedaan van winst uit onderneming voor een bedrag van € 51.475 in 2011 en € 67.400 in 2012, derhalve over 2011 en 2012 in totaal een bedrag van € 118.875.

De verdachte heeft verklaard dat de aangiften van [persoon 1] over de jaren 2011 en 2012 zijn gedaan door zijn kantoor [bedrijf 4] . Voor wat betreft de aangifte over 2011 volgt dit ook uit een e-mail van een medewerker van [bedrijf 4] aan de verdachte waarin zij schrijft: “ [naam map] , bijgaand de concept aangiften IB2011 van de fam. [persoon 1] . Uitgangspunten: Jouw balans + VenW” waarbij het hof begrijpt dat met “VenW” wordt bedoeld de Verlies en Winstrekening. Uit bij de bank opgevraagde gegevens blijkt dat de inkomsten op de bankrekening van [persoon 1] in 2011 en 2012 voornamelijk bestonden uit stortingen contant geld, te weten in 2011 een bedrag van € 69.700 en in 2012 een bedrag van € 111.450. Een omschrijving van de activiteiten van de onderneming is niet gegeven.

Er is nader onderzoek gedaan naar de winst uit onderneming in 2011 en 2012. De fiscale balans van de onderneming is voor beide jaren gelijk. Deze vertoont geen activa. De enige posten die zijn vermeld zijn een negatief eigen vermogen van € 37.500 en een schuld van € 37.500.

Loon uit arbeid De verdachte heeft daarna [persoon 1] geadviseerd om zijn eigen geld via [bedrijf 1] naar [bedrijf 4] (het hof begrijpt: [bedrijf 4] , verder: [bedrijf 4] ) over te laten maken, zodat [bedrijf 4] daarvan na afdracht van premies en belastingen een salaris aan [persoon 1] kon uitkeren. Over het regelen van de uitbetaling van salaris voor [persoon 1] via [bedrijf 4] bevindt zich in het dossier een e-mail van 3 september 2012 van de verdachte, aangetroffen op een onder hem in beslag genomen Apple IPad. Deze e-mail is gericht aan [persoon 4] en [persoon 5] van [bedrijf 4] waarin de verdachte aankondigt dat “ [persoon 1] zal langskomen”, dat “afgelopen jaar [persoon 6] zijn aangifte heeft ingevuld als ondernemer en dat dat nu anders wordt”, dat “de Rus voor de loonkosten een factuur wil krijgen, dat “verloning dus plaatsvindt in Nederland op de loonlijst van bijvoorbeeld [bedrijf 10] ” en “ [persoon 1] komt alleen maar voor zijn gegevens (…) niet belasten met technische vragen die de werkgever moet doen. Hier ben ik voor.”

Uit een analyse van de bankgegevens van [bedrijf 4] blijkt dat in de periode vanaf 26 oktober 2012 tot en met 26 maart 2014 elke vier weken € 5.000 door [bedrijf 4] aan [persoon 1] is betaald. Deze betalingen vonden steeds plaats nadat van de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van € 13.600 was overgemaakt aan [bedrijf 4] . Het verschil tussen beide bedragen zou volgens de verdachte onder andere gelegen zijn in de afdracht van werknemers- en werkgeverspremies en belastingen. In een OVC-gesprek van 12 februari 2015 beklaagt [persoon 1] zich er tegenover [medeverdachte 2] over dat het hem € 20.000 kost om € 5.000 terug te krijgen. Uit analyse van de bankafschriften van de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] en de bankrekeningen van [medeverdachte 1] blijkt dat op de [naam bank 1] betaalrekening [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte 1] grote bedragen contant geld werden gestort die al dan niet middels de spaarrekening van [medeverdachte 1] overgeboekt werden naar de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] .
<?linebreak?>Beoordeling door het hof<?linebreak?>Witwasvermoeden gerechtvaardigd?
Het hof acht op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden het vermoeden gerechtvaardigd dat de bedragen die in 2011 en 2012 contant op de bankrekening van [persoon 1] zijn gestort en de bedragen die via [bedrijf 1] en [bedrijf 10] aan [persoon 1] zijn betaald, uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof acht hierbij doorslaggevend de ongebruikelijke weg die het geld moest afleggen en de constructies die zijn gebruikt. Het ging steeds om geld van [persoon 1] dat deels via stortingen en deels langs een ongebruikelijk weg – via [bedrijf 1] en [bedrijf 4] als salaris – naar een bankrekening van [persoon 1] werd geleid en dan als respectievelijk winst uit onderneming en salaris bij de Belastingdienst werd aangegeven. De onderneming kende geen activiteiten en de salarisbetalingen betroffen [persoon 1] zijn eigen geld. Voor de hierboven omschreven gang van zaken is geen zakelijke of logische verklaring.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde onder 10-750124-15 en ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde onder parketnummer 10-750391-16 (witwassen [zaaksdossier 2] en onderzoek Setter)

Vaststellingen

Het gaat hier om een tweetal bedragen, te weten van € 87.500 en € 852.050, overgemaakt vanaf de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] naar respectievelijk de derdengeldenrekening van [notariskantoor 1] en de bankrekening van [bedrijf 6] (verder: [bedrijf 6] ) in de maanden februari 2014 en maart 2014. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd bevestigd dat het om geld van [persoon 1] ging.

In 2013 benadert de verdachte [persoon 7] (verder: [persoon 7] ), met de mededeling dat hij iemand heeft om diens bedrijf [bedrijf 7] (verder: [bedrijf 7] ), waarvan de activiteiten op dat moment een jaar of twee stil lagen, te kopen. Op 22 december 2013 draagt [persoon 7] , als één van de twee aandeelhouders van [bedrijf 7] , zijn aandelen voor € 1 over aan [bedrijf 6] en een dag later draagt de andere aandeelhouder zijn aandelen over voor hetzelfde bedrag aan [bedrijf 4] , vertegenwoordigd door de verdachte.

De verdachte krijgt op 23 december 2013 volmacht om alle aandelen van [bedrijf 7] over te dragen aan [bedrijf 8] . Bij een doorzoeking is een koopovereenkomst van januari 2014 aangetroffen waarin de verdachte als gemachtigde van de aandeelhouders de aandelen [bedrijf 7] . verkoopt aan [bedrijf 8] (verder: [bedrijf 8] ), vertegenwoordigd door [persoon 8] , voor een bedrag van Hong Kong dollar 8.000.000. In het briefhoofd van deze overeenkomst staat vermeld “ [bedrijf 9] ”. Deze overeenkomst is mede ondertekend met een op het oog Chinees lijkende handtekening. Volgens deze overeenkomst vindt betaling plaats in 5 termijnen, de eerste te voldoen voor 1 maart 2014.

Door [bedrijf 9] is bericht dat de overeenkomst niet afkomstig is van hun kantoor, de daarin genoemde personen niet bij hen bekend zijn en het logo niet overeenkomt met het logo dat zij nu voeren of in het verleden hebben gevoerd.

In de periode van 19 januari 2014 tot en met 20 februari 2014 vinden er meerdere e-mailconversaties plaats tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . Op 19 januari 2014 stuurt de verdachte een e-mail aan [medeverdachte 1] met de tekst “Company name” en een foto van de kop van briefpapier. De bedrijfsnaam op het briefpapier is “ [bedrijf 5] ”, gevestigd te Londen.

Op 21 januari 2014 vindt een e-mailwisseling plaats tussen de verdachte en [medeverdachte 1] , waarin [medeverdachte 1] vraagt om een contractnummer, waarop de verdachte antwoordt dat er geen contract is en dat “we kunnen schrijven wat we willen”.

Op 30 januari 2014 vraagt [medeverdachte 1] aan de verdachte per e-mail of hij een contract moet maken met vermelding van het nummer zoals vermeld in de omschrijvingen van de betalingen.

Diezelfde dag schrijft de verdachte aan [medeverdachte 1] dat hij het contract hoger moet maken, rond € 1.900.000 met verschillende betalingen. Het contract is bijgesloten en betreft een contract tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 5] . In de e-mail schrijft [medeverdachte 1] dat bij de nieuw te ontvangen betalingen er nieuwe contractbijlagen zullen worden toegevoegd.

Verdachte stuurt op 18 februari 2014 een e-mail aan [medeverdachte 1] met als bijlage een leenovereenkomst, waarin is opgenomen dat [bedrijf 6] in totaal € 900.000 leent van [bedrijf 1] . Deze overeenkomst is niet ondertekend. De verdachte schrijft in de e-mail: ”You can use this for the bank. Please arrange it.”.

[persoon 7] heeft desgevraagd verklaard dat hij namens [bedrijf 6] geen lening is aangegaan en dat [verdachte] niet gerechtigd is om dat namens [bedrijf 6] te doen.

In een e-mail verzonden op 6 februari 2014 door de verdachte aan [medeverdachte 1] vraagt verdachte aan [medeverdachte 1] om een bedrag van € 87.500 over te maken aan [notariskantoor 1] onder vermelding van ‘dossier [dossiernummer 1] ’ met de mededeling ‘aanbetaling’. Daarnaast staat in de e-mail vermeld: “the afternoon I know the new amount that will come. It will come from the same party from London. It will be around 800.000.”.

Uit bankafschriften van [naam bank 2] blijkt onder meer dat van de bankrekening van [bedrijf 1] op 7 februari 2014 een bedrag van € 87.504,09 is overgemaakt – waarbij het hof begrijpt dat een bedrag van € 4,09 de transactiekosten betreffen - naar de derdengeldenrekening van [notariskantoor 1] onder vermelding van [dossiernummer 1] . Er is een betaalopdracht van die strekking ondertekend door [medeverdachte 1] .

Het bedrag van € 87.500 betrof de waarborgsom voor de aankoop van een woning aan de [adres 2] te

’s-Gravenzande voor een bedrag van € 875.000. De koopovereenkomst hiertoe was op 10 december 2013 gesloten tussen [persoon 9] (verder: [persoon 9] ) en de toenmalige eigenaren van de woning.

Voorts blijkt uit de bankafschriften dat door [bedrijf 1] in de periode van 21 januari 2014 tot en met 3 maart 2014 van [bedrijf 5] in totaal € 1.064.775 is ontvangen en dat van de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] in de periode van 19 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 in 5 termijnen in totaal € 852.070,48 is overgemaakt aan [bedrijf 6] . De 5 betaalopdrachten van die strekking zijn ondertekend door [medeverdachte 1] .

Uit deze bankafschriften kan tevens worden opgemaakt dat de inkomende gelden, afkomstig van [bedrijf 5] , noodzakelijk waren om de uitgaande geldstroom van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] mogelijk te maken in verband met de toereikendheid van het saldo van de bankrekening van [bedrijf 1] .

In een e-mail van 20 oktober 2014 vraagt [persoon 10] van [bedrijf 4] aan de verdachte de gegevens met betrekking tot de transactie in 2014 van € 852.050. Op 15 januari 2015 vraagt [persoon 7] per e-mail aan de verdachte “of hij de stukken voor de 800k kan regelen voor de afhandeling”.

Op 9 februari 2015 stuurt de verdachte aan [persoon 7] een e-mail met het verzoek om te kijken of “er nu alles op staat”. In het bij die e-mail gevoegde Exceldocument staat een opstelling van diverse posten, waaronder: “Binnen van [bedrijf 1] na 125.000 overmaking € 727.050”.

Het geld dat op de bankrekening van [bedrijf 6] is gestort heeft de verdachte gedeeltelijk uitgegeven aan goederen en diensten, waaronder een auto, salaris voor zijn echtgenote en enkele facturen van een advocatenkantoor.

De verdachte heeft verklaard dat zowel de koopovereenkomst tussen [bedrijf 7] en [bedrijf 8] als de leenovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 6] door hem samen met anderen opgezette schijnconstructies zijn geweest om de betalingen aan [bedrijf 6] in de boeken te verantwoorden.
Beoordeling door het hof<?linebreak?>Witwasvermoeden gerechtvaardigd?
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de onderhavige zaak in opdracht van de verdachte grote bedragen door tussenkomst van [medeverdachte 1] via de bankrekening van [bedrijf 1] naar [bedrijf 6] zijn overgemaakt. Zowel de koopovereenkomst tussen [bedrijf 7] en [bedrijf 8] als de leenovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 6] zijn door de verdachte samen met anderen opgezette schijnconstructies om de betalingen aan [bedrijf 6] in de boeken te verantwoorden. De gelden waren niet voor [bedrijf 6] bestemd maar voor de verdachte. Het opzetten van schijnconstructies die de verplaatsing van grote sommen geld moeten verklaren is voldoende om een vermoeden van witwassen te rechtvaardigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat er geen zakelijke verklaring is voor de betalingen.

Voor wat betreft de betaling aan [notariskantoor 1] geldt dat hiervoor evenmin een zakelijke verklaring is. Het geld van [persoon 1] is via [bedrijf 5] op de LTG-bankrekening van [bedrijf 1] gestort en vanaf die bankrekening naar [notariskantoor 1] overgemaakt ten behoeve van [persoon 9] . Hieraan ligt geen zakelijke overeenkomst ten grondslag.

Op grond van het voorgaande acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat de geldbedragen zoals opgenomen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde onder parketnummer 10-750391-16 (onderzoek [zaaksdossier 1] )

Vaststellingen

Medeverdachte [medeverdachte 3] (verder: [medeverdachte 3] ) heeft op 14 februari 2011 een koopovereenkomst gesloten met [persoon 11] en [persoon 12] (verder: [persoon 11] , [persoon 12] of gezamenlijk aangeduid als: verkopers) ter zake van – verkort weergegeven – een woning gelegen aan de [adres 3] te [plaats 1] (verder: de woning) voor een bedrag van € 410.000. In aanloop naar het sluiten van deze koopovereenkomst heeft [medeverdachte 3] met [persoon 1] afgesproken dat [persoon 1] [medeverdachte 3] zou helpen met de financiering. Omdat [medeverdachte 3] de overeengekomen koopsom op dat moment niet kon voldoen, werd overeengekomen dat hij met ingang van maart 2011 maandelijks een bedrag van € 1.000 zou betalen aan de verkopers, welk bedrag in mindering zou worden gebracht op de koopsom ten tijde van de overdracht. Voorts heeft [medeverdachte 3] een huurovereenkomst met verkopers gesloten op grond waarvan hij een bedrag van € 1.200 per maand diende te betalen, de eerste 6 betalingstermijnen in 1 keer te voldoen. Aan deze huurovereenkomst is een proces-verbaal van oplevering van 15 februari 2011 gevoegd. [medeverdachte 3] heeft de woning in februari 2011 betrokken.

Bij de huur- en koopovereenkomst was [persoon 13] (verder: [persoon 13] ), werkzaam bij makelaarskantoor [bedrijf 11] betrokken. [persoon 13] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] tijdens de onderhandelingen had aangegeven dat hij niet direct kon kopen, maar dat hij zeker wist dat hij na een jaar of 2 wel zou kunnen kopen.

Ten behoeve van de aankoop van de woning is door [bedrijf 1] via de [naam bank 2] -bankrekening op 18 december 2012 een bedrag van € 41.004,14 – waarbij het hof begrijpt dat een bedrag van € 4,14 de transactiekosten betreffen - overgemaakt naar de rekening van notariskantoor [notariskantoor 2] (verder: notariskantoor [notariskantoor 2] ) onder vermelding van dossiernummer [dossiernummer 2] .

Op 29 januari 2013 is op de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van € 200.000 van het in Dubai gevestigde bedrijf [bedrijf 13] ontvangen en op 5 februari 2013 is vanaf de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van € 369.004,06 - waarbij het hof begrijpt dat een bedrag van € 4,06 de transactiekosten betreffen - overgemaakt naar notariskantoor [notariskantoor 2] onder vermelding van ‘hypotheek voor de heer [medeverdachte 3] ’.

Op de betaalrekening van [medeverdachte 1] bij de [naam bank 1] bank is tussen 10 en 14 december 2012 in 12 contante stortingen in totaal een bedrag van € 45.000 ontvangen, tussen 17 en 19 januari 2013 in 17 contante stortingen in totaal een bedrag van € 69.970 en tussen 25 en 29 januari 2013 in totaal een bedrag van € 184.000. Op 18 december 2012 is een bedrag van € 50.000 vanaf die betaalrekening naar de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] overgemaakt. Op 4 februari 2013 is vanaf de [naam bank 1] betaalrekening van [medeverdachte 1] 4 keer een bedrag van € 50.000 overgemaakt naar de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] .

Uit een analyse van de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] blijkt dat de betaling aan de derdengelden-rekening van notariskantoor [notariskantoor 2] gezien het saldo niet had kunnen plaatsvinden zonder bovengenoemde ontvangsten van [bedrijf 13] en [medeverdachte 1] .

Op 6 februari 2013 is de woning aan [medeverdachte 3] geleverd.

Ten behoeve van de financiering van de koopsom is een hypothecaire lening van € 410.000 aan [medeverdachte 3] verstrekt, waarbij [medeverdachte 1] als schuldeiser is vermeld.

Blijkens de inschrijving in het kadaster is een bedrag van € 18.000 rechtstreeks aan verkopers betaald en een bedrag van € 392.000 op de derdengeldenrekening van de notaris gestort.

Uit een analyse van de bankgegevens van [medeverdachte 1] over de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 juni 2016 blijkt dat daarop geen betalingen worden ontvangen die – samengevat – duiden op betaling in het kader van rente- en/of aflossingsbetalingen ten behoeve van de hypotheek.
Beoordeling door het hof Witwasvermoeden gerechtvaardigd?
Het hof acht op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden het vermoeden gerechtvaardigd dat het bedrag van € 410.000 uit enig misdrijf afkomstig is.

Daarvoor zijn met name van belang de geldstroom en de hypotheekconstructie. Het geld is afkomstig van [persoon 1] . Het is deels via contante stortingen op de [naam bank 1] bankrekening van [medeverdachte 1] naar de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] en deels via [bedrijf 13] naar de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] overgeboekt. Vervolgens is dit vanaf de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] naar notariskantoor [notariskantoor 2] overgemaakt. Voor deze ongebruikelijke geldstroom is geen zakelijke verklaring. Daar komt bij dat op papier en bij de notaris [medeverdachte 1] in persoon is opgetreden als hypotheeknemer en geldverstrekker terwijl het bedrag van € 410.000 niet van [medeverdachte 1] afkomstig was maar van [persoon 1] . De geldlening en hypotheekverstrekking vormen, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van het hof een schijnconstructie.

Heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring?

De verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. De verdediging verwijst hiervoor naar de schriftelijke verklaring van 1 juni 2018 (het hof stelt vast: 31 mei 2018) (verder: de schriftelijke verklaring), ingebracht kort voor de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van de strafzaak in eerste aanleg van 6 juni 2018, die de verdachte tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft bevestigd en waarvan de inhoud ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep opnieuw namens hem naar voren is gebracht. Tevens heeft de verdachte in hoger beroep opnieuw schriftelijk stukken in het geding gebracht.

De verdachte stelt in de schriftelijke verklaring dat het geld waar de tenlasteleggingen betrekking op hebben, van [persoon 1] afkomstig is. Volgens de schriftelijke verklaring had [persoon 1] veel geld verdiend met zijn bedrijven [bedrijf 14] (verder ook: [bedrijf 14] ) en [bedrijf 15] (verder ook: [bedrijf 15] ). Voorts zou er een geldlening zijn van € 1,5 miljoen aan [bedrijf 12] waarin [persoon 1] schuldeiser was.

In 2010 is [persoon 1] vervolgd voor een BTW-carrousel. [persoon 1] heeft daarvoor een taakstraf opgelegd gekregen.

In 2011, toen [persoon 1] weer contact opnam met de verdachte, vertelde [persoon 1] aan de verdachte dat hij de lening aan [bedrijf 12] aan het incasseren was, dat hij in het buitenland, te weten Dubai, gelden hiervan had gestald, dat hij achtervolgd werd door de Belastingdienst vanwege een openstaande naheffingsaanslag omzetbelasting van € 11.706.359 en dat hij inmiddels in de zonnepanelen zat en daarmee in met name België en Frankrijk geld verdiende. [persoon 1] kreeg deels in contanten uitbetaald, deels op zijn bankrekeningen in Dubai en deels in aandelen. Volgens de verdachte blijkt uit de jaarstukken van [bedrijf 14] geen omzetbelastingschuld.

Verder wist de verdachte dat [persoon 1] twee onroerende zaken uit [bedrijf 14] en [bedrijf 15] had onttrokken met een totale waarde van € 250.000.

[persoon 1] had een BKR-registratie.

Voorts had [persoon 1] de verdachte meegedeeld dat hij een conflict had met zijn ex-zakenpartner [persoon 14] die geld van hem claimde. Vanwege deze claim en die van de Belastingdienst heeft [persoon 1] de verdachte verzocht hem te helpen met het creëren van een inkomensstroom in Nederland zodat [persoon 1] een basis had om alimentatie te betalen ten behoeve van zijn ex-vrouw en hun dochter en om een pensioenvoorziening op te bouwen, dit alles zonder zijn vermogen kwijt te raken aan zijn schuldeisers, waaronder de Belastingdienst.

De verdediging heeft er verder op gewezen dat [persoon 1] weliswaar is veroordeeld voor de invoer van 300 kilogram cocaïne in december 2013, maar dat die partij in beslag is genomen en in financiële zin dus niets heeft opgeleverd voor [persoon 1] . Voorts is [persoon 1] veroordeeld voor voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne, maar de periode waarop die veroordeling betrekking heeft, is van latere datum dan de witwashandelingen die de verdachte worden verweten. Bovendien is [persoon 1] vrijgesproken voor voorbereidingshandelingen voor het transport van 300 kilogram cocaïne. Derhalve kan op basis van die veroordelingen niet worden gesteld dat [persoon 1] zijn vermogen in de cocaïnehandel heeft verdiend, aldus de verdediging.

Het hof

Er is onderzoek gedaan naar het inkomen en het vermogen van [persoon 1] . Over het jaar 2009 heeft [persoon 1] een bedrag van € 79.495 bij de Belastingdienst opgegeven als winst uit onderneming. Uit het onderzoek van gegevens van de Belastingdienst over de jaren 2011 tot en met 2014 blijken de volgende door [persoon 1] aangegeven inkomsten:

Jaar

Winst uit onderneming in €

Loon uit arbeid in €

Totaal in €

2011

51.475

-

51.475

2012

67.400

30.085

97.485

2013

-

122.997

122.997

2014

Onbekend

35.604

35.604

Totaal

118.875

188.686

307.561

Er is onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van [persoon 1] . De eindsaldi zijn in totaal per jaar in euro’s:

2009

2010

2011

2012

2013

3.498

-

1.096

4.996

6.046

Er is ook onderzoek gedaan naar de geldstromen op de bankrekeningen van [persoon 1] . Uit de analyse daarvan blijkt dat de bankrekeningen over de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 oktober 2014 zijn gevoed met kasstortingen tot een totaal van € 410.930. Daarnaast zijn er over deze periode inkomsten uit loon uit arbeid/ uitkering van € 101.799,88. De uitgaven vanaf de bankrekeningen zijn bijna gelijk aan de inkomsten zodat op die bankrekeningen niet is gespaard.

Het onderzoek naar [bedrijf 14] en [bedrijf 15] heeft het volgende opgeleverd. Wat betreft [bedrijf 14] blijkt dat op de bekende bankrekeningen in 2010 bedragen stonden van € 15 en USD 15. Vanaf 2011 staan de bankrekeningen op 0. Er zijn oninbare omzetbelastingaanslagen en vennootschaps-belastingaanslagen geregistreerd tot een totaal bedrag van € 11.414.585 exclusief rente en kosten. Blijkens de door de verdachte overgelegde schriftelijke bescheiden maakt daarvan deel uit een naheffingsaanslag omzetbelasting voor [bedrijf 14] van € 11.706.359 over de periode april 2004 tot en met november 2005.

Wat betreft [bedrijf 15] blijkt uit het onderzoek dat de bekend geworden bankrekening per 2010 een negatief saldo van -/- € 139 toont. De ambtshalve opgelegde definitieve aanslagen vennootschapsbelasting bedroegen in de jaren 2010 tot en met 2012 respectievelijk € 35.875, € 2.460 en € 6.954.

Dat [persoon 1] geen bij de fiscus opgegeven inkomen en vermogen had, wordt bevestigd door de hierboven beschreven resultaten van het strafrechtelijk onderzoek.

Hoewel ook geld in het buitenland waarvan niet direct en onmiskenbaar de legale herkomst blijkt, een legale herkomst kan hebben, mag van de verdachte die als reactie op een beschuldiging van witwassen een beroep doet op de legale herkomst van dergelijk geld, verwacht worden dat hij concrete gegevens aanlevert die het mogelijk maken die verklaring te verifiëren. Dergelijke concrete gegevens ontbreken in de (schriftelijke) verklaring van de verdachte.

Voor wat betreft de jaren vóór 2010 stelt de verdachte dat [persoon 1] veel geld op legale wijze zou hebben verdiend met [bedrijf 14] en [bedrijf 15] . Op dat punt acht het hof de verklaring van de verdachte hoogst onwaarschijnlijk en niet concreet gelet op de oninbare belastingaanslagen die betrekking hadden op de jaren 2004 en 2005 en het feit dat [persoon 1] is veroordeeld voor een BTW-carrousel.

Wat betreft de door de verdachte overige genoemde vermogensbestanddelen die evenmin bij de Belastingdienst bekend waren, zoals de geldlening aan [bedrijf 12] en de eventuele aflossing hiervan, oordeelt het hof dat de verklaring niet concreet en/of niet verifieerbaar is, temeer nu de verdachte heeft gesteld dat dit geld in het buitenland (Dubai) is gestald.

Het hof concludeert dat de (schriftelijke) verklaring van de verdachte mede in het licht van de overige gegevens in het dossier niet voldoet aan het criterium concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Anders dan de verdediging stelt, had het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek behoeven te doen naar de verklaring van de verdachte.

Nu de feiten en omstandigheden in deze zaak het vermoeden rechtvaardigen dat de geldbedragen waarop de tenlastelegging betrekking heeft, afkomstig zijn uit enig misdrijf en de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van die geldbedragen, acht het hof bewezen dat de ten laste gelegde geldbedragen van respectievelijk € 118.875, € 188.686, € 87.500, € 410.000 en € 852.050 afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Wat betreft de BMW X6 overweegt het hof eveneens dat deze uit enig misdrijf afkomstig is. Immers, de BMW X6 is gedeeltelijk betaald met geld van [persoon 1] , door betaling van een bedrag van € 81.000 op een totaalprijs van € 107.995. Dat is een dermate groot deel van de aankoopsom dat dat de conclusie rechtvaardigt dat de BMW X6 middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
Weet of redelijkerwijs moet vermoeden?
De verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte tot mei 2014 nooit heeft geweten en ook niet kon weten dat de ten laste gelegde gelden en het geld waarmee de BMW X6 is gefinancierd, uit enig misdrijf afkomstig waren.

Het hof

Het hof overweegt als volgt. Aan de verdachte zijn 5 feiten ten laste gelegd ter zake van witwassen van een totaal bedrag van ruim 1,6 miljoen euro en een BMW X6, verspreid over de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met 9 juni 2015.

De verdachte stelt dat hij is benaderd door [persoon 1] met het verzoek hem te adviseren over het naar Nederland halen van door hem in het buitenland verdiend en/of in Dubai ondergebracht vermogen dat tot dat moment buiten het zicht van de Belastingdienst was gebleven.

Uit de schriftelijke verklaring en hetgeen daarover ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is besproken, volgt dat de verdachte in 2011, toen [persoon 1] zijn hulp inriep, wist dat [persoon 1] zijn geld in het buitenland buiten het zicht van, onder anderen, de fiscus wilde houden, dat [persoon 1] uitsluitend contant geld had of ontving en dat hij dat op een bankrekening in Dubai stalde, dat [persoon 1] was veroordeeld voor een BTW-carrousel en dat er een onbetaalde belastingclaim lag van € 11.706.359 vanwege aanslagen die waren opgelegd aan de BV’s van [persoon 1] maar waarvoor [persoon 1] zelf aansprakelijk was. Tegelijk wist de verdachte – dat blijkt uit zijn verklaring in eerste aanleg - dat er ook contant geld van [persoon 1] vanuit Nederland werd gebracht naar of gestort op de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] .

Verder is duidelijk dat de inkomsten die de verdachte voor [persoon 1] aangaf of liet aangeven over de jaren 2011 en 2012 en de inkomsten die [persoon 1] via Uitzendbureau [bedrijf 4] ontving over 2013 en 2014 - en die volgens de verdachte verdiensten van [persoon 1] in het buitenland betroffen – niet van een dermate grote omvang waren dat daarvan de uitgaven in de zaaksdossiers [zaaksdossier 1] , BMW X6, [zaaksdossier 2] en Setter kunnen worden verklaard.

De verdachte heeft zich vervolgens ingezet om vermogen van [persoon 1] in het Nederlands betalingsverkeer te brengen.

In vier van de vijf ten laste gelegde feiten geeft het onderzoek blijk van constructies die zijn opgezet waarbij contant geld van [persoon 1] via de [naam bank 2] -bankrekening van [bedrijf 1] in Nederland in het betalingsverkeer werd gebracht. De verdachte heeft daarvoor valse of misleidende stukken opgemaakt om de geldstroom te kunnen verklaren, zoals de jaarstukken van de eenmanszaak D. [persoon 1] over 2011 en 2012 die zijn gebruikt voor de aangiften inkomstenbelasting 2011 en 2012. Bij de aankoop van de BMW X6 is een overeenkomst opgemaakt voor de aankoop van fenders.

In het zaaksdossier [zaaksdossier 1] bestaat de misleiding uit een hypotheekconstructie met [medeverdachte 1] als hypotheekverstrekker.

In het zaaksdossier Setter is sprake van een constructie van een aandelenoverdracht waarbij een valse overeenkomst met [bedrijf 8] is opgesteld en een valse leenovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 6] . Ook in zaaksdossier Witwassen [zaaksdossier 2] is contant geld van [persoon 1] via [bedrijf 5] Union en [bedrijf 1] in het Nederlandse betalingsverkeer gebracht.

Er is sprake van kunstmatige constructies om te doen voorkomen alsof het geld dat hiermee was gemoeid een legale herkomst had. Bij het opzetten van die constructies speelde de verdachte een centrale rol en hij stuurde [medeverdachte 1] aan. Als hij plotseling zou wegvallen, zou iedereen een probleem hebben omdat niemand behalve de verdachte wist wat er afgesproken was, aldus de verdachte. Het is onaannemelijk dat de verdachte deze constructies heeft opgezet of helpen opzetten om legale geldstromen te verklaren.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld dat telkens op deze manier in het Nederlandse betalingsverkeer werd gebracht, uit enig misdrijf afkomstig was. Hiervan is sprake geweest vanaf het begin bij het indienen van de aangiftes inkomstenbelasting 2011 en 2012 en dit heeft vanaf dat moment bestaan tot en met de datum van het laatste ten laste gelegde feit, te weten 9 juni 2015.

Resumerend acht het hof op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

onder parketnummer 10-750124-15:

1.Witwassen BMW X6

hij, in of omstreeks de periode van 8 maart 2013 tot en met 9 juni 2015 te Rotterdam en/of Dordrecht, althans (elders) in Nederland en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een BMW X6, althans enig goed verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten (een) BMW X6, was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat deze BMW X6 - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)

2.Witwassen fictief loon

hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 januari 2015 te Berkel en Rodenrijs en/of Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een geldbedrag van in totaal EUR 307.561,- (bestaande uit 'winst uit onderneming' een bedrag à EUR 118.875 en 'loon uit arbeid' een bedrag à EUR 188.686) althans enig(e)geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht)

3.Witwassen [zaaksdossier 2]

hij, in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 17 april 2015 te Berkel en Rodenrijs en/of Rotterdam en/of Barendrecht, althans (elders) in Nederland en/of Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), een geldbedrag van in totaal EUR 87.500,- althans enig(e)geldbedrag(en), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp voorhanden had, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; (artikel 420bis/ter/quater Wetboek van Strafrecht) onder parketnummer 10-750391-16:

1.onderzoek [zaaksdossier 1] pnr 10.750391-16 (ter berechting gevoegd bij 10.750124-15)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 28 februari 2013, te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats 1] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 410.000,- euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.onderzoek Setter pnr 10.750391-16 (ter berechting gevoegd bij 10.750124-15)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2013 tot en met 31 maart 2014 te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 852.050 euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder parketnummer 10-750124-15 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Het onder parketnummer 10-750124-15 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Het onder parketnummer 10-750124-15 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Het onder parketnummer 10-750391-16 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Het onder parketnummer 10-750391-16 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan het telkens witwassen van aanzienlijke geldbedragen tot ruim € 1,6 miljoen en een BMW X6. Ter verhulling van de criminele herkomst is structureel gebruikgemaakt van schijnconstructies, waarbij onder meer rechtspersonen in Panama, Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en het Verenigd Koninkrijk zijn ingezet. Via een Panamees bedrijf met een bankrekening in Liechtenstein zijn gelden overgemaakt aan notarissen en een autodealer. Een groot deel van het geld is uiteindelijk aan de verdachte zelf ten goede gekomen. Voorts zijn gelden overgemaakt aan een uitzendbureau, dat een deel van deze gelden vervolgens als salaris heeft uitbetaald aan een mededader en is ten behoeve van zijn mededaders een woning respectievelijk een BMW X6 gefinancierd.

De verdachte vervulde in dit geheel een centrale en onmisbare rol. In zijn door hemzelf omschreven hoedanigheid van financieel, juridisch en fiscaal adviseur heeft hij advies gegeven en daarbij de gelden een schijnbaar legale herkomst verschaft door het opstellen en gebruiken van valse documenten, contracten en leenovereenkomsten. De verdachte vervulde aldus een centrale rol in het geheel.

Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten en in het legale circuit wordt gebracht kan daarop een ontwrichtende werking hebben. Witwassen draagt er aan bij dat misdaad loont; het medeplegen van witwassen is daarom een zeer ernstig feit.

Het hof stelt voorts vast dat de verdachte in de tenlastegelegde periode werkzaam was als boekhouder. Van de verdachte mocht, gelet op zijn functie en professionele verantwoordelijkheid, worden verwacht dat hij oog zou hebben voor de integriteit van het handelsverkeer. De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De verdachte heeft wat betreft zijn persoonlijke omstandigheden verzocht bij het opleggen van een straf rekening te houden met zijn leeftijd en gestelde verslechterde mentale en fysieke gezondheidstoestand. Het hof heeft oog voor de gezondheidstoestand van de verdachte. Die toestand is echter niet in die mate exceptioneel dat dit een matigende invloed op de straf behoort te hebben.

Justitiële documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 11 november 2025.

Redelijke termijn

Het hof overweegt ten aanzien van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als volgt.

De redelijke termijn is aangevangen op 9 juni 2015. In eerste aanleg heeft de rechtbank vonnis gewezen op 13 juli 2018. Daarmee heeft de behandeling in eerste aanleg niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg bedroeg ongeveer 1 jaar.

De verdachte is op 26 juli 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 17 maart 2026.

Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt ruim 5,5 jaren.

Het hof zal met de geconstateerde overschrijding rekening houden, waarbij ook de duur van de procedure als geheel wordt betrokken, door de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaren te verminderen met 1 jaar. Het hof komt aldus tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

In beslag genomen voorwerpen

De advocaat-generaal en de verdediging hebben geen standpunt ingenomen ter zake van de in beslag genomen voorwerpen.

In eerste aanleg heeft de rechtbank beslist dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 tot en met 4, te weten – kort gezegd – ‘administratie’, dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 420bis en 420ter en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10-750124-15 onder 1, 2 en 3 en onder parketnummer 10-750391-16 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 10-750124-15 onder 1, 2 en 3 en onder parketnummer 10-750391-16 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. document administratie 17EGC14015_274165, gedeelte hiervan 15062513 15.OIG,

2. document in gele ordner 17EGC14015_274167, administratie gedeelte hiervan 1506250830.OIG,

3. documenten 17EGC14015_274169, administratie gedeelte hiervan 1506251040.OIG, en

4. documenten 17ECG14015_274170, administratie gedeelte hiervan 15Q6251131.OIG.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. M. Koole, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 maart 2026.

Artikel delen