Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHDHA:2026:408

Art. 6 EVRM; art. 420bis Sr. Medeplegen witwassen van geldbedragen tot ruim € 1.250.000 door middel van het opzetten van schijnconstructies (o.a. financiering op basis van hypothecaire lening) om geldstromen te verantwoorden; strafoplegging: 23 maanden gevangenisstraf; schending redelijke termijn.

Gerechtshof Den Haag 12 May 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHDHA:2026:408 text/xml public 2026-05-12T13:50:17 2026-03-18 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-17 22-003072-18 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:408 text/html public 2026-05-12T13:49:32 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:408 Gerechtshof Den Haag , 17-03-2026 / 22-003072-18
Art. 6 EVRM; art. 420bis Sr. Medeplegen witwassen van geldbedragen tot ruim € 1.250.000 door middel van het opzetten van schijnconstructies (o.a. financiering op basis van hypothecaire lening) om geldstromen te verantwoorden; strafoplegging: 23 maanden gevangenisstraf; schending redelijke termijn.

Rolnummer: 22-003072-18

Parketnummer: 10-750243-16

Datum uitspraak: 17 maart 2026

TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1971,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.Onderzoek [zaaksdossier]

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 28 februari 2013, te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats 1] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 410.000,- euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.Onderzoek Setter

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2013 tot en met 31 maart 2014 te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 852.050 euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverwegingen
Algemeen kader witwassen <?linebreak?>
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Vervolgens zal de rechter moeten beoordelen of de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Feiten en omstandigheden
Algemene vaststellingen

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Medeverdachte [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1] ), trad op als financieel, juridisch en fiscaal adviseur van [persoon 1] (verder: [persoon 1] ) in de periode dat de tenlastegelegde feiten plaatsvonden van 2011 tot medio 2014.

[persoon 1] is in 2020 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren wegens, onder andere, de invoer van ongeveer 300 kilogram cocaïne in december 2013, voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne van oktober 2014 tot juni 2015, de omkoping van een douaneambtenaar in de haven van Rotterdam tussen 1 mei 2013 en 17 april 2015, en witwassen op verschillende tijdstippen tussen januari 2010 en juni 2015. Deze veroordeling is onherroepelijk nu het cassatieberoep bij arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2021 is verworpen.

[medeverdachte 1] werkte - in de hierna nader te bespreken situaties - samen met de verdachte [verdachte] (verder: de verdachte). De verdachte was in die periode gevolmachtigd om namens een vennootschap genaamd [bedrijf 1] (verder: [bedrijf 1] ), een rechtspersoon gevestigd in Panama te handelen. [bedrijf 1] had een bankrekening bij de [naam bank 1] (verder: [naam bank 1] ), van welke rekening de verdachte in die periode de Ultimate Beneficial Owner was en voorts als enige bevoegd voor die bankrekening.

Vaststellingen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (onderzoek [zaaksdossier] )

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Medeverdachte [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2] ) heeft op 14 februari 2011 een koopovereenkomst gesloten met [persoon 2] en [persoon 3] (verder: [persoon 2] , [persoon 3] of gezamenlijk aangeduid als: verkopers) ter zake van – verkort weergegeven – een woning gelegen aan de [adres 1] (verder: de woning) voor een bedrag van € 410.000.

Omdat [medeverdachte 2] de overeengekomen koopsom op dat moment niet kon voldoen, werd overeengekomen dat hij met ingang van maart 2011 maandelijks een bedrag van € 1.000 zou betalen aan de verkopers, welk bedrag in mindering zou worden gebracht op de koopsom ten tijde van de overdracht. Voorts heeft [medeverdachte 2] een huurovereenkomst met verkopers gesloten op grond waarvan hij een bedrag van € 1.200 per maand diende te betalen, de eerste 6 betalingstermijnen in 1 keer te voldoen. Aan deze huurovereenkomst is een proces-verbaal van oplevering van 15 februari 2011 gevoegd. [medeverdachte 2] heeft de woning in februari 2011 betrokken.

Bij de huur- en koopovereenkomst was [medewerker makelaarskantoor] (verder: [medewerker makelaarskantoor] ), werkzaam bij makelaarskantoor [bedrijf 2] betrokken. [medewerker makelaarskantoor] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] tijdens de onderhandelingen had aangegeven dat hij niet direct kon kopen, maar dat hij zeker wist dat hij na een jaar of 2 wel zou kunnen kopen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de betaling voor de door [medeverdachte 2] gekochte woning heeft plaatsgevonden met geld afkomstig van [persoon 1] dat [persoon 1] via een door de verdachte verschafte hypotheek ter beschikking had gesteld aan [medeverdachte 2] . Op de betaalrekening van de verdachte bij de [naam bank 2] bank is tussen 10 en 14 december 2012 in 12 contante stortingen in totaal een bedrag van € 45.000 ontvangen, tussen 17 en 19 januari 2013 in 17 contante stortingen in totaal een bedrag van € 69.970 en tussen 25 en 29 januari 2013 in totaal een bedrag van € 184.000. Op 18 december 2012 is een bedrag van € 50.000 vanaf die betaalrekening naar de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] overgemaakt. Op 4 februari 2013 is vanaf de betaalrekening van de verdachte 4 keer een bedrag van € 50.000 overgemaakt naar de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] .

Ten behoeve van de aankoop van de woning is via de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] op 18 december 2012 een bedrag van € 41.004,14 – waarbij het hof begrijpt dat een bedrag van € 4,14 de transactiekosten betreffen - overgemaakt naar de rekening van notariskantoor [notariskantoor] (verder: [notariskantoor] ) die de hypotheekakte heeft verleend, onder vermelding van dossiernummer [dossiernummer] .

Op 29 januari 2013 is op de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van € 200.000 van het in Dubai gevestigde bedrijf [bedrijf 4] ontvangen en op 5 februari 2013 is vanaf de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] een bedrag van € 369.004,06 - waarbij het hof begrijpt dat een bedrag van € 4,06 de transactiekosten betreffen - overgemaakt naar [notariskantoor] onder vermelding van ‘hypotheek voor de heer [medeverdachte 2] ’.

Uit een analyse van de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] blijkt dat de betaling op de derdengelden-rekening van de notaris gezien het saldo niet had kunnen plaatsvinden zonder de ontvangsten van [bedrijf 4] en de verdachte.

Op 6 februari 2013 is de woning geleverd aan [medeverdachte 2] . Ten behoeve van de financiering van de koopsom is een hypothecaire lening van € 410.000 aan [medeverdachte 2] verstrekt, waarbij de verdachte als schuldeiser is vermeld.

Blijkens de inschrijving in het kadaster is een bedrag van € 18.000 rechtstreeks aan verkopers betaald en een bedrag van € 392.000 op de derdengeldenrekening van [notariskantoor] gestort.

Uit een analyse van de bankgegevens van de verdachte over de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 juni 2016 blijkt dat daarop geen betalingen worden ontvangen die – samengevat – duiden op betaling in het kader van rente- en/of aflossingsbetalingen ten behoeve van de hypotheek.

Witwasvermoeden gerechtvaardigd?

Het hof acht op grond van de hiervoor weergegeven omstandigheden het vermoeden gerechtvaardigd dat het bedrag van € 410.000 uit enig misdrijf afkomstig is.

Daarvoor zijn met name van belang de geldstroom en de hypotheekconstructie. Het geld is volgens de verdediging afkomstig van [persoon 1] – wat het hof ook als uitgangspunt zal nemen - en is deels via contante stortingen op de [naam bank 2] bankrekening van de verdachte naar de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] en deels via [bedrijf 4] naar de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] overgeboekt. Vervolgens is dit vanaf de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] naar [notariskantoor] overgemaakt. Voor deze ongebruikelijke geldstroom is geen zakelijke verklaring. Daar komt bij dat op papier en bij de notaris de verdachte in persoon is opgetreden als hypotheeknemer en geldverstrekker terwijl het bedrag van € 410.000 niet van de verdachte afkomstig was maar van [persoon 1] . Er is, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, naar het oordeel van het hof sprake van een schijnconstructie.

Voorts is gebleken dat noch [persoon 1] noch de verdachte sinds het verstrekken van genoemde lening tot aan de datum van de zitting in hoger beroep aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van deze geldsom of betaling daarvan in termijnen. De hypothecaire geldleenovereenkomst blijkt dus feitelijk geen geldleenovereenkomst te zijn.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (onderzoek Setter)

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

In 2013 benadert [medeverdachte 1] [persoon 4] (verder: [persoon 4] ), met de mededeling dat hij iemand heeft om diens bedrijf [bedrijf 5] (verder: [bedrijf 5] ), waarvan de activiteiten op dat moment een jaar of twee stil lagen, te kopen. Op 22 december 2013 draagt [persoon 4] , als één van de twee aandeelhouders van [bedrijf 5] , zijn aandelen voor € 1 over aan [bedrijf 6] en een dag later draagt de andere aandeelhouder zijn aandelen over voor hetzelfde bedrag aan [bedrijf 7] , vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] krijgt op 23 december 2013 volmacht om alle aandelen van [bedrijf 5] over te dragen aan [bedrijf 8] (verder: [bedrijf 8] ). Bij een doorzoeking is een koopovereenkomst van januari 2014 aangetroffen waarin [medeverdachte 1] als gemachtigde van de aandeelhouders de aandelen [bedrijf 5] . verkoopt aan [bedrijf 8] , vertegenwoordigd door [persoon 6] , voor een bedrag van Hong Kong dollar 8.000.000. In het briefhoofd van deze overeenkomst staat vermeld “ [bedrijf 9] ”. Deze overeenkomst is mede ondertekend met een op het oog Chinees lijkende handtekening. Volgens deze overeenkomst vindt betaling plaats in 5 termijnen, de eerste te voldoen voor 1 maart 2014.

Door [bedrijf 9] is bericht dat de overeenkomst niet afkomstig is van hun kantoor, de daarin genoemde personen niet bij hen bekend zijn en het logo niet overeenkomt met het logo dat zij nu voeren of in het verleden hebben gevoerd.

In de periode van 19 januari 2014 tot en met 20 februari 2014 vinden er meerdere e-mailconversaties plaats tussen [medeverdachte 1] en de verdachte. Op 19 januari 2014 start deze conversatie met een e-mail van [medeverdachte 1] aan de verdachte met de tekst “Company name” en een foto van de kop van briefpapier. De bedrijfsnaam op het briefpapier is “ [bedrijf 3] ”, gevestigd te Londen.

Op 21 januari 2014 vindt een e-mailwisseling plaats waarin de verdachte vraagt om een contractnummer, waarop [medeverdachte 1] antwoordt dat er geen contract is en dat “we kunnen schrijven wat we willen”.

Op 30 januari 2014 vraagt de verdachte aan [medeverdachte 1] per e-mail of hij een contract moet maken met vermelding van het nummer zoals vermeld in de omschrijvingen van de betalingen.

Diezelfde dag schrijft Henriks aan de verdachte dat hij het contract hoger moet maken, rond € 1.900.000 met verschillende betalingen. Het contract is bijgesloten en betreft een contract tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . In de e-mail schrijft [medeverdachte 1] dat bij de nieuw te ontvangen betalingen er nieuwe contractbijlagen zullen worden toegevoegd.

[medeverdachte 1] stuurt op 18 februari 2014 een e-mail aan de verdachte met als bijlage een leenovereenkomst, waarin is opgenomen dat [bedrijf 6] in totaal € 900.000 leent van [bedrijf 1] . Deze overeenkomst is niet ondertekend. [medeverdachte 1] schrijft in de e-mail: ”You can use this for the bank. Please arrange it.”

[persoon 4] heeft desgevraagd verklaard dat hij namens [bedrijf 6] geen lening is aangegaan en dat [medeverdachte 1] niet gerechtigd is om dat namens [bedrijf 6] te doen.

In een e-mail verzonden op 6 februari 2014 door [medeverdachte 1] aan de verdachte vermeldt [medeverdachte 1] : “the afternoon I know the new amount that will come. It will come from the same party from London. It will be around 800.000”.

Uit bankafschriften van [naam bank 1] blijkt dat door [bedrijf 1] in de periode van 21 januari 2014 tot en met 3 maart 2014 van [bedrijf 3] in totaal € 1.064.775 is ontvangen en dat van de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] in de periode van 19 februari 2014 tot en met 28 maart 2014 in 5 termijnen in totaal € 852.070,48 is overgemaakt aan [bedrijf 6] . Er zijn 5 betaalopdrachten van die strekking ondertekend door de verdachte.

Uit deze bankafschriften kan tevens worden opgemaakt dat de inkomende gelden, afkomstig van [bedrijf 3] , noodzakelijk waren om de uitgaande geldstroom van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] mogelijk te maken in verband met de toereikendheid van het saldo van die bankrekening.

In een e-mail van 20 oktober 2014 vraagt [persoon 7] van [bedrijf 7] aan [medeverdachte 1] de gegevens met betrekking tot de transactie in 2014 van € 852.050. Op 15 januari 2015 vraagt [persoon 4] per e-mail aan [medeverdachte 1] “of hij de stukken voor de 800k kan regelen voor de afhandeling”.

Op 9 februari 2015 stuurt [medeverdachte 1] aan [persoon 4] een e-mail met het verzoek om te kijken of “er nu alles op staat”. In het bij die e-mail gevoegde Exceldocument staat een opstelling van diverse posten, waaronder: “Binnen van [bedrijf 1] na 125.000 overmaking € 727.050”.
Witwasvermoeden gerechtvaardigd?
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in de onderhavige zaak in opdracht van [medeverdachte 1] grote bedragen door tussenkomst van de verdachte via de bankrekening van [bedrijf 1] naar [bedrijf 6] zijn overgemaakt. Zowel de koopovereenkomst tussen [bedrijf 5] en [bedrijf 8] als de leenovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 6] zijn door de verdachte samen met anderen opgezette schijnconstructies om de betalingen aan [bedrijf 6] in de boeken te verantwoorden. De gelden waren niet voor [bedrijf 6] bestemd maar voor [medeverdachte 1] .

Het opzetten van schijnconstructies die de verplaatsing van grote sommen geld moeten verklaren is voldoende om een vermoeden van witwassen te rechtvaardigen.

Op grond van het voorgaande acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat de gelden zoals opgenomen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Heeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd?

De verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd dat het geld niet uit enig misdrijf afkomstig is.

De verdediging heeft in dit verband onder nr. 29 van de pleitnotities verwezen naar een door de verdachte in november 2015 in het geding gebrachte verklaring met drie bijlagen. Deze verklaring ziet op salarisbetalingen door de verdachte aan iemand die hij verder niet kende door tussenkomst van [medeverdachte 1] in het kader van de aankoop van appartementen in 2013 en 2014, en de betaling van een auto. De verdediging heeft betoogd dat de recherche heeft nagelaten verder onderzoek hiernaar te doen.

De verdediging heeft voorts onder nr. 31 van de pleitnotities in hoger beroep verwezen naar de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] van 1 juni 2018 (het hof stelt vast: 31 mei 2018) (verder: de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] ) met bijlagen. Deze stukken zijn in de zaak van de verdachte gevoegd ter zitting in hoger beroep.

[medeverdachte 1] stelt in de schriftelijke verklaring dat de gelden waar de tenlasteleggingen in zijn zaak betrekking op hebben, van [persoon 1] afkomstig zijn. Deze stelling is door de verdediging van de verdachte overgenomen en het hof gaat daar eveneens van uit. Dit betekent dat nader onderzoek naar [bedrijf 4] en [bedrijf 3] niet nodig is in het kader van de beantwoording van de vraag naar de herkomst van het geld. Er liepen geldstromen via deze bedrijven, maar de herkomst van het geld lag steeds bij [persoon 1] .

Volgens de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] had [persoon 1] veel geld verdiend met zijn bedrijven [bedrijf 12] (verder ook: [bedrijf 12] ) en [bedrijf 10] (verder ook: [bedrijf 10] ). Voorts zou er een geldlening zijn van € 1,5 miljoen aan [bedrijf 11] waarin [persoon 1] schuldeiser was.

In 2010 is [persoon 1] vervolgd voor een BTW-carrousel. [persoon 1] heeft daarvoor een taakstraf opgelegd gekregen.

In 2011, toen [persoon 1] weer contact opnam met [medeverdachte 1] , vertelde [persoon 1] aan [medeverdachte 1] dat hij de lening aan [bedrijf 11] aan het incasseren was, dat hij in het buitenland, te weten Dubai, gelden hiervan had gestald, dat hij achtervolgd werd door de Belastingdienst vanwege een openstaande naheffingsaanslag omzetbelasting van € 11.706.359 en dat hij inmiddels in de zonnepanelen zat en daarmee in met name België en Frankrijk geld verdiende. [persoon 1] kreeg deels in contanten uitbetaald, deels op zijn bankrekeningen in Dubai en deels in aandelen. Volgens [medeverdachte 1] bleek uit de jaarstukken van [bedrijf 12] geen omzetbelastingschuld.

Verder wist [medeverdachte 1] dat [persoon 1] twee onroerende zaken uit de [bedrijf 12] en [bedrijf 10] had onttrokken met een totale waarde van € 250.000.

[persoon 1] had een BKR-registratie.

Voorts had [persoon 1] [medeverdachte 1] meegedeeld dat hij een conflict had met zijn ex-zakenpartner [persoon 5] die geld van hem claimde. Vanwege deze claim en die van de Belastingdienst heeft [persoon 1] [medeverdachte 1] verzocht hem te helpen met het creëren van een inkomensstroom in Nederland zodat [persoon 1] een basis had om alimentatie te betalen ten behoeve van zijn ex-vrouw en hun dochter en om een pensioenvoorziening op te bouwen, dit alles zonder zijn vermogen kwijt te raken aan zijn schuldeisers, waaronder de Belastingdienst.

De verdediging heeft er verder op gewezen dat [persoon 1] weliswaar is veroordeeld voor de invoer van 300 kilogram cocaïne in december 2013, maar dat die partij in beslag is genomen en in financiële zin dus niets heeft opgeleverd voor [persoon 1] . Voorts is [persoon 1] veroordeeld voor voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne, maar de periode waarop die veroordeling betrekking heeft, is van latere datum dan de witwashandelingen die [medeverdachte 1] worden verweten. Bovendien is [persoon 1] vrijgesproken voor voorbereidingshandelingen voor het transport van 300 kilogram cocaïne. Derhalve kan op basis van die veroordelingen niet worden gesteld dat [persoon 1] zijn vermogen in de cocaïnehandel had verdiend, aldus de verdediging.

Het hof

Wat betreft de verwijzing onder nr. 29 van de pleitnotities naar een door de verdachte in november 2015 in het geding gebrachte verklaring met drie bijlagen overweegt het hof dat deze verklaring niet ziet op het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde. Er was derhalve geen aanleiding om in dat verband nader onderzoek te laten verrichten door het Openbaar Ministerie.

Het hof overweegt ten aanzien van het overige hetgeen door de verdediging is aangevoerd, als volgt.

Er is onderzoek gedaan naar het inkomen en het vermogen van [persoon 1] . Over het jaar 2009 heeft [persoon 1] een bedrag van € 79.495 bij de Belastingdienst opgegeven als winst uit onderneming. Uit het onderzoek van gegevens van de Belastingdienst over de jaren 2011 tot en met 2014 blijken de volgende door [persoon 1] aangegeven inkomsten:

Jaar

Winst uit onderneming in €

Loon uit arbeid in €

Totaal in €

2011

51.475

-

51.475

2012

67.400

30.085

97.485

2013

-

122.997

122.997

2014

Onbekend

35.604

35.604

Totaal

118.875

188.686

307.561

Er is onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van [persoon 1] . De eindsaldi zijn in totaal per jaar in euro’s:

2009

2010

2011

2012

2013

3.498

-

1.096

4.996

6.046

Er is ook onderzoek gedaan naar de geldstromen op de bankrekeningen van [persoon 1] . Uit de analyse daarvan blijkt dat de bankrekeningen over de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 oktober 2014 zijn gevoed met kasstortingen tot een totaal van € 410.930. Daarnaast zijn er over deze periode inkomsten uit loon uit arbeid/ uitkering van € 101.799,88. De uitgaven vanaf de bankrekeningen zijn bijna gelijk aan de inkomsten zodat op die bankrekeningen niet is gespaard.

Uit onderzoek naar [bedrijf 12] en [bedrijf 10] volgt dat wat betreft [bedrijf 12] op de bekende bankrekeningen in 2010 bedragen stonden van € 15 en USD 15. Vanaf 2011 staan de bankrekeningen op 0. Er zijn oninbare omzetbelastingaanslagen en vennootschaps-belastingaanslagen geregistreerd tot een totaal bedrag van € 11.414.585 exclusief rente en kosten. Blijkens de door [medeverdachte 1] overgelegde schriftelijke bescheiden maakt daarvan deel uit een naheffingsaanslag omzetbelasting voor [bedrijf 12] van € 11.706.359 over de periode april 2004 tot en met november 2005.

Wat betreft [bedrijf 10] blijkt uit het onderzoek dat de bekend geworden bankrekening per 2010 een negatief saldo van -/- € 139 toonde. De ambtshalve opgelegde definitieve aanslagen vennootschapsbelasting bedroegen in de jaren 2010 tot en met 2012 respectievelijk € 35.875, € 2.460 en € 6.954.

Dat [persoon 1] geen bij de fiscus opgegeven inkomen en vermogen had, wordt bevestigd door de hierboven beschreven resultaten van het strafrechtelijk onderzoek.

Hoewel ook geld in het buitenland waarvan niet direct en onmiskenbaar de legale herkomst blijkt, een legale herkomst kan hebben, mag van de verdachte die als reactie op een beschuldiging van witwassen een beroep doet op de legale herkomst van dergelijk geld, verwacht worden dat hij concrete en/of verifieerbare gegevens aanlevert. Dergelijke concrete gegevens ontbreken in de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] .

Voor wat betreft de jaren vóór 2010 verklaart [medeverdachte 1] dat [persoon 1] veel geld op legale wijze zou hebben verdiend met [bedrijf 12] en [bedrijf 10] . Op dat punt acht het hof de verklaring van [medeverdachte 1] hoogst onwaarschijnlijk en niet concreet gelet op de oninbare belastingaanslagen die betrekking hadden op delen van de jaren 2004 en 2005 en het feit dat [persoon 1] is veroordeeld voor een BTW-carrousel.

Wat betreft de door [medeverdachte 1] overige genoemde vermogensbestanddelen die evenmin bij de Belastingdienst bekend waren, zoals de geldlening aan [bedrijf 11] en de eventuele aflossing hiervan, oordeelt het hof dat de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] niet concreet en/of verifieerbaar is, temeer nu daarin staat dat dit geld in het buitenland (Dubai) was gestald.

Het hof concludeert dat de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] mede in het licht van de overige gegevens in het dossier niet voldoet aan het criterium concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Anders dan de verdediging heeft gesteld had het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek behoeven te doen naar de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] .

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Nu de feiten en omstandigheden in deze zaak het vermoeden rechtvaardigen dat de geldbedragen waarop de tenlastelegging betrekking heeft afkomstig is uit enig misdrijf en de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van die geldbedragen, concludeert het hof dat bewezen is dat de ten laste gelegde geldbedragen van respectievelijk € 410.000 en € 852.050 afkomstig zijn uit enig misdrijf.
Weet of redelijkerwijs moet vermoeden?
Aan de verdachte zijn twee feiten ten laste gelegd ter zake het witwassen van een totaal bedrag van ruim 1,2 miljoen euro.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (onderzoek [zaaksdossier] )

De verdediging

Het verweer van de verdediging over het bedrag van € 410.000 houdt in, kort gezegd, dat de verdachte [persoon 1] niet kende en uitsluitend zaken deed met [medeverdachte 1] . De verdachte kende [medeverdachte 1] als financieel adviseur en had geen reden diens handelen te wantrouwen. Hij kon en mocht er op vertrouwen dat wanneer [medeverdachte 1] aangaf dat het goed zat, het in orde was. De verdachte wist niet en behoefde redelijkerwijs niet te vermoeden dat het geld een criminele herkomst had.

Het hof

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte via [bedrijf 1] een bedrag van in totaal € 410.000 heeft overgemaakt naar de derdengeldenrekening van de notaris ten behoeve van de hypotheekverstrekking aan [medeverdachte 2] . Het bedrag van € 410.000 is via een groot aantal contante stortingen op de [naam bank 2] bankrekening van de verdachte terechtgekomen en vervolgens overgemaakt naar de betaalrekening van [bedrijf 1] . Nu de [naam bank 2] bankrekening op zijn naam stond en de verdachte zelf gebruik maakte van deze rekening, concludeert het hof dat de verdachte op de hoogte is geweest van de stortingen die op zijn [naam bank 2] bankrekening geschiedden. De verdachte was voorts als enige bevoegd voor de bankrekening van [bedrijf 1] . De verdachte heeft derhalve de opdrachten tot betaling aan [notariskantoor] gegeven. De verdachte is ook degene geweest die de hypotheekakte bij de notaris heeft getekend. Er is in de periode nadien door de verdachte geen betaling verzocht, laat staan ontvangen die – samengevat – duidt op betaling in het kader van rente- en/of aflossingsverplichtingen ten behoeve van de hypotheek. Noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting kan worden opgemaakt dat in de toekomst betaling wordt verwacht danwel zal worden opgeëist. Het hof concludeert dat de verdachte aldus heeft meegewerkt aan een constructie die inhield dat een hypotheekakte is opgemaakt waarin vermeld stond dat de verdachte een hypotheek aan [medeverdachte 2] verstrekte, terwijl de verdachte wist dat het geld van een ander afkomstig was. Dat impliceert dat de verdachte feitelijk een schijnhandeling heeft verricht, in die zin dat hij naar buiten de schijn heeft gewekt van een normale financiering op basis van een hypothecaire lening, terwijl in werkelijkheid daarvan geen sprake was.

De feiten die bij de verdachte bekend waren zijn derhalve de stortingen van grote contante bedragen op de (Nederlandse) [naam bank 2] bankrekening van de verdachte, die de verdachte vervolgens via de Liechtensteinse [naam bank 1] -bankrekening van het in Panama gevestigde [bedrijf 1] naar de derdengeldrekening van [notariskantoor] heeft overgeboekt en de betrokkenheid van de verdachte bij het doen opmaken van een valse geldleenovereenkomst en hypotheekakte die bij de notaris is gepasseerd.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de gelden die hij via de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] aan [notariskantoor] heeft overgemaakt, uit enig misdrijf afkomstig waren.

Het hof verwerpt het verweer.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (onderzoek Setter)

De verdediging

Het verweer van de verdediging ter zake het bedrag van € 852.050 houdt in dat [persoon 1] [medeverdachte 1] heeft betaald voor de door [medeverdachte 1] verleende diensten door het pand aan de [adres 2] te Rotterdam voor een goede prijs te kopen. De verdachte heeft daarbij slechts gefungeerd als ‘doorgeefluik’ van gelden in de veronderstelling dat het een koopsom betrof voor een onroerende zaak.

Het hof

Uit de inhoud van de hiervoor aangehaalde

e-mailconversatie concludeert het hof dat [medeverdachte 1] en de verdachte overleg voerden over op te maken contracten die aan de betalingen van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] en van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] ten grondslag kunnen worden gelegd. De verdachte had een contract nodig om aan de bank te kunnen laten zien. Er is echter geen zakelijke reden of verklaring waarom de route van het geld van [persoon 1] via [bedrijf 3] en [bedrijf 1] naar [bedrijf 6] zou moeten lopen. De concept-overeenkomsten die tussen [medeverdachte 1] en de verdachte zijn uitgewisseld beantwoorden niet aan de werkelijkheid zoals die op dat moment was en passen evenmin bij de suggestie van de raadsman ter terechtzitting dat er sprake was van een overeenkomst tussen [persoon 1] en [medeverdachte 1] over een onroerende zaak. Uit de inhoud van deze e-mailconversaties concludeert het hof dat de verdachte wist dat de concept- geldleenovereenkomsten niet conform de werkelijkheid waren. Daaruit blijkt dat de verdachte meewerkte aan het opzetten van een schijnconstructie om de geldstromen te verklaren.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld dat hij via de [naam bank 1] -bankrekening van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] heeft overgemaakt, uit enig misdrijf afkomstig was.

Het hof verwerpt het verweer.

Resumerend acht het hof op grond van het hiervoor overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

(onderzoek [zaaksdossier] ) hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 28 februari 2013, te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats 1] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 410.000,- euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.(onderzoek Setter)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2013 tot en met 31 maart 2014 te Barendrecht en/of Rotterdam en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of plaatsen buiten Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van voorwerp(en), te weten van enig(e) geldbedrag(en) van (in het totaal ongeveer) 852.050 euro, althans van enig(e) (contante) geldbedrag(en) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende is en/of enig(e) geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van ruim € 1.250.000. Bij dat witwassen werden schijnconstructies opgezet om geldstromen te kunnen verantwoorden in de boeken. De verdachte vervulde een essentiële rol als internationale schakel en leidde de geldstroom vanuit het buitenland weer naar Nederland. Zonder zijn betrokkenheid was het witwassen van criminele gelden, op de bewezenverklaarde wijze, niet mogelijk geweest.

Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten en in het legale circuit wordt gebracht kan daarop een ontwrichtende werking hebben. Witwassen draagt er aan bij dat misdaad loont; het medeplegen van witwassen is daarom een zeer ernstig feit.

Justitiële documentatie

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 11 november 2025.

Redelijke termijn

Het hof overweegt ten aanzien van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als volgt.

De redelijke termijn is aangevangen op 29 september 2015. In eerste aanleg heeft de rechtbank vonnis gewezen op 13 juli 2018. Daarmee heeft de behandeling in eerste aanleg niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt bijna 10 maanden.

De verdachte is op 26 juli 2018 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Dit arrest wordt gewezen op 17 maart 2026.

Daarmee heeft de behandeling in hoger beroep niet plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 2 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim 5,5 jaren.

Het hof zal met de geconstateerde overschrijding rekening houden, waarbij ook de duur van de procedure als geheel wordt betrokken, door de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden – conform de door de rechtbank opgelegde straf - te verminderen met 7 maanden. Het hof komt aldus tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 (drieëntwintig) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. M.I. Veldt-Foglia, voorzitter, mr. M.C. Bruining en mr. M. Koole, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 maart 2026.

Artikel delen