Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHSHE:2025:2536

Eisvermeerdering vormt incidenteel hoger beroep.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHSHE:2025:2536 text/xml public 2026-08-05T12:04:30 2025-09-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-16 200.328.508_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Verbintenissenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2023:401 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2536 text/html public 2026-08-05T11:51:25 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2536 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 16-09-2025 / 200.328.508_01
Eisvermeerdering vormt incidenteel hoger beroep.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht

zaaknummer 200.328.508/01

arrest van 16 september 2025

in de zaak van

SEB Life International Assurance Company DAC,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als SEB,

advocaat: mr. H.J. van der Baan te Amsterdam,

tegen
<nr>1</nr> [geïntimeerde sub 1] ,<?linebreak?>wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde sub 3] , voor zichzelf en in hoedanigheid van erfgenaam van [persoon A] ,wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] (meervoud) en ieder afzonderlijk met de eigen naam,

advocaat: mr. M.N. van Dam te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 april 2023 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 13 mei 2020 (hierna: het eerste vonnis), 28 april 2021 (hierna het tweede vonnis) en 1 februari 2023 (hierna: het derde vonnis) van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. Deze zijn gewezen tussen SEB als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers.
<nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/335249 / HA ZA 18-407)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar bovengenoemde vonnissen.
<nr>2</nr>Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met producties;

de memorie van antwoord met producties en eiswijziging;

de mondelinge behandeling van 25 november 2024, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;

de bij H-formulier van 14 november 2024 door [geïntimeerden] toegezonden producties, die [geïntimeerden] bij de mondelinge behandeling in het geding hebben gebracht;

de mondelinge behandeling van 9 september 2025, waarbij partijen met elkaar hebben gesproken over een eventuele minnelijke regeling.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovengenoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
<nr>3</nr>De beoordeling 3.1.
In de onderhavige procedure hebben [geïntimeerden] in eerste aanleg gevorderd:

I. te verklaren voor recht dat SEB onrechtmatig heeft gehandeld jegens particuliere cliënten zonder relevante kennis en ervaring van beleggen, dan wel toerekenbaar tekortgeschoten is in de op haar rustende wettelijke en contractuele verplichtingen c.q. (bijzondere) zorgplichten, in het bijzonder omdat SEB:

a. a) de PPP (hof: Personal Portfolio Policy) op de markt heeft gebracht door middel van misleidende, onjuiste, dan wel onvolledige informatie; en/of

b) met haar PPP een product op de markt heeft gebracht dat ongeschikt was voor particuliere cliënten; en/of

c) ernstig tekortgeschoten is in de op haar rustende informatie- en/of waarschuwingsplichten voor de verstrekking van de PPP en tijdens de looptijd van de PPP; en/of

d) op grote schaal heeft bewerkstelligd, gefaciliteerd of gedoogd dat particuliere beleggers op eenzijdige en onaanvaardbare wijze hebben belegd in zeer risicovolle hedge funds;

II. te verklaren voor recht dat SEB aansprakelijk is voor de dientengevolge door de SEB-cliënten, althans [geïntimeerden] , geleden en te lijden schade;

III. primair: te verklaren voor recht dat de PPP’s neergelegd in de overeenkomsten tussen [geïntimeerden] en SEB met polisnummer [A] ten name van [geïntimeerde sub 1] en

[geïntimeerde sub 2] en met polisnummer [B] ten name van [geïntimeerde sub 3] en

[persoon A] op 21 oktober 2016 zijn vernietigd op grond van dwaling dan wel bedrog, dan wel subsidiair: de PPP’s neergelegd in de overeenkomsten tussen eisers en SEB Life met polisnummer [A] ten name van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] en met polisnummer [B] ten name van [geïntimeerde sub 3] en [persoon A] op 21 oktober 2016 te vernietigen op grond van dwaling dan wel bedrog per de datum van de inleidende dagvaarding, althans per een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;

IV. SEB te veroordelen tot terugbetaling, althans betaling van schadevergoeding, bestaande uit:

a. a) de door eisers bij SEB in een PPP ondergebrachte gelden, te weten:

- € 60.607,00 aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ; en,

- € 127.200,00 aan [geïntimeerde sub 3] en [persoon A] ; en,

b) het gemiste benchmark rendement in de periode gelegen tussen het moment van storting van de ingelegde gelden tot 1 april 2018, te weten:

- € 35.589,11 aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ; en,

- € 62.760,21 aan [geïntimeerde sub 3] en [persoon A] ;

of een door de rechtbank, al dan niet door tussenkomst van een door de rechtbank te benoemen deskundige, in goede justitie te bepalen bedrag;

V. SEB Life te veroordelen in de proceskosten en, kort gezegd, de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagtekening van het vonnis.
3.2.1.
In het eerste vonnis heeft de rechtbank [geïntimeerden] een bewijsopdracht gegeven.
3.2.2.
In het tweede vonnis heeft de rechtbank [geïntimeerden] toegelaten om bepaald aanvullend bewijs te leveren en SEB toegelaten bepaald tegenbewijs te leveren.
3.2.3.
In het derde vonnis heeft de rechtbank:

- voor recht verklaard dat SEB onrechtmatig heeft gehandeld jegens

[geïntimeerden] , omdat SEB:

- de PPP op de markt heeft gebracht door middel van misleidende, onjuiste, dan wel

onvolledige informatie,

- ernstig tekortgeschoten is in de op haar rustende informatie- en waarschuwingsplichten voor de verstrekking van de PPP,

- heeft gefaciliteerd dat [geïntimeerden] op eenzijdige wijze hebben belegd in zeer risicovolle hedge funds;

- voor recht verklaard dat SEB aansprakelijk is voor de dientengevolge

door [geïntimeerden] geleden en nog te lijden schade;

- voor recht verklaard dat de PPP's neergelegd in de overeenkomsten tussen Helmes

c.s. en SEB (…) zijn vernietigd op grond van dwaling;

- SEB veroordeeld tot (terug)betaling aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] van een bedrag

van € 60.607,00 en tot (terug)betaling aan [geïntimeerde sub 3] van een bedrag van

€ 127.200,00;

- het vonnis wat betreft de veroordelingen tot betaling van de twee hiervoor genoemde bedragen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- bepaald dat de zaak weer op de rol zou komen van 1 maart 2023 voor het nemen

van een akte door [geïntimeerden] (Dit laatste vanwege het oordeel van de rechtbank dat zij voor het bepalen van de omvang van de schade van [geïntimeerden] deskundige voorlichting behoeft.)

Verder heeft de rechtbank op verzoek van SEB tussentijds hoger beroep opengesteld. SEB heeft daarna hoger beroep ingesteld en de procedure bij de rechtbank is geschorst.
3.3.
In dit arrest zal het hof alleen een procedureel aspect behandelen.
3.4.
In de memorie van antwoord stellen [geïntimeerden] een eisvermindering in, die inhoudt dat zij het gevorderde bedrag van € 60.607,00 verminderen tot € 59.238,90.

Daarnaast stellen zij een eisvermeerdering in die betrekking heeft op de gevorderde wettelijke rente. Hiertoe voeren zij het volgende aan (memorie van antwoord nr. 8.2.: “Abusievelijk vorderden [geïntimeerden] in eerste aanleg enkel wettelijke rente over de proceskostenveroordeling. [geïntimeerden] wensen dit in hoger beroep te corrigeren althans te verduidelijken en vorderen ook wettelijke rente - zie rnr. 8.3 onder V hierna - over het gevorderde (lees: de verloren inleg en het gemiste rendement tot 1 april 2018, zie petitum onder IV (…)). [geïntimeerden] vorderen vanaf 1 april 2018 wettelijke rente tot de

dag waarop SEB integraal haar betalingsverplichtingen heeft voldaan.”

In de memorie van antwoord nr. 8.3. is de vordering zoals ingesteld in eerste aanleg weergegeven, waarbij de door [geïntimeerden] in hoger beroep gewenste wijzigingen zijn onderstreept. Daarbij gaat het om de hiervoor genoemde eisvermindering en de vordering inzake de wettelijke rente zoals hiervoor vermeld.

Daarnaast is ook de vordering ten aanzien van de proceskostenvordering aangepast aan het gegeven dat er inmiddels sprake is van hoger beroep. Dit laatste is een gebruikelijke en toegestane aanpassing, die verder dan ook in dit arrest buiten beschouwing blijft.
3.5.
Ter zitting hebben [geïntimeerden] desgevraagd hun petitum in nummer 8.3. van de memorie van antwoord als volgt toegelicht. Het is hun bedoeling om hun eis te verminderen en te vermeerderen zoals hierboven in 3.4. weergegeven en daarnaast te concluderen tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen. Voor het overige hebben zij hun gehele (deels niet toegewezen) vordering uit de eerste aanleg slechts opgenomen ter illustratie (door middel van de onderstreping) van wat er door de vermindering en de vermeerdering veranderd is.
3.6.
Ter zitting heeft SEB allereerst aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de eisvermindering.

Verder heeft zij wel bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering ten aanzien van de wettelijke rente. Naar het hof begrijpt uit wat SEB heeft aangevoerd, stelt zij zich op het standpunt dat [geïntimeerden] in het principaal hoger beroep geen eisvermeerdering kunnen instellen en heeft SEB de eisvermeerdering niet begrepen als een verkapt incidenteel hoger beroep.
3.7.
Gelet op het bovenstaande overweegt het hof als volgt.

Het hof zal bij de beoordeling recht doen op de vordering zoals aangepast bij de eisvermindering en er dus van uitgaan dat het in eerste aanleg door [geïntimeerden] gevorderde bedrag van € 60.607,00 wordt verminderd tot € 59.238,90.

Het hof leest de eisvermeerdering als een incidenteel hoger beroep, dat inhoudt dat met ingang van 1 april 2018 ook wettelijke rente dient te worden toegewezen over de overige door [geïntimeerden] gevorderde bedragen (naast wettelijke rente over de proceskosten, die in eerste aanleg al was gevorderd). Dit betekent dat SEB in de gelegenheid moet worden gesteld een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep te nemen, uitsluitend ten aanzien van de hier bedoelde wettelijke rente. Het hof zal de zaak hiertoe dan ook verwijzen naar de rol, zoals in het dictum bepaald.
3.8.
Voor het overige wordt iedere beslissing aangehouden.
<nr>4</nr>De uitspraak
Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 28 oktober 2025 voor het nemen door SEB van een memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, zoals vermeld onder 3.7.;

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, N.W.M. van den Heuvel en J.G.J. Rinkes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 september 2025.

griffier rolraadsheer

Artikel delen