Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHSHE:2025:2682

Huurovereenkomst met betrekking tot een appartement in een appartementencomplex uit 1938. Beroep van de huurder op dwaling, althans op vermindering van de huurprijs vanwege door de huurder gestelde ontoereikende verwarming, gebrekkige isolatie en aanwezigheid van marters.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHSHE:2025:2682 text/xml public 2026-07-28T15:19:49 2025-09-30 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-09-30 200.336.281_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Verbintenissenrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2023:4672 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2682 text/html public 2026-07-28T15:12:54 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2682 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 30-09-2025 / 200.336.281_01
Huurovereenkomst met betrekking tot een appartement in een appartementencomplex uit 1938. Beroep van de huurder op dwaling, althans op vermindering van de huurprijs vanwege door de huurder gestelde ontoereikende verwarming, gebrekkige isolatie en aanwezigheid van marters.

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.336.281/01

arrest van 30 september 2025

in de zaak van

[appellant] , mede h.o.d.n. [A],

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [A] ,

advocaat: mr. J.I. Jansen te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] , mede h.o.d.n. [B] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [B] ,

advocaat: mr. M.C.A. Geerts te Oirschot,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 5 maart 2024 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer 376774 / HA ZA 21-810 gewezen vonnissen van 8 maart 2023 en 20 september 2023 (hierna aangeduid als de bestreden vonnissen).
<nr>5</nr>Het verdere verloop van de procedure 5.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 5 maart 2024 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

het proces-verbaal van deze comparitie, gehouden op 3 april 2024;

de memorie van grieven met een productie, H1;

de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties D tot en met S;

de memorie van antwoord in incidenteel appel met producties H2 tot en met H10;

de mondelinge behandeling van 4 juni 2025, waarbij partijen spreeknotities hebben voorgedragen en overgelegd;

het rolbericht van partijen van 24 juni 2025 waarin zij arrest vragen.
5.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg
<nr>6</nr>De beoordeling
De feiten
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

[A] heeft een eenmanszaak. Zijn bedrijfsactiviteiten bestaan uit het laten produceren van schaalmodellen van voertuigen in China.

[B] heeft eveneens een eenmanszaak en exploiteerde ten tijde van de in deze zaak relevante periode, een onderneming die zich bezighield met het op aanvraag van klanten laten produceren van schaalmodellen en daarnaast het verkopen van losse modellen via zijn website.

Vanaf 2018/2019 werkten beide partijen samen onder de naam [B] . Onder deze naam werden de schaalmodellen verkocht. Orders via de website werden ontvangen op het e-mailadres order@ [B] .nl. Beide partijen hadden toegang tot dit mailadres.

Omdat er problemen waren in de samenwerking - [A] verweet [B] dat hij niet (tijdig) de facturen betaalde en [B] verweet [A] slechte kwaliteit van de producten - hebben zij in november 2020 onder meer de volgende afspraken op schrift gesteld, en dit dan met een looptijd tot en met 31 december 2022:

zowel [B] als [A] behouden hun eigen klanten met bijbehorende marges. Splitsing vindt plaats met terugwerkende kracht per 1 november 2020;

lopende klantorders van [B] worden bij [A] ingekocht tegen inkoopprijs + 15% winst;

[B] loopt zijn betalingsachterstand in door op de lopende klantorders 15% winst af te dragen aan [A] ;

[B] lost op openstaande oude facturen per maand minimaal € 500,00 af;

de voorraad modellen (van [A] ) wordt verkocht door [B] en 15% van die opbrengst komt ten goede aan [B] ;

Dakar modellen worden exclusief voor [B] geproduceerd. De volledige voorraad Dakar modellen zal uiterlijk op 31 december 2022 overgedragen worden aan [B] tegen een kostprijs plus 15% winsttoeslag;

[A] betaalt maandelijks € 350,00 excl. btw voor opslagruimte (gehuurd door [B] );

[A] verbetert de kwaliteit van de schaalmodellen op korte termijn aanzienlijk;

als er schade is, laat [B] de modellen repareren en ontvangt daar een vergoeding van € 32,50 per uur excl. btw voor. Kosten worden vooraf ingeschat;

handmodellen exclusief gemaakt voor [B] worden na levering order eigendom van [B] en zullen meegeleverd worden met levering van de order. Preproduction modellen worden eigendom van [B] ;

[A] verstrekt een overzicht van de levertijden van modellen. Levertijden worden in onderling overleg vastgesteld. Wanneer de levertijd met meer dan een maand vertraging oploopt, laat [A] op zijn kosten de modellen invliegen;

eigen producties van [A] verpakt in [B] dozen worden exclusief door [B] verkocht.

De samenwerking is (ook) na de schriftelijke vastlegging van deze afspraken niet naar behoren verlopen.

Op 13 januari 2021 stuurt [A] aan [B] een e-mail met de volgende inhoud:

“De Saurer modellen haal ik uit de [B] collectie. Het is mijn order en investering en heb met Mtoys een verkoopdeal gemaakt. Deze worden onder het merk Mtoys vermarkt in Zwitserland. Graag van de [B] webshop verwijderen.”

Op 12 april 2021 stuurt [A] aan [B] een e-mail met de volgende inhoud:

“De volgende eigen productie zullen, niet, meer onder label [B] worden: vervaardigd.

- Daf N-2500 kipper

- Volvo N-88 veetrailer Dijkstra

- Werklust shovel/loader

- Daf/Ginaf Desperado kipper

Als je de risico’s bij legt voor de productie en financiën neem ik dat risico niet langer. Zit al genoeg geld van mij in [B] .”

Partijen hebben over de situatie gesproken, onder andere onder begeleiding van [persoon A] (de boekhouder van [B] ).

Op 19 mei 2021 stuurt [A] een e-mail aan [persoon A] met de volgende inhoud:

“Ik heb net een gesprek gehad mijn [hof: met] mijn adviseur en met mijn vrouw. We zijn tot het besluit gekomen dat het beter voor beide partijen is om de bestaande overeenkomst zo snel als mogelijk te ontbinden. Ik heb geen enkele vertrouwen meer in [geïntimeerde] en zijn manier van werken. Mijn gezondheid en humeur heeft er enorm onder te lijden. Het gesprek zal dus gaan over de afwikkeling van de overeenkomst en niet meer hoe we samen verder kunnen.”

[B] reageert hierop op 15 juni 2021 met de volgende mededeling aan [A] :

“U geeft echter aan dat u de overeenkomst niet meer na zal komen. Dat betekent dat u de overeenkomst heeft ontbonden/opgezegd, zonder dat u daartoe de bevoegdheid had. U verkeert daardoor in verzuim. Cliënt doet geen beroep op nakoming, maar claimt vervangende schadevergoeding. Op grond van de wet dient u die te voldoen.”

[B] heeft in juni 2021 de toegang van [A] tot het e-mailadres order@ [B] .nl beëindigd.

[A] heeft bij brief van 16 september 2021, geschreven door zijn gemachtigde, laten weten de overeenkomst te ontbinden omdat [B] zijn betalingsverplichtingen niet nakomt.

De procedure in eerste aanleg
6.2.1.
In de onderhavige procedure heeft [B] , na vermeerdering van eis, in conventie gevorderd om [A] te veroordelen tot betaling van:

€ 49.169,00 excl. btw ten titel van gederfde winst (geannuleerde orders);

€ 1.950,00 excl. btw ten titel van schadevergoeding als gevolg van een hogere rentelast (overbruggingskredieten);

€ 74.490,00 excl. btw ten titel van schadevergoeding door onterechte beëindiging door [A] ;

€ 8.157,50 ten titel van verrichte reparaties aan geleverde goederen (na eisvermindering);

€ 2.264,41 ten titel van buitengerechtelijke kosten;

schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

een en ander vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 23 juni 2021.

Daarnaast heeft [B] gevorderd om [A] :

te veroordelen tot afgifte van alle 22 handmodellen, welke conform het overzicht van [B] nog niet aan [B] zijn geleverd, binnen 7 (zeven) dagen na vonnis, met oplegging van een dwangsom;

te verbieden om gebruik te maken van data (verzameld door [B] ) of tekeningen (gemaakt door [B] ) of op andere wijze producten te vermenigvuldigen of daar kopieën van te maken, met oplegging van een dwangsom;

te verbieden om gedurende twee jaar klanten van [B] te benaderen, met oplegging van een dwangsom.

Tot slot heeft [B] gevorderd om [A] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
6.2.2.
Aan deze vorderingen heeft [B] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [A] te laat heeft geleverd en heeft nagelaten producten in te vliegen. Daarnaast heeft [A] gebrekkige producten geleverd en de overeenkomst ten onrechte ontbonden.
6.2.3.
[A] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft in reconventie, na vermeerdering van eis, gevorderd:

een verklaring voor recht dat de overeenkomst op 16 september 2021 is ontbonden dan wel deze bij vonnis te ontbinden;

een verklaring voor recht dat [B] gehouden is om de webshop-verkopen over de periode 31 augustus 2022 tot en met de datum van het vonnis met [A] af te rekenen op basis van de tussen partijen overeengekomen tarieven, zoals opgenomen op de prijslijst “Prijslijst [B] 2021”, althans op een door de rechtbank in goede

justitie te bepalen wijze;

een bevel dat [B] gehouden is om [A] in de gelegenheid te stellen om de hem in eigendom toebehorende voorraden op te (laten) halen, dit op straffe van een dwangsom;

om [B] te veroordelen tot betaling van € 107.172,86 ten titel van verkopen, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente;

om [B] te veroordelen tot betaling van € 1.846,73 ten titel van buiten-gerechtelijke kosten;

met veroordeling van [B] in de kosten van het geding.
6.2.4.
[A] heeft aan zijn vorderingen, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [B] zijn betalingsverplichtingen moet nakomen, dat hij de overeenkomst terecht heeft ontbonden en als gevolg daarvan recht heeft op teruggave van de voorraden.
6.2.5.
In het tussenvonnis van 2 februari 2023 heeft de rechtbank een mondelinge behandeling gelast. Voorafgaande aan deze mondelinge behandeling heeft de advocaat van [A] zich onttrokken. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden zonder dat [A] hierbij aanwezig is geweest. Op de rol daarna heeft zich weer een advocaat voor [A] gesteld.
6.2.6.
In het tussenvonnis van 8 maart 2023 heeft de rechtbank in haar overwegingen een aantal beslissingen genomen en partijen opgedragen zich bij akte uit te laten over de gevolgen van haar beslissingen voor de vorderingen in conventie en reconventie. Voorts is [A] opgedragen om een specificatie te geven van de terug te geven voorraden en aanvullend te antwoorden op de vermeerdering van eis in conventie.
6.2.7.
In het eindvonnis van 20 september 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat [A] recht heeft op betaling van de door [B] erkende facturen, ter hoogte van € 46.727,43. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat [B] recht heeft op betaling van:

de door hem gevorderde reparatiekosten ter hoogte van € 8.157,50,

de gederfde opslagfee (huur van de ruimte) ter hoogte van € 5.250,00,

de door hem gevorderde schadevergoeding als gevolg van het feit dat hij 4 modellen niet meer mocht verkopen, ter hoogte van € 19.150,50 en, tot slot,

een schadevergoeding als gevolg van het feit dat hij de voorraad niet meer mocht verkopen, ter hoogte van € 1.500,00.

Dit komt neer op een bedrag van, in totaal, € 34.058,00. Per saldo heeft, aldus de rechtbank, [A] recht op betaling van € 12.669,43 door [B] .
6.2.8.
In conventie heeft de rechtbank in het dictum:

[A] bevolen onverwijld de handmodellen aan [B] terug te geven die [A] onder zich heeft, in de staat waarin zij zich bevinden, met alle beschikbare onderdelen, inclusief 3D-tekeningen voor zover beschikbaar,

[A] veroordeeld tot vergoeding van schade die [B] lijdt doordat [A] data/tekeningen van [B] gebruikt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6.2.9.
In reconventie heeft de rechtbank:

voor recht verklaard dat de overeenkomst op 16 september 2021 is ontbonden door wederzijdse instemming,

[B] veroordeeld tot betaling van € 12.669,43 aan [A] , te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 januari 2022 tot de dag van volledige betaling,

[B] bevolen om onverwijld de voorraden aan [A] terug te geven die [B] onder zich heeft en die aan [A] in eigendom toebehoren, met dien verstande dat [B] zijn “tag” op de bodemplaat en zijn logo mag verwijderen van de verpakkingen,

het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6.2.10.
Het vonnis is zowel in conventie als in reconventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De omvang van het hoger beroep
6.3.1.
[A] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de toegewezen vorderingen in conventie van [B] en tot het alsnog toewijzen van de door de rechtbank afgewezen vorderingen in reconventie van [A] , dit met veroordeling van [B] in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met rente en nakosten.
6.3.2.
[B] heeft in incidenteel hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en, na vermeerdering van eis, gevorderd dat, verkort weergegeven, [A] aan hem moet voldoen:

een bedrag van € 4.299,00 ten titel van schadevergoeding vanwege gederfde winst ter zake de Scania WLS;

een bedrag van € 4.010,00, ten titel van schadevergoeding vanwege gederfde winst ter zake de Ginaf Mais Skipper;

een bedrag van € 4.410,00, ten titel van schadevergoeding vanwege gederfde winst ter zake de DAF Ya-314;

een bedrag van € 7.162,50, ten titel van schadevergoeding vanwege gederfde winst ter zake de DAF Tropco;

een bedrag van € 9.942,88, ten titel van schadevergoeding vanwege gederfde winst ter zake de noodgedwongen kredietovereenkomsten;

een bedrag van € 214.148,60, dan wel € 128.432,00, ten titel van schadevergoeding vanwege gederfde winst doordat [A] de overeenkomst niet juist is nagekomen.

Daarnaast heeft [B] gevorderd [A] te veroordelen tot:

aflevering van alle handmodellen, zoals opgenómen in productie C bij akte van 19 april 2023 in eerste aanleg, niet gelijmd, inclusief alle onderdelen zoals weergegeven op de tekening van het betreffende model, voorzien van de bijbehorende 3D tekening, onder verbeurte van een dwangsom; subsidiair, indien [A] aangeeft de handmodellen niet meer voorhanden te hebben of niet binnen de hiervoor vermelde termijn aan [B] kan leveren, [A] te veroordelen om aan [B] per niet geleverd model een bedrag van € 5.000,00 te voldoen, binnen vijf dagen nadat [A] aangeeft het handmodel niet te kunnen leveren;

vergoeding van een bedrag van € 75.000,00, aan schade, ter zake het onrechtmatig

gebruik van de tekeningen van [B] door [A] , dan wel [A] te veroordelen op grond van artikel 843a Rv om zijn volledige administratie over de jaren 2021 tot en met heden aan [B] te verstrekken op verbeurte van een dwangsom;

betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, te weten € 2.264,41, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;

veroordeling in de proceskosten in beide instanties te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
6.3.3.
Beide partijen hebben vernietiging gevorderd van de bestreden vonnissen. Tegen de daarin neergelegde beslissingen dat [A] recht heeft op betaling van de door [B] erkende facturen, ter hoogte van € 46.727,43, is geen grief gericht.

Dit geldt eveneens voor de beslissing dat [B] jegens [A] recht op betaling van

een bedrag ter hoogte van € 8.157,50 uit hoofde van gemaakte reparatiekosten,

een bedrag ter hoogte van € 5.250,00 wegens verschuldigde huurbijdrage,

een bedrag ter hoogte van € 19.150,50 ten titel van schadevergoeding als gevolg van het feit dat hij 4 modellen niet meer mocht verkopen.

Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus dat deze beslissingen in hoger beroep niet voorliggen en de daaruit voortvloeiende veroordeling niet wordt bestreden.
6.3.4.
[B] heeft geen grief gericht tegen de afwijzing van zijn vordering wegens annulering van de order, genaamd Clearboxen. Deze vordering ligt in hoger beroep evenmin nog voor.

De grieven 1 tot en met 3 in het principaal hoger beroep
6.4.1.
Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. De voor vernietiging aangevoerde gronden behoeven door de appellant niet uitdrukkelijk te worden aangeduid als (al dan niet genummerde) grief. Die gronden moeten wel behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren. Bij de uitleg van de memorie van grieven of het appelverzoekschrift kan mede een rol spelen de wijze waarop de geïntimeerde respectievelijk de verweerder in hoger beroep de inhoud van dat stuk, blijkens zijn reactie daarop, heeft begrepen.
6.4.2.
De grieven 1 en 2 van het principaal hoger beroep voldoen hier niet aan. Grief 1 in principaal hoger beroep leidt de daarop volgende grieven in en behelst zelf geen grief. In grief 2 geeft [A] aan dat er strikt genomen geen noodzaak bestaat om deze grief in te dienen, gelet op de positieve zijde van de devolutieve werking. [A] stelt dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Het hof leest (evenals [B] ) hierin evenmin een grief nu [A] in het hoger beroep de gelegenheid heeft gekregen om te reageren op hetgeen [B] in eerste aanleg en dan in het bijzonder tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg naar voren heeft gebracht.

Ook in grief 3 van het principaal hoger beroep, met als kopje “afwijzing gevorderde factuurbedragen”, leest het hof (maar ook [B] ) geen grief. [A] beëindigt de toelichting op deze grief met de opmerking dat voor zijn stelling redengevend is hetgeen in grief 4 staat.
6.4.3.
De grieven 1 tot en met 3 in het principaal hoger beroep slagen dan ook niet.

Grief 4 in het principaal hoger beroep: hoogte verkoopprijs overeengekomen?
6.5.1.
[A] betoogt in grief 4 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [B] de webshopverkopen over de periode vanaf 31 augustus 2022 tot de datum van het vonnis met [A] niet diende af te rekenen op basis van tussen partijen overeengekomen tarieven/prijzen. Naar het oordeel van [A] heeft de rechtbank ten onrechte de gevorderde verklaring voor recht afgewezen, alsook de onderliggende vorderingen.
6.5.2.
Deze vorderingen betreffen in hoger beroep dan nog een deel van de factuur met [aa] - [B] heeft op deze factuur een bedrag ter hoogte van € 15.519,63 in de conclusie van antwoord in reconventie van 15 maart 2022 erkend en de rechtbank heeft dit in de veroordeling meegenomen - en de facturen met nrs. [++] . De laatste vier facturen zien op de verkoop van de voorraad die na de ontbindingsdatum (16 september 2021) aanwezig was. De eerste factuur ziet daar deels op; zij betreft webshopverkopen van 15 augustus 2021 tot en met 7 oktober 2021.
6.5.3.
[A] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [B] op grond van de overeenkomst tussen partijen de producten tegen een door hem vastgestelde prijs diende te verkopen. [B] betwist dat dit is overeengekomen. De stelplicht en de bewijslast van deze stelling rust dan op [A] .

In de overeenkomst staat dat [B] van [A] een consumentenprijs en een retailprijs krijgt. De vraag is of daaruit dan de verplichting voor [B] voortvloeit om enkel tegen deze prijzen de producten te verkopen. Ter onderbouwing heeft [A] een factuur aan [B] van 12 maart 2021 overgelegd en een prijslijst met daarop het jaartal 2021.

[B] heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg aangegeven deze prijslijst niet te kennen. In hoger beroep heeft [B] , ter nadere onderbouwing van zijn betwisting, als productie D een e-mail van 14 april 2018 en facturen van [A] overgelegd waaruit blijkt dat de producten tegen lagere prijzen werden verkocht dan de richtprijzen. Vaak ging het dan om verkoop van oude voorraad.
6.5.4.
Het hof oordeelt dat, gelet op het onderbouwde verweer van [B] , de stelling van [A] , inhoudende dat [B] jegens hem verplicht was om de producten tegen vooraf met hem overeengekomen prijzen te verkopen, in rechte niet is komen vast te staan. Een daarop gericht bewijsaanbod heeft [A] niet gedaan. Grief 4 slaagt niet.
6.5.5.
De stellingen van [A] over de mogelijkheid van [B] om eigener beweging over te gaan tot het geven van korting aan klanten, kunnen dan ook onbesproken blijven.

Grief 5 in het principaal hoger beroep: de ontbinding
6.6.1.
Het hof leest grief 5 in het principaal hoger beroep zo dat [A] het niet eens is met de beslissing dat de door hem ingeroepen ontbinding ongegrond was. Tegen de beslissing van de rechtbank waarin zij voor recht verklaart dat de overeenkomst is ontbonden op 16 september 2021 is geen grief gericht. [A] heeft evenmin een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [A] als gevolg van zijn e-mails van 13 januari 2021 en 12 april 2021 in verzuim is gekomen. In deze e-mails heeft [A] aan [B] bericht dat hij een aantal modellen niet meer aan hem zou gaan leveren. De rechtbank heeft geoordeeld dat [B] , gelet op dit verzuim, zijn betalingsverplichtingen mocht opschorten. Al deze oordelen van de rechtbank staan in hoger beroep tussen partijen vast.
6.6.2.
Ingevolge artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In de brief van 16 september 2021 is namens [A] aangegeven dat [B] de openstaande facturen binnen de overeengekomen termijnen diende te voldoen en de betalingsregeling diende na te komen. Deze, aan de ontbinding ten grondslag gelegde tekortkomingen zijn niet komen vast te staan, gelet op de in hoger beroep niet bestreden beslissing van de rechtbank dat [B] zijn betalingsverplichtingen mocht opschorten. Van enige tekortkoming is dan geen sprake, hetgeen ertoe leidt dat [A] niet de bevoegdheid had om de overeenkomst te ontbinden.
6.6.3.
In zoverre slaagt grief 5 niet.

Grief 5 in het principaal hoger beroep: de gevolgen van de ontbinding
6.7.1.
Grief 5 in het principaal hoger beroep richt zich voorts tegen de overweging van de rechtbank dat [B] heeft mogen begrijpen dat de afspraken over de 15% vergoeding bij verkoop van de webshopproducten ook na de ontbinding zouden blijven doorlopen, terwijl de rechtbank eerder overwoog dat het bevel aan [B] tot teruggave van de voorraden moet worden toegewezen.
6.7.2.
[B] stelt bij memorie van antwoord dat hij tot verkoop van de voorraad is overgegaan omdat hij de verplichting had om schadebeperkend te handelen. Bij verkoop zouden de modellen niet nog verder achteruit zijn gegaan.
6.7.3.
Vast staat in hoger beroep dat [B] instemde met ontbinding van de overeenkomst onder voorbehoud van zijn aanspraken op vergoeding van schade. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de overeenkomst op 16 september 2021 is ontbonden door wederzijdse instemming. Partijen maken geen aanspraak op ongedaanmaking van de prestaties die vóór 16 september 2021 zijn geleverd. Het gaat hier dan om een ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst voor de toekomst, zijnde vanaf de ontbindingsdatum. [A] heeft gesteld dat hij aanspraak maakt op teruglevering van de op dat moment bij [B] aanwezige voorraad.
6.7.4.
Het hof is van oordeel dat [A] na de ontbindingsdatum in beginsel recht had op teruggave van de voorraden. Op grond van het bepaalde in artikel 6:271 BW bevrijdt de ontbinding de partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover deze reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat er voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.

Tussen partijen staat vast dat [A] zijn modellen aan [B] ter beschikking heeft gesteld zodat laatstgenoemde deze al dan niet via zijn webshop kon verkopen. [A] heeft dan ook recht op teruggave van zijn modellen die [B] ten tijde van de ontbinding onder zich in voorraad had.

Het hof verwerpt het verweer van [B] dat hij op dat moment het recht had om deze voorraad te verkopen teneinde waardevermindering te voorkomen. [B] had de voorraadmodellen direct bij ontbinding aan [A] moeten teruggeven. Schadebeperking is geen grond om een bevoegdheid te creëren op grond waarvan hij de beschikking zou krijgen over deze voorraad en deze te verkopen.
6.7.5.
[A] heeft bij akte van 28 november 2022 aangegeven bereid te zijn om de eerder tussen partijen geldende vergoeding voor de verkoop door [B] te respecteren. Dat betekent dat [A] bereid is om [B] 15% van de netto verkoopwaarde voor zijn handeling fee, verpakkingsmateriaal en verzendkosten te betalen over de verkopen die over de periode 16 september 2021 tot en met heden - de akte is van 28 november 2022 - hebben plaatsgevonden, aldus [A] onder punt 10 van voormelde akte.
6.7.6.
[B] heeft in punt 36 van de conclusie van antwoord in reconventie aangegeven dat de verkoop van de modellen door [A] aan hem gefactureerd dient te worden aan de hand van de lijst met webshopverkopen over de periode augustus 2021 tot en met 7 oktober 2021. Dit betreft dus zowel de periode vóór als de periode na de ontbinding. De lijsten zijn door hem over de periodes daarna, tot en met 4 oktober 2022, opgesteld en, nadat [A] ter verkrijging daarvan een incidentele vordering had ingediend, in de procedure ingebracht.
6.7.7.
Het hof is, gelet op deze opstelling van beide partijen, voorshands van oordeel dat, voor zover de voorraad die na ontbinding aan [A] terug geleverd had moeten worden, door [B] is verkocht, er tussen partijen moet worden afgerekend op basis van de door [B] opgestelde webshopverkooplijsten.
6.7.8.
Het hof zal partijen de gelegenheid geven om hierop te reageren. De reden hiervoor is de volgende.

[A] heeft bij akte voorafgaande aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg zijn eis vermeerderd met de bedragen die zien op de verkoop van de voorraad na de ontbindings-datum. Tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft [B] zich op het standpunt gesteld dat deze akte tot eisvermeerdering niet is genomen nu de advocaat van [A] zich voor de zitting had onttrokken. In het proces-verbaal van deze zitting, waarbij [A] niet aanwezig was, heeft de rechter-commissaris opgemerkt dat hij dit standpunt meeneemt en de akte misschien weigert. Daarop reageerde de advocaat van [B] , volgens het proces-verbaal, dat de vermeerdering zit in de prijsverschillen; [B] gaat uit van reële prijzen en [A] wil nu 100% prijzen. Het tussenvonnis zal evenwel gaan over alle onderwerpen met uitzondering van de eisvermeerdering die [B] bij akte in het geding heeft gebracht, aldus het proces-verbaal. In het tussenvonnis wordt als processtuk de akte van eisvermeerdering aan de zijde van [A] genoemd en wordt de volledige vordering ter hoogte van € 107.172,86 afgewezen met uitzondering van hetgeen [B] erkende aan [A] verschuldigd te zijn.

Het hof stelt vast dat de rechtbank de eisvermeerdering van [A] in haar oordeel heeft meegenomen, maar dat [B] niet in de gelegenheid is gesteld hierop verweer te voeren, anders dan hetgeen hiervoor is aangehaald in het proces-verbaal. De rechtbank heeft dit deel van de vordering evenwel zonder nadere motivering afgewezen, terwijl [A] in hoger beroep persisteert bij de veroordeling tot betaling van deze vordering.
6.7.9.
Met inachtneming van het voorshandse oordeel van het hof betekent dit het volgende voor de vorderingen van [A] .

Grieven 5 en 6 in het principaal hoger beroep: de verschuldigdheid van de nog in het geding zijnde facturen
6.8.1.
De vordering van [A] op basis van de facturen met nummers [--] bedroeg aanvankelijk € 54.199,29. Tussen partijen staat vast dat de facturen met nummers [xx] ter hoogte van € 971,03 en [YY] ter hoogte van € 3.032,87 betaald zijn; de vordering is met deze factuurbedragen (in totaal € 4.003,90) verminderd. [B] heeft in eerste aanleg de vordering uit hoofde van factuurnummer [zz] ter hoogte van € 2.030,48 betwist en gesteld dat deze vordering zag op geleverde Volvo S60 modellen die gebrekkig waren en die aan [A] geretourneerd zijn. [A] heeft deze stellingen ook in hoger beroep niet betwist zodat dit tussen partijen vast staat. Het had vervolgens op de weg van [A] gelegen om gemotiveerd te stellen waarom zij desondanks recht had op het gefactureerde bedrag hetgeen zij evenwel heeft nagelaten.

De grief voor zover gericht tegen deze beslissing, slaagt dan ook niet.
6.8.2.
[B] heeft voorts de verschuldigdheid van factuurnummer [aa] betwist voor zover deze factuur een bedrag van € 15.519,63 overschrijdt. Hij stelt dat [A] geen recht heeft op de in de factuur opgenomen prijs maar recht heeft op een percentage van de daadwerkelijke verkoopprijs. In totaal erkende [B] van de vordering van € 54.199,29 een bedrag van € 46.727,43 aan [A] verschuldigd te zijn.
6.8.3.
Het hof stelt vast dat [A] bij akte, voorafgaande aan de mondelinge behandeling in eerste aanleg, zijn eis heeft vermeerderd met nog vier factuurbedragen ter hoogte van, in totaal, € 56.977,47. Deze vorderingen zijn gebaseerd op door [B] in het geding gebrachte webshopverkooplijsten. Bij de opstelling van de facturen is [A] , ten onrechte gelet op het oordeel van het hof over grief 4, uitgegaan van een vaste, vooraf met [B] overeengekomen prijs. Hierop heeft [A] geen recht, maar, naar het voorlopig oordeel van het hof, wel op de bedragen die [B] op de lijsten heeft weergegeven en waarop [A] recht zou hebben.
6.8.4.
Het gaat dan om vijf lijsten, één over de periode 18 augustus 2021 tot en met 7 oktober 2021 (hierna te noemen: lijst I), één over de periode 11 oktober 2021 tot en met 30 oktober 2021 (hierna te noemen: lijst II) één over de periode 1 november 2021 toten met 31 december 2021 (hierna te noemen: lijst III), een over de periode 1 januari 20022 tot en met 26 april 2022 (hierna te noemen: lijst IV) en één over de periode 27 april 2022 tot en met 31 augustus 2022 (hierna te noemen: lijst V). De lijsten geven de verkopen weer met ordernummer, datum, artikel, aantal, prijs, totaal inclusief btw, en een kolom [A] (ex btw) minus 15%.

Niet in discussie is dat [B] de in de lijst opgenomen artikelen heeft verkocht voor de prijs die aldaar staat aangegeven. Niet in discussie is voorts dat [A] recht heeft op 85% van de opbrengst, met dien verstande dat [A] deze opbrengst berekent op basis van de vaste prijzen en [B] dat doet op basis van de door hem gerealiseerde prijzen. Hetgeen niet in discussie is, staat in hoger beroep tussen partijen vast. Partijen worden dan ook niet in de gelegenheid gesteld om zich daarover nog uit te laten.

Lijst I sluit op een bedrag van € 15.033,86 in de laatste kolom, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 18.190,97 inclusief btw. Deze lijst heeft [A] verwerkt in zijn factuur met nummer [aa] van 13 oktober 2021.

Lijst II sluit op een bedrag van € 2.133,08 in de laatste kolom, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 2.581,03, inclusief btw. Deze lijst heeft [A] verwerkt in zijn factuur met nummer 22006 van 14 januari 2022.

Lijst III sluit op een bedrag van € 6.915,21 in de laatste kolom, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 8.367,40 inclusief btw. Deze lijst heeft [A] verwerkt in zijn factuur met nummer 22007 van 14 januari 2022.

Lijst IV sluit op een bedrag van € 6.084,17 in de laatste kolom, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 7.361,85 inclusief btw. Deze lijst heeft [A] verwerkt in zijn factuur met nummer 22027 van 3 mei 2022.

Lijst V sluit op een bedrag van € 8.223,54 in de laatste kolom, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 9.950,48 inclusief btw. Deze lijst heeft [A] verwerkt in zijn factuur met nummer 22056 van 4 oktober 2022.
6.8.5.
Het vorenstaande betekent voorshands dat [B] over de factuur met nummer [aa] nog een bedrag aan [A] verschuldigd is van € 2.671,34, namelijk het verschil tussen het op basis van de lijst (I) berekende bedrag en hetgeen hij in eerste aanleg heeft erkend als verschuldigd uit hoofde van deze factuur, zijnde € 15.519,63. Daarnaast is hij de hiervoor berekende bedragen van de lijsten II tot en met V verschuldigd, ter hoogte van € 28.260,76. In totaal komt dit bedrag dan neer op € 30.932,10.
6.8.6.
Hetgeen [A] meer vordert op basis van de facturen, wijst het hof af, nu niet is komen vast te staan dat partijen hadden afgesproken dat alleen tegen een vooraf vastgestelde prijs mocht worden verkocht. Voorts heeft [A] niet betwist dat de door [B] gerealiseerde prijzen redelijke prijzen waren gelet op de ouderdom van de voorraad en het feit dat partijen doende waren met een afrekening. Deze oordelen zijn onvoorwaardelijk en dus niet voorshands. Partijen worden dan ook niet in de gelegenheid gesteld zich hierover nog uit te laten.
6.8.7.
Gelet op het onder 6.8.5. gegeven voorshandse oordeel van het hof dient [A] zich uit te laten over zijn vordering tot teruggave van de voorraad, nu vaststaat dat veel voorraad is verkocht en de vraag is welke voorraad nu nog bij [B] aanwezig is. Tijdens de zitting in hoger beroep deelde [B] mede dat het nog maar om een hele beperkte voorraad ging (van een paar doosjes). Daar staat tegenover dat [B] wordt verzocht zich uit te laten over zijn vordering die is gebaseerd op de schade die hij lijdt als gevolg van het feit dat hij de voorraad niet meer mocht verkopen. De rechtbank heeft dit deel van de vordering tot een bedrag van € 1.500,00 toegewezen.

Grief 1 in het incidenteel hoger beroep: de schade als gevolg van annuleringen
6.9.1.
Het hof zal nu eerst grief 1 in het incidenteel hoger beroep beoordelen. Deze grief ziet op het oordeel van de rechtbank dat de gevorderde schadevergoeding uit hoofde van geannuleerde orders wordt afgewezen. In hoger beroep gaat het om de annulering door [persoon B] van de orders tot levering van de Scania WLS, DAF YA-314 en de DAF Tropco en de annulering van een order door Holland Oto BV. [B] vordert van [A] schadevergoeding omdat de annuleringen aan [A] te wijten zijn geweest; [B] wijst daarbij op de gebrekkige kwaliteit van de producten en het niet tijdig leveren. Hij heeft een e-mail van Holland Oto BV overgelegd waarin deze BV aangeeft de order te annuleren. Holland Oto BV stelt daarin dat het niet nakomen van afspraken zoals het opvolgen van instructies en kwaliteitscontrole op samples, de zeer gebrekkige communicatie en vooral de lakse houding van [A] , hem heeft doen besluiten te kiezen voor een andere fabrikant. Voorts heeft [B] een e-mail van [persoon B] overgelegd waarin laatstgenoemde de Scania WLS order annuleert “door het aanhoudende gedoe met levertijden en kwaliteit”.
6.9.2.
[A] heeft betwist dat de annuleringen aan hem te wijten zijn. Hij heeft een e-mail van [persoon B] overgelegd waaruit blijkt dat de WLS-order is opgezegd om een andere reden dan kwaliteit of levertijden en de beide andere orders (de 314 en Tropco) geannuleerd zijn wegens een combinatie van levertijden en het hele gedoe rond het zakelijk geschil tussen [A] en [B] . [A] wijst erop dat de order door Holland Oto BV is geannuleerd omdat zij een andere order wenste en deze andere order rechtstreeks bij [A] is geplaatst. [A] wijst daarbij voorts op de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst waarin is opgenomen dat Holland Oto BV een klant van hem is.
6.9.3.
Het hof stelt vast dat het hier gaat om orders die nooit zijn uitgeleverd. Het kan dus ook niet gaan om de kwaliteit van de nog te leveren producten. De annulering is ingegeven door de ervaringen van de afnemers met [A] en [B] uit het verleden. Zij noemen levertijden maar ook de kwaliteitscontrole. Gesteld noch gebleken is dat de gestelde tekortkomingen zien op een periode gelegen na het sluiten van de schriftelijke overeenkomst van partijen (en dus nadat partijen hun bedrijf gesplitst hebben) terwijl vaststaat dat [B] de annuleringen van de betreffende orders wel heeft geaccepteerd; de annulering van Holland Oto BV dateerde van begin oktober 2020 terwijl de annuleringen door [persoon B] dateren van maart en mei 2021. Dat de in het verleden uitgevoerde orders zijn geannuleerd als gevolg van een toerekenbare tekortkoming van [A] is gemotiveerd betwist en is door [B] niet ten bewijze aangeboden. Dit komt dan ook in hoger beroep niet vast te staan.
6.9.4.
[B] voert voor toewijzing van zijn vordering een subsidiaire grondslag aan: [A] heeft jegens hem onrechtmatig gehandeld nu hij de geannuleerde orders zelf heeft uitgevoerd. Dit is door [A] betwist; zo heeft [persoon B] de order zelf in China geplaatst en heeft Holland Oto BV een andere order bij hem geplaatst.

Het hof wijst de vorderingen op deze grondslag eveneens af nu het gestelde gemotiveerd is betwist en evenmin ten bewijze is aangeboden.
6.9.5.
Grief 1 in het incidenteel hoger beroep slaagt niet.

Grief 3 in het incidenteel hoger beroep: gederfde winst
6.10.1.
In grief 3 in het incidenteel hoger beroep betoogt [B] dat de rechtbank ten onrechte zijn vordering uit hoofde van gederfde winst grotendeels, namelijk voor zover het een bedrag van € 1.500,00 overschrijdt, heeft afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de samenwerking is mislukt door het wegvallen van het vertrouwen in elkaar en dat dit te wijten is aan beide partijen. De gestelde gederfde winst staat in een te ver verwijderd verband tot de tekortkoming van [A] , terwijl de gestelde omvang van de vordering onvoldoende is onderbouwd, aldus de rechtbank.
6.10.2.
[B] stelt dat de overeenkomst ten onrechte is beëindigd door [A] ; hij had niet mogen opschorten en ontbinden. Op dat moment kon [B] geen andere producent zoeken of vinden als gevolg van de coronacrisis.
6.10.3.
[A] heeft in eerste aanleg gesteld dat er geen afnameverplichtingen in de samenwerkingsovereenkomst zijn opgenomen. [A] is op grond van de overeenkomst enkel jegens [B] verplicht om de Dakar modellen te produceren en deze worden exclusief door [B] verkocht. Met uitzondering van de “resin modellen” is het aan [B] om te bepalen hoeveel hij bij [A] inkoopt en is het aan [A] om te bepalen wat hij door [B] laat verkopen. Bij ontbinding is [B] in zoverre beter af dat hij vrij is om een derde de opdracht tot het produceren van de resin modellen kan geven. [B] was, aldus [A] , helemaal niet meer voornemens om nog bij [A] in te kopen. [A] legt, ter onderbouwing, een e-mail van 23 mei 2021 aan [persoon B] over, waarin [B] schrijft dat het gaat om het puur afmaken van lopende orders, “daarna zijn we er klaar mee”.
6.10.4.
Het hof beoordeelt deze grief met inachtneming van de volgende maatstaf. De wettelijke grondslag voor de vordering is gelegen in hetgeen artikel 6:277 BW bepaalt. Daarin staat:

Wordt een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbonden, dan is de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt.

Het positief contractsbelang dient te worden vergoed. De verschuldigde schadevergoeding wordt gevonden door vergelijking van twee denkbare vermogenssituaties: enerzijds die welke zou zijn voortgevloeid uit een in alle opzichten onberispelijke nakoming, anderzijds die welke zou resulteren uit een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieplichten. De hoogte van de schadevergoeding wordt vastgesteld door met elkaar te vergelijken: de hypothetische situatie waarin de schuldeiser zou hebben verkeerd bij wederzijdse nakoming, en de feitelijke situatie waarin de schuldeiser na ontbinding van de overeenkomst verkeert na afwikkeling van de wederzijdse, uit art. 6:271 BW voortvloeiende, verbintenissen tot teruggave, dan wel ongedaanmaking.
6.10.5.
Op grond van de devolutieve werking van het appel dient het hof alle in eerste aanleg niet behandelde verweren van [A] te behandelen, voor zover deze door het slagen van een grief relevant worden. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
6.10.6.
Het is aan [B] om te stellen waartoe een onberispelijke nakoming van de samenwerkingsovereenkomst zou leiden. Hij heeft evenwel hetgeen [A] daarover heeft gesteld, niet betwist. Gesteld noch gebleken is dat [A] de verplichting heeft om orders van [B] te produceren. Er is dus ook geen verplichting voor [A] jegens [B] om voorraden voor de webshopverkopen aan te vullen. Verder heeft [B] het bestaan van de e-mail aan [persoon B] niet betwist, hetgeen ook geldt voor de door [A] daaraan gegeven uitleg. [B] heeft evenmin betwist dat partijen geen vertrouwen meer in elkaar hadden. Hij betwist enkel dat dit de reden voor ontbinding is geweest. Vast staat evenwel dat hij heeft ingestemd met de ontbinding voordat [A] de ontbindingsbrief had geschreven.

Dat de vermogenssituatie voor [B] bij een onberispelijke nakoming van de overeenkomst door [A] die overigens liep tot eind 2022, tot winst zou leiden, is dan ook onvoldoende gesteld of gebleken. Dat partijen in de besprekingen die gaande waren, tot de conclusie zouden komen dat de samenwerking geen vruchtbare basis meer bood, is voldoende aannemelijk gemaakt.
6.10.7.
De grief slaagt niet.

Grief 2 in het incidenteel hoger beroep: de hogere rentelast
6.11.1.
Met grief 2 in het incidenteel hoger beroep komt [B] op tegen de afwijzing van de vordering uit hoofde van een “hogere rentelast”. De rechtbank heeft dit deel van de vordering afgewezen omdat deze schade te ver verwijderd is van de tekortkomingen van [A] , zijnde de onterechte ontbinding en de e-mail van 13 januari 2021.

[B] betoogt dat hij als gevolg van de geannuleerde orders een tekort aan werkkapitaal heeft moeten opvangen met twee overbruggingskredieten. De rentelast tot en met 1 november 2021 bedraagt € 1.950,--. Deze vordering heeft hij vermeerderd tot € 9.942,88, zijnde de rente tot en met september 2024.
6.11.2.
Naar het oordeel van het hof slaagt deze grief niet in die zin dat het zou leiden tot een vernietiging van het bestreden vonnis. Zoals hiervoor overwogen, kan [B] geen aanspraak maken op vergoeding van de gestelde winstderving. Indien hij wel aanspraak kon maken op vervangende schadevergoeding dan had hij recht gehad op de wettelijke rente, hetgeen dan een fictieve vergoeding was voor de schade die ontstond op het moment dat de vervangende schadevergoeding niet direct zou zijn uitgekeerd. De juridische grondslag voor deze vordering ontbreekt.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat [B] zelfstandig ondernemer is/was. Het feit dat hij gedurende de samenwerking alleen bij [A] heeft ingekocht, maakt dat hij na beëindiging van de samenwerking mogelijk – dit is door [A] betwist – financieel in de problemen is gekomen. Dit is evenwel niet aan [A] te verwijten.

Grief 7 in het principaal hoger beroep en grief 4 in het incidenteel hoger beroep:

de handmodellen
6.12.1.
[A] betoogt in grief 7 in het principaal hoger beroep dat de handmodellen, maar ook het onderliggende meet- en tekenwerk voorafgaande aan de samenwerkings-overeenkomst door beide partijen zijn gemaakt. In de overeenkomst zijn er over deze handmodellen geen afspraken gemaakt. [B] heeft de 3D bestanden in zijn bezit en kan dus zelf de handmodellen reproduceren. De 3D-geprinte handmodellen heeft [A] niet. Deze handmodellen zijn voor de productie naar China gestuurd en worden daar uit elkaar gehaald om elk onderdeel ervan te kunnen produceren. De modellen zijn dan ook niet meer voorhanden. De prijs van een handmodel ziet voornamelijk op het teken- en meetwerk dat aan de basis ligt van het handmodel; het 3D-printen kost slechts enkele minuten, aldus [A] .
6.12.2.
[B] stelt dat hij eigenaar is van de handmodellen; hij stelt al het onderliggende teken- en meetwerk voor het produceren van de handmodellen te hebben verricht. Hij heeft voor de productie van de handmodellen betaald.

In grief 4 in het incidenteel hoger beroep geeft [B] aan dat [A] , ondanks de veroordeling tot afgifte van de handmodellen, hiertoe niet is overgegaan. Hij vordert om die reden om een dwangsom aan [A] op te leggen en, in het geval [A] deze handmodellen niet meer voorhanden heeft, om hem te veroordelen tot een schadevergoeding van € 5.000,00 per handmodel.
6.12.3.
Het hof beoordeelt de grieven als volgt. [B] vordert afgifte van de handmodellen, stellende dat hij eigenaar is van de handmodellen. De stelplicht en bewijslast van deze eigendomsrechten liggen dan bij [B] . [A] betwist immers de gestelde eigendom. [B] heeft onder punt 33 van de memorie van antwoord erkend dat aan de hand van de handmodellen de modellen geproduceerd worden. Onder punt 35 van deze memorie betwist hij niet dat [A] “een aantal” handmodellen niet meer voorhanden heeft. Dit komt dan, aldus [B] , voor rekening en risico van [A] . Nu in hoger beroep niet komt vast te staan dat [A] alle 33 gevorderde handmodellen in bezit heeft, kan hij niet worden veroordeeld tot afgifte ervan.

Subsidiair heeft [B] per handmodel een schadebedrag van € 5.000,-- gevorderd. Deze vordering wijst het hof eveneens af. De gestelde eigendomsrechten zijn door [A] betwist, door [B] onvoldoende nader onderbouwd en in hoger beroep niet ten bewijze aangeboden. Deze rechten komen dan ook niet vast te staan. [B] heeft voorts niet aangegeven dat, als de handmodellen worden gebruikt voor de productie (in China), op welke wijze dat dan gebeurt en of en in welke staat de Chinese fabrikant de handmodellen dan heeft geretourneerd.

Voorts heeft [B] onvoldoende de hoogte van de schade aangetoond. De stelling van [A] dat de waarde met name is gelegen in het onderliggende meet- en tekenwerk, is door [B] onvoldoende weerlegd, terwijl hij niet ten bewijze heeft aangeboden dat hij dit werk alleen heeft verricht en hij in het kader van de samenwerking waarbij partijen nog gezamenlijk onder de naam [B] handelden, jegens [A] recht zou hebben op enige vergoeding daarvoor. Het hof verwijst naar hetgeen hieronder nader wordt overwogen.
6.12.4.
Grief 7 in het principaal hoger beroep slaagt niet, met dien verstande dat [A] het handmodel Deutz Pax aan [B] dient af te geven. Grief 4 in het incidenteel hoger beroep, met een eisvermeerdering inhoudende een dwangsomoplegging, en bij niet voldoen aan de afgifteverplichting en betaling van € 5.000,00 per niet geleverd model, slaagt niet. Het hof wijst de vermeerdering van eis af.

Grief 8 in het principaal hoger beroep en grief 5 in het incidenteel hoger beroep: gebruik van data en tekeningen
6.13.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het standpunt van [B] dat hij veel tijd en moeite heeft gestoken in de data/tekeningen onweersproken is, hetgeen ook geldt, aldus de rechtbank, voor de stelling dat [A] in het bezit is gekomen van deze data/tekeningen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat partijen na de samenwerking concurrenten van elkaar zijn geworden. De beginselen van redelijkheid en billijkheid staan dan het gebruik door [A] van deze data/tekeningen in de weg.
6.13.2.
[A] betoogt dat hij geen onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de data en tekeningen die ten behoeve van de productie zijn verzameld respectievelijk gemaakt. Hij betwist dat er “inspanningen” hiervoor door [B] zijn verricht en dat [B] hierop enig recht geldend kan maken.
6.13.3.
[B] heeft in zijn grief 5 in het incidenteel hoger beroep zijn eis gewijzigd en vordert nu geen verwijzing naar de schadestaat maar een bedrag van € 75.000,-- aan schadevergoeding. Het betreft een schatting, gebaseerd op de stelling dat [A] 7,5 tekeningen/ontwerpen van [B] heeft gebruikt. Subsidiair vordert [B] dat [A] wordt veroordeeld tot inzage in zijn administratie zodat kan worden uitgezocht welke tekeningen [A] van [B] heeft gebruikt.
6.13.4.
Het hof beoordeelt deze grieven als volgt. De data en het tekenwerk zijn nodig om de miniatuurproducten te kunnen maken. Het kost tijd om deze data te verzamelen en het tekenwerk te maken. [B] stelt als grondslag dat hij eigenaar is van deze data en het tekenwerk en beroept zich op artikel 1 lid 1 sub a van de Databankenwet. Het hof verwerpt deze grondslag. Hier is geen sprake van een databank nu de gegevens niet afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn. Er is geen sprake van een zoeksysteem waarmee een bepaald element gevonden en opgevraagd kan worden, hetzij door een (papieren) doorzoekbare ordening of index (alfabetisch, chronologisch, thematisch of iets dergelijks), hetzij door een zoekprogramma.

Voorts blijkt niet dat partijen, nog voor de splitsing van de onderneming, dus vóór 1 november 2020, afspraken hebben gemaakt over de vraag wie van de data en de tekeningen gebruik mocht maken na de splitsing. Vaststaat dat de data en tekeningen in het kader van de samenwerking gebruikt zijn en voor de stelling van [B] dat na beëindiging hiervan hij een alleenrecht hierop zou hebben, is een onvoldoende onderbouwing gegeven.
6.13.5.
Grief 8 in het principaal hoger beroep slaagt dus en grief 5 in het incidenteel hoger beroep niet. Het hof wijst de schadevordering en ook de subsidiaire 843a-vordering van [B] af. Daarbij overweegt het hof nog ten overvloede dat [B] onvoldoende heeft onderbouwd schade te hebben geleden, mede gelet op het feit dat [B] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven dat hij zijn ondernemersactiviteiten in deze branche heeft beëindigd.

Grieven 6 en 7 in het incidenteel hoger beroep: de BIK
6.14.
Grief 6 van het incidenteel hoger beroep richt zich tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, grief 7 van het incidenteel hoger beroep richt zich tegen het oordeel tot compensatie van de proceskosten. Het hof houdt de beslissing hierover aan.

Vervolg van de procedure
6.15.1.
Onder verwijzing naar r.o. 6.7.8. en 6.8.7 verwijst het hof de zaak naar de rol zodat partijen zich enkel hierover bij akte en vervolgens bij antwoordakte kunnen uitlaten.
6.15.2.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
<nr>7</nr>De uitspraak
Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 28 oktober 2025 voor akte aan de zijde van beide partijen (ambtshalve peremptoir) met de hiervoor in r.o. 6.7.7.-6.7.8. en 6.8.7 vermelde doeleinden, waarna beide partijen bij antwoordakte in de gelegenheid zullen worden gesteld op elkaar te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.H. Schoenmakers, A.C. van Campen en G.F.A.M. de Graauw en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 september 2025.

griffier rolraadsheer

Artikel delen