Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHSHE:2025:2741

Erfdienstbaarheid van weg. Recht van overpad door de eigenaar van het heersend erf gebruikt als verbinding, via het heersend erf, met een aan het heersend erf grenzend terrein dat de eigenaar van het heersend erf mede in eigendom heeft. Tussenarrest met bewijsopdracht dat ook het aangrenzende erf heersend erf is.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHSHE:2025:2741 text/xml public 2026-08-03T12:46:43 2025-10-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-07 200.337.358_02 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Goederenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2741 text/html public 2026-08-03T12:41:45 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2741 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-10-2025 / 200.337.358_02
Erfdienstbaarheid van weg. Recht van overpad door de eigenaar van het heersend erf gebruikt als verbinding, via het heersend erf, met een aan het heersend erf grenzend terrein dat de eigenaar van het heersend erf mede in eigendom heeft. Tussenarrest met bewijsopdracht dat ook het aangrenzende erf heersend erf is.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht

zaaknummer 200.337.358/02

arrest van 7 oktober 2025

in de zaak van
<nr>1</nr> [appellant sub 1] ,
2. [appellante sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [xx] ,

appellanten,

advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg,

tegen
<nr>1</nr> [geïntimeerde sub 1] ,
2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [yy] ,
<nr>3</nr> [geïntimeerde sub 3] ,<?linebreak?>
wonende te Horst, gemeente Horst aan de Maas,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 3] ,

geïntimeerden, hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. J.M. Wolfs te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 januari 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 december 2023, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [xx] als eisers en [yy] als gedaagden.
<nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/311066 / HA ZA 22-492)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
<nr>2</nr>Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven;

de memorie van antwoord;

de mondelinge behandeling van 3 september 2025, waarbij [xx] spreekaantekeningen heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
<nr>3</nr>De beoordeling
De feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.1.
[xx] heeft in 1991 het perceel met woonhuis en tuin aan [adres A] , kadastrale aanduiding [A] , in eigendom verkregen. (Kadastrale percelen zullen hierna alleen met het viercijferige getal worden aangeduid.)
3.2.2.
[yy] heeft in 2017 drie percelen in eigendom verkregen, te weten het naast het perceel van [xx] gelegen perceel aan [adres B] met destijds de kadastrale aanduiding [B] , alsmede het perceel aan de, om de hoek van de [straat A] gelegen, [adres C] , met kadastrale aanduiding [C] (en [F] ). Dat perceel grenst zijdelings aan perceel [B] .
3.2.3.
[yy] ’ perceel [B] is vervolgens kadastraal gesplitst in twee percelen, genummerd [D] en [E] . [yy] heeft in 2020 en daarna het bedrijfspand op perceel [C] verbouwd tot woning. De schuur op perceel [D] is daarbij afgebroken en dat perceel is sindsdien de achtertuin van de woning op perceel [C] . [yy] heeft de percelen [C] en [D] , dus de woning aan de [adres C] met achtertuin, in 2022 verkocht en in eigendom overgedragen aan [geïntimeerde sub 3] , die daar sindsdien woont.
3.2.4.
In [yy] ’ pand aan [adres B] (nu op perceel [E] ) bevindt zich een aan het pand van [xx] grenzende overdekte gang die vanaf de stoep aan [straat A] leidt naar een smal pad, hoofdzakelijk over het terrein van [yy] en voor enkele meters ook over het terrein van [xx] ’ perceel [A] . Op perceel [A] en op destijds perceel [B] , nu perceel [E] van [yy] , als lijdende erven rust een erfdienstbaarheid van weg. Heersend erf is, voor zover hier van belang, het huidige perceel [D] . Op perceel [D] stond voorheen een schuur (zie rov. 3.2.3.) die alleen via het pad bereikbaar was en waarin de bewoners van [adres B] hun fietsen konden stallen en andere zaken konden opbergen. Het recht van overpad werd in het verleden alleen gebruikt door bewoners van de bovenwoning aan [adres B] om (met een zich aan de achterzijde van het pand bevindende trap) hun woning en de schuur te bereiken, alsmede door (rechtsvoorgangers van) [xx] voor het bereiken van de patiotuin en de achtertuin.
3.2.5.
[geïntimeerde sub 3] maakt gebruik van het pad om vanaf [straat A] naar zijn achtertuin (perceel [D] ) te gaan en in omgekeerde richting.

De procedure bij de rechtbank
3.3.1.
[xx] heeft [yy] – die op de dag van dagvaarding nog eigenaar van percelen [C] en [D] was - gedagvaard en, voor zover in hoger beroep van belang, gevorderd:

- te verklaren voor recht dat het de eigenaar en rechtmatige bezoekers van het registergoed plaatselijk bekend [adres C] en [adres D] , kadastraal bekend nr. [C] , niet is toegestaan om via het erf van [xx] , plaatselijk bekend [adres E] , kadastraal bekend nr. [A] , te wegen van en naar [straat A] ;

- [yy] te verbieden om via het erf van [xx] (plaatselijk bekend [adres E] , kadastraal bekend nr. [A] ) te wegen van en naar zijn erf (plaatselijk bekend [adres C] en [adres D] , kadastraal bekend nr. [C] ), zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per overtreding, tot een maximum van € 50.000 is bereikt, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorziening te treffen;

- [yy] te veroordelen om ervoor te zorgen dat de rechtmatige bezoekers van zijn erf (plaatselijk bekend [adres C] en [adres D] , kadastraal bekend nr. [C] ) het erf van [xx] (plaatselijk bekend [adres E] , kadastraal bekend nr. [A] ) niet betreden teneinde te wegen van en naar [straat A] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per overtreding, tot een maximum van € 50.000 is bereikt, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorziening te treffen;

- [yy] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.3.2.
Aan deze vordering heeft [xx] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [yy] mag als eigenaar van de percelen [C] en [D] komende van en gaande naar de woning op perceel [C] geen gebruik maken van het recht van overpad, omdat perceel [C] geen heersend erf is. Ten behoeve van perceel [C] is nooit een erfdienstbaarheid gevestigd om te komen en gaan naar [straat A] . Een erfdienstbaarheid kan ook niet door verjaring zijn ontstaan, omdat het vanwege de aanwezige bebouwing niet mogelijk was om naar [straat A] te wegen en dus de percelen [B] en [A] te bereiken. [yy] maakt inbreuk op de eigendomsrechten van [xx] en handelt dientengevolge onrechtmatig jegens [xx] .
3.3.3.
[yy] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.
3.3.4.
In het vonnis van 13 december 2023 heeft de rechtbank de vorderingen van [xx] afgewezen en [xx] in de proceskosten veroordeeld.

De grieven en de vorderingen in hoger beroep
3.4.
[xx] heeft in hoger beroep [yy] en [geïntimeerde sub 3] gedagvaard. [xx] heeft vijf grieven aangevoerd. [xx] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat het de eigenaar en rechtmatige bezoekers van het registergoed plaatselijk bekend [adres C] en [adres D] , kadastraal bekend nr. [C] , niet is toegestaan om via het erf van [xx] , plaatselijk bekend [adres E] , kadastraal bekend nr. [A] , te wegen van en naar [straat A] ;

2. [geïntimeerde sub 3] te verbieden om via het erf van [xx] (plaatselijk bekend [adres E] , kadastraal bekend nr. [A] ) te wegen van en naar zijn erf (plaatselijk bekend [adres C] en [adres D] , kadastraal bekend nr. [C] ), zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per overtreding, tot een maximum van € 50.000 is bereikt, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen voorziening te treffen;

3. [geïntimeerde sub 3] te veroordelen om ervoor te zorgen dat de rechtmatige bezoekers van zijn erf (plaatselijk bekend [adres C] en [adres D] , kadastraal bekend nr. [C] ) het erf van [xx] (plaatselijk bekend [adres E] , kadastraal bekend

nr. [A] ) niet betreden teneinde te wegen van en naar [straat A] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250 per overtreding, tot een maximum van € 50.000 is bereikt, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen voorziening te treffen;

4. [yy] te veroordelen tot terugbetaling van € 1.667, vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf 19 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;

5. [geïntimeerde sub 3] , althans [yy] , te veroordelen in de kosten van eerste aanleg,

vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als ze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest zijn voldaan;

6. [geïntimeerde sub 3] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Grief 1 en grief 2
3.5.
De grieven 1 en 2 richten zich tegen de feitenvaststelling door de rechtbank.

Voor zover de feitenopsomming onjuist zou zijn (om welke reden dan ook) heeft te gelden dat het hof in rechtsoverweging (rov.) 3.2. een nieuwe opsomming van de feiten heeft gegeven. De grief slaagt niet, omdat deze niet tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank kan leiden.

Grief 3
3.6.
Met de derde grief klaagt [xx] over rov. 3.10. van het vonnis van de rechtbank. Die overweging heeft betrekking op een vordering tegen de afwijzing waarvan [xx] geen grief heeft gericht. [xx] heeft daarom geen belang bij bespreking van de grief.

Grief 4
3.7.1.
Grief 4 komt op tegen rov. 3.6.-3.8. van het vonnis, inhoudende, kort weergegeven, dat weliswaar niet is komen vast te staan dat in de tekst van de in de processtukken genoemde notariële aktes het bereiken van een ander perceel dan perceel [D] als bestemming is opgenomen, maar dat het kunnen bereiken van een ander perceel via perceel [D] zoals hier aan de orde is, er ook niet door is uitgesloten. Dat perceel [C] voorheen niet vanaf perceel [D] bereikbaar was en nu wel, rechtvaardigt niet de conclusie dat er sprake is van niet toegestaan gebruik. Dat de erfdienstbaarheid door de eigenaar van perceel [D] zou worden gebruikt als ware ook perceel [C] heersend erf geworden, is gesteld noch gebleken. Het gebruik door bewoners en huurders op het oude perceel [B] (van [adres B] ) om fietsen en andere spullen te stallen en op te halen via het overpad, wijkt in theorie niet sterk af van het gebruik dat de eigenaar van percelen [C] en [D] ( [geïntimeerde sub 3] ) zal maken om via dat overpad zijn achtertuin te bereiken of te verlaten, zo oordeelt de rechtbank.
3.7.2.
Volgens [xx] heeft de rechtbank miskend dat alleen perceel [D] het heersend erf is en dat het niet is toegestaan om het recht van erfdienstbaarheid van weg te gebruiken als verbinding via het heersend erf met een ander perceel dat dezelfde eigenaar heeft. Doordat [yy] de bebouwing die het onmogelijk maakte om van perceel [D] te “wegen” naar perceel [C] (en vice versa) heeft verwijderd, is een achterom gecreëerd voor een woning, die voorheen geen achterom had. [xx] acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank enerzijds terecht oordeelt dat perceel [D] het heersend erf is, maar anderzijds dat het nu kunnen bereiken van perceel [C] niet de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van niet toegestaan gebruik, nu niet is gesteld of gebleken dat de erfdienstbaarheid door de eigenaar van perceel [D] wordt gebruikt als ware ook perceel [C] heersend erf geworden. [geïntimeerde sub 3] en de bezoekers van zijn erf maken juist gebruik van de gang c.q. het pad om de woning gelegen op perceel [C] te bereiken. De hele inzet van deze procedure is juist dat via het heersend erf (perceel [D] ) een aangrenzend perceel ( [C] ) wordt bereikt, hetgeen niet is toegestaan. Ook miskent de rechtbank dat de theoretische wijze waarop het overpad wordt gebruikt niet relevant is. Bovendien merkt [xx] al sinds door de sloopwerkzaamheden in 2020 de achterom voor perceel [C] is gecreëerd, dat de gang c.q. het pad veel frequenter wordt gebruikt. [xx] ondervindt daar overlast van. Hoewel de theoretische wijze waarop het overpad wordt gebruikt niet relevant is, bestaat de kans dat er in de toekomst meer personen komen wonen.
3.7.3.
[geïntimeerden] hebben ook in hoger beroep aangevoerd dat ook perceel [C] heersend erf is en dus dat [geïntimeerde sub 3] ook komende van en gaande naar zijn woning op dat perceel, gebruik van het pad mag maken. Ook ten aanzien van perceel [C] is de erfdienstbaarheid volgens hen bij notariële akte gevestigd. Dat volgt uit de notariële akten die zij in eerste aanleg in het geding hebben gebracht, ook al corresponderen de daarin vermelde perceelnummers niet met de huidige. De notaris heeft dat telefonisch bevestigd. Zij bieden uitdrukkelijk bewijs van hun stelling aan. [geïntimeerden] hebben zich tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep subsidiair op het standpunt gesteld dat de erfdienstbaarheid met perceel [C] als heersend erf door verjaring is ontstaan. [geïntimeerden] betogen verder dat het al vóór de verwijdering van de bebouwing op de grens tussen percelen [D] en [C] mogelijk was om van perceel [D] naar perceel [C] te “wegen” en wel via perceel [E] : men kon via een trap ‘om het hoekje’ via een smalle opening zonder deur het andere perceel bereiken, waar een opslagruimte was. Er is dus anders dan [xx] stelt geen achteringang gecreëerd. Van vergroting van het heersend erf is geen sprake. Het gaat hier eerder om het leerstuk van verzwaring van de erfdienstbaarheid door intensivering van gebruik. Kennelijk vreest [xx] voor intensivering van het gebruik in een toekomstige situatie die nu niet speelt. Daarom heeft [xx] geen belang. Verzwaring is toegestaan. Bovendien: als naar theoretisch gebruik gekeken wordt, zal het ter discussie staande gebruik eerder tot een verlichting van (theoretisch) gebruik dan tot een toename daarvan leiden. Immers, indien [geïntimeerde sub 3] en rechtmatige bezoekers telkens bij het thuiskomen zijn/hun fietsen en scooters via het pad in de tuin op perceel [D] stallen en vervolgens wederom via het pad terug naar [straat A] dienen te wegen - om vervolgens de voordeur aan [straat B] (in plaats van de achterdeur op perceel [C] ) te gebruiken - verdubbelt het gebruik van het pad en daarmee de eventuele overlast voor [xx] . Enkel de omstandigheid van eventuele verzwaring rechtvaardigt niet de conclusie dat er sprake is van niet toegestaan gebruik. [geïntimeerden] zijn met de rechtbank van mening dat van niet toegestaan gebruik geen sprake is.

Het is in elk geval onbillijk van [xx] om [geïntimeerden] een verbod op te leggen, waarmee [xx] voor zichzelf een situatie creëert waarin zijn eventuele overlast verdubbelt.

3.7.4.1. Het hof oordeelt als volgt.

Een erfdienstbaarheid is volgens artikel 5:70 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) een last, waarmee een onroerende zaak – het dienende erf – ten behoeve van een andere onroerende zaak – het heersende erf – is bezwaard. Volgens artikel 5:71 lid 1 BW bestaat de last in een verplichting om iets te dulden of niet te doen.

Tussen partijen is niet in geschil dat op [xx] ’ perceel [A] als dienend erf een erfdienstbaarheid van weg rust ten gunste van perceel [D] als heersend erf. De in deze procedure voorliggende vraag is of de erfdienstbaarheid van weg voor [geïntimeerde sub 3] het recht omvat om het pad over [xx] ’ dienende erf te (doen) gebruiken als verbinding, via perceel [D] (het heersende erf), met zijn aangrenzende perceel [C] . Dat is op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad niet het geval, voor zover uit de akte van vestiging of uit de kennelijke functie van het heersende erf niet het tegendeel voortvloeit (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4160 en HR 12 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1039).

3.7.4.2. Dat perceel [C] en perceel [D] sinds 2020 dezelfde eigenaar hebben en dat, na sloopwerkzaamheden, perceel [D] inmiddels de functie van achtertuin van het woonhuis op perceel [C] heeft, leidt niet tot bevestigende beantwoording van de vraag of [geïntimeerde sub 3] het pad over [xx] ’ erf mag gebruiken als verbinding met perceel [C] . Uit de stellingen van [geïntimeerden] volgt immers dat die functie door toedoen van [geïntimeerden] als (nieuwe) eigenaar van het heersend erf pas is ontstaan na de vestiging van de erfdienstbaarheid.

3.7.4.3. Uit rov. 3.7.4.1 en 3.7.4.2. volgt dat het pad over het perceel van [xx] alleen mag worden gebruikt komende van en gaande naar perceel [C] , als dat uit de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid voortvloeit. De stelplicht en de bewijslast daarvan rusten op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op [geïntimeerden] hebben voldoende onderbouwd gesteld dat de erfdienstbaarheid bij notariële akte ook is gevestigd ten gunste van perceel [C] als heersend erf. [xx] heeft dat voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal [geïntimeerden] dan ook toelaten tot bewijs. In zoverre slaagt de grief.

3.7.5.1. Voor het geval [geïntimeerden] niet slagen in het bewijs zal het hof hun subsidiaire beroep op het ontstaan van een erfdienstbaarheid van weg met perceel [C] als heersend erf en perceel [A] als dienend erf door verkrijgende verjaring beoordelen. [geïntimeerden] hebben gesteld - en [xx] heeft betwist - dat het vóór 2020 mogelijk was om van perceel [C] op perceel [D] (hof: toen [B] ) te komen. Er was een gemetselde trap aan de rechterkant (bij het “lusje” op de tekening in de memorie van antwoord onder 2.1.) Via die trap kon men vanuit [C] naar [B] gaan en zo gebruik maken van het pad. Het pad werd ook daadwerkelijk gebruikt. Er was een opslagruimte en er woonden in die periode huurders. Zij konden via het pand binnendoor via het trapje naar beneden en via het gangetje naar buiten. Zo is er ook altijd toegang geweest via [B] naar [C] , het was een doorgang zonder een deur, aldus [geïntimeerden]

3.7.5.2. Het hof oordeelt als volgt. Ingevolge artikel 3:99 lid 1 BW kan een erfdienstbaarheid door verjaring worden verkregen bij bezit te goeder trouw van de erfdienstbaarheid gedurende een onafgebroken periode van tien jaar. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (art. 3:118 lid 1 BW). [geïntimeerden] hebben niet althans onvoldoende onderbouwd gesteld dat er sprake is geweest van onafgebroken bezit te goeder trouw van de erfdienstbaarheid gedurende ten minste tien jaar. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden] aldus niet aan hun stelplicht voldaan. Het hof passeert daarom het beroep van [geïntimeerden] op verkrijgende verjaring van de erfdienstbaarheid van weg met [xx] ’ erf als dienend erf en perceel [C] als heersend erf.

Grief 5
3.8.
Grief 5 mist zelfstandige betekenis en behoeft geen bespreking.

Conclusie
3.9.
Het hof zal [geïntimeerden] toelaten tot bewijs zoals hiervoor onder 3.7.4.3. overwogen. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
3.10.
Het hof zal de zaak verwijzen naar de rol van 21 oktober 2025 voor, voor het geval [geïntimeerden] bewijs door getuigen willen leveren, opgave door [geïntimeerden] van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige (-n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest.
<nr>4</nr>De uitspraak
Het hof:
4.1.
laat [geïntimeerden] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat bij notariële akte een erfdienstbaarheid van weg is gevestigd met perceel [A] als dienend erf en perceel [C] als heersend erf;
4.2.
bepaalt, voor het geval [geïntimeerden] bewijs door getuigen willen leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M. van der Schoor als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2025 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige (-n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van der Schoor, H.A.W. Vermeulen en C.M. Salemans en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2025.

griffier rolraadsheer

Artikel delen