Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHSHE:2025:2747

Kort geding. Partijen blijven kort gedingprocedures voeren ter zake de voorlopige toevertrouwing en aanverwante vorderingen, alsmede de zorgregeling en verdeling van de zorg tijdens vakanties. Het had op de weg van de man gelegenheid om een bodemprocedure te starten over deze kwesties. Het hof neemt, evenals de voorzieningenrechter in eerste aanleg, geen spoedeisend belang aan en veroordeelt de...

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHSHE:2025:2747 text/xml public 2026-08-04T10:27:35 2025-10-07 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-07 200.354.390_01 Uitspraak Hoger beroep kort geding NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2747 text/html public 2026-08-04T10:19:44 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2747 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 07-10-2025 / 200.354.390_01
Kort geding. Partijen blijven kort gedingprocedures voeren ter zake de voorlopige toevertrouwing en aanverwante vorderingen, alsmede de zorgregeling en verdeling van de zorg tijdens vakanties. Het had op de weg van de man gelegenheid om een bodemprocedure te starten over deze kwesties. Het hof neemt, evenals de voorzieningenrechter in eerste aanleg, geen spoedeisend belang aan en veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.354.390/01

arrest van 7 oktober 2025

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. A.Ch. Osté te Oosterhout,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze.

op het bij exploot van dagvaarding van 6 mei 2025 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 27 februari 2025 en 8 april 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

Deze procedure gaat over de minderjarigen:

[persoon A] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

[persoon B] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

In deze procedure is als informant aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

locatie [A] ,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie: [B] ,

hierna te noemen: de raad
<nr>1</nr>Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/412684 / KG ZA 25-64) 1.1.
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.
<nr>2</nr>Het geding in hoger beroep 2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep van 6 mei 2025 met grieven en producties (alsmede een eiswijziging), die gelet op het bepaalde in artikel 2.13.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven op 14 mei 2025 is aangepast naar 25 pagina’s;

de memorie van antwoord van 7 juli 2025 met producties;

de brief van de GI van 8 juli 2025;

het H12-formulier van 23 juni 2025 met producties 17 tot en met 19 van mr. Osté;

het H12-formulier van 8 juli 2025 met producties 20 tot en met 25 van mr. Osté;

het H12-formulier van 10 juli 2025 met productie 4 van mr. Mikkers;

het H12-formulier van 26 augustus 2025 met producties 26 tot en met 36 van mr. Osté.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli 2025.

Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door mr. Osté;

de vrouw, bijgestaan door mr. Mikkers.
2.2.1.
De raad is opgeroepen voor de mondelinge behandeling maar heeft gemeld niet te zullen verschijnen. De GI is als informant opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar heeft gemeld niet te kunnen verschijnen.
2.3.
De behandeling van de zaak is op de mondelinge behandeling van 10 juli 2025 aangehouden omdat voor de vrouw geen tolk beschikbaar was. De voortgezette mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025. Daarbij zijn verschenen:

de man, bijgestaan door mr. Osté;

de vrouw, bijgestaan door mr. Mikkers en een tolk [persoon C] ;

[persoon D] , [persoon E] en [persoon F] namens de GI, die als informanten zijn gehoord.
2.4.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is namens de raad op 28 augustus 2025 niemand verschenen.
2.5.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
<nr>3</nr>De beoordeling
De feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zij zijn de ouders van [persoon A] , geboren op [geboortedatum] (hierna te

noemen: [persoon A] ).
3.1.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [persoon A] . Tijdens de

relatie van partijen maakte ook de andere minderjarige zoon van de vrouw deel uit van het

gezin: [persoon B] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] (hierna te

noemen: [persoon B] ).
3.1.2.
[persoon B] en [persoon A] wonen bij de vrouw en hebben een zorg- en contactregeling met de man.
3.1.3.
[persoon A] en [persoon B] zijn bij beschikking van deze rechtbank van 15 januari 2025

onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd

door de GI.
3.1.4.
Op grond van het arrest van dit hof van 23 juli 2024 in kort geding verblijven [persoon B] en [persoon A] nu eenmaal per twee weken van vrijdag na school (dan wel vrijdag 09:30 uur indien er geen school is) tot maandag voor school (dan wel maandag 09:30 uur indien er op maandag geen school is) bij de man, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt.

Daarnaast verblijven zij eenmaal per twee weken, in de week waarbij ze op maandagochtend bij de man zijn geweest, van woensdag na school (dan wel woensdag 15:00 uur indien er op woensdag geen school is) tot donderdag voor school (dan wel donderdag 09:30 uur indien er op donderdag geen school is) bij de man, waarbij de man de kinderen haalt en terugbrengt.

De procedure in eerste aanleg
3.2.
In het tussenvonnis van 27 februari 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van de man onder I.A., I.G., I.H. en I.I. afgewezen en bepaald dat de mondelinge behandeling van de overige vorderingen op een latere datum wordt voortgezet.
3.3.
In het eindvonnis van 8 april 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen II.A., II.B. en II.C.

De rechtbank heeft de vorderingen van de man voor het overige afgewezen.

De procedure in hoger beroep
3.4.
De man heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. De man heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

De man vordert toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg, na gedeeltelijke wijziging op grond van de huidige omstandigheden:

primair:

I.A. dat de man vervangende toestemming wordt verleend namens de vrouw om een ID-kaart voor [persoon A] bij de gemeente waar [persoon A] ingeschreven staat aan te vragen, in ontvangst te nemen en in bewaring te houden resp. de reeds afgegeven ID-kaart die de gemeente [B] in bewaring heeft af te geven aan de man, waarbij de man niet verplicht zal zijn gelet op de huidige feiten en omstandigheden de ID kaart af te staan aan de vrouw gelet op het ontvoeringsrisico;

I.B. dat [persoon A] en [persoon B] voorlopig aan de man worden toevertrouwd, o.b.v. gewijzigde omstandigheden, voor de duur van de bodemprocedure, tot daarin een beslissing in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, waarmee zij bij de man zullen verblijven en er voor de vrouw een omgangsregeling zal worden vastgesteld als hierna volgt;

I.C. dat een omgangsregeling voor de vrouw zal gelden (gelijk nu omgekeerd geldt voor de man: zie het arrest d.d. 23 Juli 2024 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch) zijnde één weekend per twee weken, in de even weken, van vrijdag 14.30 uur (na school) tot maandag 08.30 uur (voor school) en tevens, in de week volgend na het betreffende weekend, van woensdag 14.30 uur (na school) tot donderdag 08.30 uur (voor school);

I.D. dat de man vervangende toestemming zal worden verleend (omdat sprake is van gewijzigde omstandigheden) namens de vrouw om [persoon A] in te mogen inschrijven op een basisschool (ingeval dit de [school A] zal zijn zal de man [persoon A] steeds van transport voorzien (hem ophalen en brengen met zijn auto) van de plaats waar [persoon A] verblijft (de man of de vrouw) naar school en weer terug;

I.E. dat de man vervangende toestemming zal worden verleend namens de vrouw om [persoon A] respectievelijk [persoon B] in te schrijven op zijn adres aan [adres A] en in het BRP in te schrijven van de gemeente [C] ;

I.F. dat de man vervangende toestemming zal worden verleend namens de vrouw om [persoon A] respectievelijk [persoon B] in te schrijven bij de voormalige huisarts zijnde huisartsenpraktijk [xx] te [C] resp. de voormalige tandarts zijnde tandartsenpraktijk [YY] te [D] ;

I.G. dat de man vervangende toestemming zal worden verleend namens de vrouw om met [persoon A] en [persoon B] voor een ski vakantie naar Duitsland, Oostenrijk of Zwitserland te reizen dan wel voor een strand vakantie in de zomer naar Frankrijk resp. België te reizen (in de periode die de man zal toekomen en de kinderen aldus bij hem verblijven);

I.H. dat de vrouw hetzij de ID kaart dan wel het paspoort van [persoon B] aan de man dient te overhandigen, uiterlijk op de dag dat [persoon B] in de vakanties bij de man zal verblijven waarbij de man het document weer aan de vrouw zal afgeven op de dag dat [persoon B] weer bij de vrouw zal gaan verblijven (het document reist aldus met [persoon B] mee) op straffe van een dwangsom van euro 250,- per elke dag dat de vrouw hierbij in gebreke zal zijn dit na te komen, met een maximum van euro 5.000,-

I.J. dat een vakantie-, feest- en studiedagen (vrije schooldagen) regeling zal gelden, voor alle vrije schooldagen, voor beide ouders, voor de duur van de bodemprocedure (totdat er een in kracht van gewijsde gegane beslissing zal liggen), o.b.v. van een 50%-50% verdeling als volgt waarbij:

o de kinderen in eenweekse vakanties de eerste helft bij de verzorgende ouder verblijven, vanaf vrijdag na school tot woensdag 12.00 uur en de tweede helft bij de niet verzorgende ouder vanaf diezelfde woensdag 12.00 uur tot de laatste dag (zondag) van de vakantie 18.00 uur;

o de kinderen in tweeweekse vakanties de eerste week bij de verzorgend ouder verblijven van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur op de laatste dag (zondag) van die week en de tweede week bij de niet verzorgende ouder vanaf diezelfde zondag 18.00 uur tot de laatste dag (zondag) van die vakantie 18.00 uur;

o de kinderen in de zomervakantie de eerste drie weken bij de verzorgende ouder verblijven van vrijdag na school tot 18.00 uur op de laatste dag (zondag) van die periode en de laatste drie weken bij de niet verzorgende ouder verblijven vanaf diezelfde zondag 18.00 uur tot de laatste dag (zondag) van die vakantie 18.00 uur;

o de overige feest- en studie dagen eveneens bij helfte worden gedeeld, met dien verstande dat deze om- en om worden verdeeld, waarbij de eerste feestdag/studiedag na de beschikking bij de verzorgende ouder zal zijn;

o waarbij de man de kinderen bij de verblijfplaats van de vrouw zal halen en brengen en het tijdstip van overdracht 09.30 uur zal zijn (en halve studie dagen qua tijd zullen worden aangepast naar de schooltijden);

o Vaderdag altijd bij de man ongeacht de omgangsregeling;

subsidiair, indien de primaire vorderingen niet zouden kunnen worden toegewezen:

II.A. dat een vakantie-, feest- en studiedagen regeling zal gelden, in goede justitie vast te stellen voor [persoon A] resp. [persoon B] door het gerechtshof, voor beide ouders (voor de duur van de bodemprocedure, totdat er een in kracht van gewijsde gegane beslissing zal liggen);

II.B. dat een omgangsregeling zal gelden voor de vrouw, in goede justitie vast te stellen;

II.C. dat de bestaande omgangsregeling tussen de man en de kinderen wordt uitgebreid tot het moment dat in de nog op te starten bodemprocedure een definitieve regeling zal zijn vastgelegd en wel als volgt uit te breiden:

o II.C.I. de kinderen elke week bij de man zullen verblijven, van woensdag middag (na school) tot donderdag ochtend (voor school) en,

o II.C.2. de kinderen elke week bij de man zullen verblijven, indien de vrouw aangeeft de kinderen niet te kunnen brengen naar hockey/voetbal/zwemles:

 zaterdag van 07.45 uur tot 11.30 uur;

 zondag van 07.45 uur tot 11.30 uur;

meer subsidiair:III.A. de huidige omgangsregeling tussen de man en de kinderen uit te breiden op aanvullende dagen, door het hof in goede justitie vast te stellen.
3.5.
Bij Memorie van Antwoord van 7 juli 2025 heeft de vrouw gevorderd:

- primair: de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan

wel het hoger beroep van de man te verwerpen;

subsidiair: zo nodig onder aanvulling en verbetering van gronden, de vonnissen van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 27 februari 2025 en 8 april 2025 te bekrachtigen;

zowel primair als subsidiair: de man te veroordelen in de kosten van beide procedures.

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
3.6.
Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op

grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna:

Brussel 11-ter). Op grond van artikel 7 Brussel 11-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind

zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is

gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse

rechter internationaal bevoegd.
3.7.
Omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, zal ingevolge

artikel 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht worden toegepast.

Ontvankelijkheid hoger beroep tussenvonnis 27 februari 2025
3.8.
In artikel 339 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is de termijn van beroep van een vonnis in kort geding bepaald op vier weken, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis.
3.9.
De voorzieningenrechter heeft op 27 februari 2025 tussenvonnis gewezen op de door de man ingediende vorderingen onder I.A., I.G., I.H. en I.I. De termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde vier weken later, derhalve op 27 maart 2025. Nu de appeldagvaarding op 6 mei 2025 is betekend, is dit buiten de appeltermijn gebeurd.
3.10.
Tijdens de mondelinge behandeling op 28 augustus 2025 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het gegeven dat het exploot van (appel)dagvaarding niet is uitgebracht binnen de in artikel 339 lid 2 Rv voor een vonnis in kort geding voorgeschreven termijn van vier weken.
3.11.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling van het hof verklaard dat hij contact heeft opgenomen met de griffie van het hof om te vragen of hij ook gelijktijdig met de eindbeslissing in hoger beroep mocht komen van de tussenbeslissing, aangezien in de eindbeslissing zou worden voortgeborduurd op de beslissingen in de tussenbeslissing. De griffiemedewerker die de man telefonisch sprak heeft verklaard dat dit mogelijk was, aldus de man.
3.12.
De vrouw heeft het standpunt ingenomen dat de man gezien de termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is, voor zover het hoger beroep gericht is tegen het tussenvonnis van 27 februari 2025.
3.13.
Het hof overweegt dat wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Uitgangspunt is dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid dient te bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie begint te lopen (en eindigt), en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan daarop een uitzondering worden gemaakt.

Een uitzondering is met name gerechtvaardigd indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt

(zie voor een en ander HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465, HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1097, NJ 2005/372, en HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, NJ 2014/131).
3.14.
Dat en op welk moment een griffiemedewerker tegen de man zou hebben gezegd dat hij (ook na het verstrijken van de beroepstermijn) nog in hoger beroep mocht komen van het tussenvonnis van 27 maart 2025, is niet komen vast te staan. Het komt voor rekening en risico van de man dat hij zich niet tot zijn raadsman heeft gewend om daarover juridisch voorgelicht te worden. Hetgeen de man heeft aangevoerd kan (derhalve) niet als een bijzondere omstandigheid worden gekwalificeerd als hiervoor bedoeld.
3.15.
Het overschrijden van de wettelijke beroepstermijn acht het hof dan ook niet verschoonbaar en dient voor rekening van de man te komen, zodat hij in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.

Spoedeisend belang
3.16.
De vorderingen onder I.B tot en met II.F. en I.J., alsmede het subsidiair en meer subsidiair gevorderde liggen nog voor.
3.17.
Het hof stelt, alvorens tot beoordeling te komen van de grieven, het volgende voorop.

Het hof dient ambtshalve vast te stellen of aan de zijde van de man in hoger beroep sprake is

van een spoedeisend belang. Daarbij wordt voorop gesteld dat in hoger beroep niet

beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen.

Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig

is (zie HR 31 mei 2002, LJN AE3437, NJ 2003/343 m.nt. HJ. Snijders).
3.18.
Voor het treffen van een voorziening in kort geding is ingevolge artikel 254 lid 1 Rv plaats in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist. Daarvan is onder meer sprake in het geval dat van een eiser niet kan worden gevergd dat hij een bodemprocedure afwacht. De vraag of sprake is van een voldoende spoedeisend belang dient te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. De procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de belangen van de betrokkenen vragen om een onmiddellijke voorziening die voorlopig van kracht is tot de rechter in de bodemzaak een definitieve beslissing geeft. Voor een grondig onderzoek naar de feiten is geen plaats. Deze kort geding procedure leent zich niet voor een bewijsprocedure.
3.19.
De voorzieningenrechter heeft de vordering van de man om [persoon A] voorlopig aan

hem toe te vertrouwen afgewezen op de grond van de overweging dat – kort en zakelijk weergegeven – het op de weg van de man ligt om een bodemprocedure te starten. Over alle zaken waarvoor de man nu een vordering instelt, is al eens in kort geding beslist. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden gebleken. Er zijn verder door de man geen aanknopingspunten aangevoerd die er nu toe nopen om bij wege van voorlopige voorziening in kort geding te beslissen op de geschilpunten tussen partijen.
3.20.
Het hof is van oordeel dat dergelijke aanknopingspunten ook in hoger beroep niet zijn gebleken. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld noch aannemelijk geworden op grond waarvan moet worden aangenomen dat dit spoedeisend belang voor wat betreft deze vordering nadien alsnog is ontstaan.
3.21.
Het hof stelt in dit kader voorop dat sprake is van een bijzonder complexe situatie, waarbij de kinderen inmiddels onder toezicht staan van de GI en de kinderen zwaar belast worden met de strijd tussen de ouders.

Uiteraard zouden de kinderen (en de ouders) gebaat zijn bij duidelijkheid. De man is echter al in verschillende kort geding procedures voorgehouden dat de grootste mate van duidelijkheid en bestendigheid kan worden gecreëerd als over de voorliggende kwesties in een bodemprocedure wordt beslist. In een bodemprocedure kan dieper en meer definitief worden ingegaan op wat in het belang van de kinderen wenselijk zou zijn. Het hof leest in de stukken dat de man pas een bodemprocedure wil starten als er sprake is van een stabiele situatie, maar daarmee gaat de man er naar het oordeel van het hof aan voorbij dat stabiliteit juist of ook kan worden gecreëerd doordat de rechter in een bodemprocedure beslissingen neemt over de kwesties die partijen verdeeld houdt.

Inmiddels heeft de vrouw een bodemprocedure bij de rechtbank aanhangig gemaakt.
3.22.
In de opvoedsituatie van de kinderen bij de vrouw ziet het hof ook geen spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening. De man onderbouwt zijn stellingen ter zake de “taal, socialisatie en integratie problemen van de kinderen” niet en hij onderbouwt op geen enkele wijze dat deze problemen, zou vastgesteld worden dat daarvan sprake is, door de vrouw worden veroorzaakt, terwijl de vrouw de stellingen van de man ter zake uitvoerig en gemotiveerd heeft betwist. De GI heeft in het kader van de ondertoezichtstelling bovendien zicht op de situatie bij de vrouw en heeft daar geen zorgen over. De vrouw werkt mee aan de uitvoering van de ondertoezichtstelling (in tegenstelling tot de man). Er zijn geen aanwijzing dat het bij de vrouw niet goed gaat met de kinderen.

Het hof ziet ook overigens geen aanleiding om te concluderen dat er met spoed een voorziening moet worden getroffen, in die zin dat de kinderen aan de man moeten worden toevertrouwd (vordering I.B.). Daartoe heeft de man ook geen gewijzigde omstandigheden aangevoerd of aangetoond, die niet reeds bekend waren ten tijde van de eerdere kort geding procedures en de kort geding procedure in eerste aanleg.

Die vordering wijst het hof derhalve af. De vorderingen onder I.C. tot en met I.F. hangen samen met de voorlopige toevertrouwing, alsmede de subsidiaire vordering onder II.B zodat het hof aan een bespreking en beoordeling daarvan niet toekomt.
3.23.
Het had eveneens op de weg van de man gelegen om in een bodemprocedure een beslissing over het hoofdverblijf, de zorgregeling en de verdeling van de zorg in de vakanties te verzoeken, daar waar hij stelt dat dit in het belang van de kinderen is en waar hij stelt behoefte te hebben aan duidelijkheid over de vakanties en een reis met de kinderen ruim tevoren te willen plannen.

Gezien de situatie waarin de man ruimschoots gelegenheid heeft gehad om een bodemprocedure te starten maar dat nalaat te doen, waar al eerder voorzieningen zijn getroffen ten aanzien van de toevertrouwing van de kinderen en de zorgregeling waarvan niet althans onvoldoende gebleken is dat die niet (meer) in het belang van de kinderen zouden zijn, ziet het hof niet in wat op dit moment het spoedeisend belang is van de man bij een onmiddellijke voorziening die geldt tot in de bodemprocedure over die zaken is beslist. Het hof wijst het gevorderde onder I.J. daarom af, alsmede de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van de man.

Proceskosten
3.24.
Het hof veroordeelt de man als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.
3.25.
In dat kader overweegt het hof dat de voorzieningenrechter in eerste aanleg in het vonnis van 12 november 2024 reeds heeft overwogen dat dit het vierde kort geding tussen partijen betrof in een tijdsbestek van tien maanden. De voorzieningenrechter heeft ook overwogen dat deze gang van zaken, waarbij partijen van het ene kort geding naar het andere struikelen, bij die voorzieningenrechter op toenemend onbegrip stuitte. De voorzieningenrechter heeft partijen reeds ter zitting voorgehouden dat hij (mede) daarom de over en weer ingestelde vorderingen kritisch langs de meetlat van het spoedeisend belang zal leggen.
3.26.
Onderhavige procedure in hoger beroep betreft aldus de, na de procedure in eerste aanleg, zesde procedure in kort geding. Uitgangspunt in procedures als de onderhavige is dat de partij die bij vonnis (arrest) in het ongelijk wordt gesteld in beginsel wordt veroordeeld in de kosten. In procedures waar het over familierechtelijke zaken gaat, wordt in het algemeen besloten om de proceskosten te compenseren. De rechter is niet tot compensatie verplicht

Het hof is van oordeel dat in deze zaak een proceskostenveroordeling van de man op zijn plaats is, gezien het feit dat de man in hoger beroep is gekomen van één beslissing waarvan de beroepstermijn reeds was verstreken en omdat ook het hof, evenals de voorzieningen-rechter in het vonnis van 12 november 2024, moet vaststellen dat de man aan zijn nieuwe vordering in kort geding over dezelfde kwesties als waarover telkenmale in kort geding reeds is beslist, niet zodanige nieuwe c.q. aanvullende feiten en omstandigheden ten grondslag legt dat dit noopt tot een hernieuwde beoordeling van die vorderingen en waaromtrent niet een oordeel van de bodemrechter kan worden afgewacht. De man is de huidige procedure zonder noodzaak begonnen.

Tegenover de geringe slagingskansen van dit hoger beroep staat dat de vrouw zich genoodzaakt heeft gezien kosten te maken om verweer te voeren tegen de uitvoerig uiteengezette grieven - het maximale aantal van 25 pagina’s is benut.
3.27.
Het hof ziet aldus aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten van de vrouw op basis van het liquidatietarief, die het hof vaststelt op € 1.107,- voor een gemiddeld complexe kort gedingprocedure, te vermeerderen met het door de vrouw betaalde griffierecht van € 362,-.
<nr>4</nr>De uitspraak
Het hof:

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 27 februari 2025;

bekrachtigt het vonnis van 8 april 2025, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde;

veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de vrouw op € 1.469,-;

wijst af het meer of ander gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.M.D.M. van der Linden en A.M. Bossink en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2025.

griffier rolraadsheer

Artikel delen