Totstandkoming overeenkomst met assurantietussenpersoon; aansprakelijkheid voor schending zorgplicht.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2834
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2025
Datum publicatie
04-08-2026
Zaaknummer
200.349.544_01
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHSHE:2025:2834text/xmlpublic2026-08-04T15:53:072025-10-14Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof 's-Hertogenbosch2025-10-14200.349.544_01UitspraakHoger beroepNL's-HertogenboschCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2834text/htmlpublic2026-08-04T15:47:022026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHSHE:2025:2834 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-10-2025 / 200.349.544_01 Totstandkoming overeenkomst met assurantietussenpersoon; aansprakelijkheid voor schending zorgplicht.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.349.544/01 arrest van 14 oktober 2025 in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer te Tilburg, tegen De Huisadviseur Financiële Diensten B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Huisadviseur FD,
advocaat: mr. M.D. Meerkerk-van den Boogaard te Rotterdam, op het bij exploot van dagvaarding van 4 december 2024 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 4 september 2024 en 27 november 2024, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en Huisadviseur FD als gedaagde. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/414323 / HA ZA 23-509) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het tussenvonnis van 20 december 2023. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; de memorie van grieven met producties; de memorie van antwoord; het op 2 september 2025 gestuurde proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, ter completering van het procesdossier; de op 15 september 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd; de op 5 september 2025 door Huisadviseur FD gestuurde productie 10 en door [appellant] gestuurde productie 18, die door partijen bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht; een akte eiswijziging van [appellant] tijdens de mondelinge behandeling van 15 september 2025, waartegen Huisadviseur FD (deels voorwaardelijk) bezwaar heeft gemaakt.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling De samenvatting 3.1.1.
[appellant] was eigenaar van een beleggingspand in [A] . In de nacht van 31 mei op
1 juni 2023 heeft er brand gewoed in dat pand. Het pand bleek niet verzekerd te zijn. Volgens [appellant] was hij in de veronderstelling dat er wel een opstalverzekering was gesloten voor dat pand. [appellant] heeft drie partijen aansprakelijk gesteld: een adviseur van [appellant] (013Vastgoed), de partij die de koopovereenkomst had opgesteld (Huisadviseur) en de partij die bemoeienis heeft gehad met het tot stand brengen van een verzekering (Huisadviseur FD). Het hoger beroep is alleen nog gericht tegen laatstgenoemde partij. Volgens [appellant] had Huisadviseur FD moeten zorgen voor een opstalverzekering en is Huisadviseur FD aansprakelijk voor de schade die [appellant] heeft geleden. 3.1.2. Het hof is (anders dan de rechtbank) van oordeel dat tussen [appellant] en Huisadviseur FD een overeenkomst tot stand is gekomen. Het hof is ook van oordeel dat Huisadviseur FD tekort is geschoten in de nakoming van een zorgplicht. Huisadviseur FD had navraag moeten doen bij [appellant] waarom hij de offerte niet had terug gestuurd en had toen moeten waarschuwen tegen het onverzekerd zijn. Het hof kan er echter niet vanuit gaan dat er een opstalverzekering tot stand zou zijn gekomen. Het hof zal dat oordeel hierna motiveren. De feiten 3.2. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 4 september 2024 een overzicht gegeven van de feiten. Volgens Huisadviseur FD moet het hof uitgaan van dat overzicht, omdat [appellant] geen grief heeft gericht tegen dat overzicht. Het hof volgt dat standpunt niet volledig, omdat uit de memorie van grieven voldoende duidelijk blijkt (zowel voor het hof als voor Huisadviseur FD) dat volgens [appellant] nog enkele feiten aan dat overzicht moeten worden toegevoegd. Voor zover die aanvullingen niet zijn betwist door Huisadviseur FD (en voor zover relevant), zal het hof daarvan uitgaan.
Daarnaast is het zo dat niet alle door de rechtbank vastgestelde feiten in hoger beroep nog relevant zijn. Dat komt omdat in hoger beroep minder partijen zijn betrokken dan in de procedure in eerste aanleg.
Het hof zal daarom zelf, met inachtneming van het voorgaande, vaststellen welke feiten van belang zijn voor het hoger beroep. Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2.1. Huisadviseur FD verricht werkzaamheden als assurantietussenpersoon en adviseert, bemiddelt en distribueert hypotheken, verzekeringen, kredieten en overige financiële diensten. [persoon B] is bestuurder van Huisadviseur FD. 3.2.2.
[appellant] heeft op enig moment een woning verkocht en daarmee een overwaarde van ruim € 100.000,- gerealiseerd. [appellant] is in contact gekomen met [persoon A] , die voor hem op zoek is gegaan naar een beleggingspand met de mogelijkheid om dat te verhuren. 3.2.3. Op 6 december 2021 heeft [appellant] een pand gekocht aan [adres] . 3.2.4. Op 14 december 2021 heeft [appellant] , via [persoon A] en Huisadviseur FD, een offerte ontvangen voor een hypothecaire geldlening bij Domivest B.V. [appellant] is akkoord gegaan met de offerte en heeft een hypothecaire geldlening verstrekt gekregen. In de op de offerte van toepassing zijnde algemene voorwaarden stond onder andere vermeld dat het pand verzekerd moest worden met een opstalverzekering, waarmee eventuele schade volledig kan worden hersteld (bijvoorbeeld na brand). 3.2.5. Op 30 december 2021 is het pand aan [adres] geleverd aan [appellant] . 3.2.6. In december 2021 heeft [persoon B] telefonisch contact gehad met [xx] Assurantiën B.V. (hierna: [xx] ) met het verzoek een opstalverzekering te sluiten voor het pand aan [adres] . [xx] heeft aan [persoon B] meegedeeld dat er geen opstalverzekering kon worden afgesloten voor dat pand, omdat bij verhuurde panden enkel een opstalverzekering voor meerdere panden tegelijk kon worden afgesloten. 3.2.7. Met een e-mail van 30 maart 2022 heeft [persoon A] aan [persoon B] bericht:
“Dag [persoon B]
[appellant] wil [adres] laten verzekeren kan je die regelen voor hem?
En ons [straat B] en [straat C] ook die niet vergeten aub. Doe maar [straat D] ook gelijk erbij.” 3.2.8. Op 31 maart 2022 heeft [appellant] een tweede pand (aan [adres B] ) gekocht en op 8 juni 2022 geleverd gekregen. Ook voor dit pand heeft Huisadviseur FD een hypothecaire geldlening geregeld. 3.2.9. Op 9 juni 2022 heeft Huisadviseur FD aan [xx] een offerte gevraagd voor een opstalverzekering voor beide panden met ingang van ‘aanstaande maandag’ na goedkeuring ‘door verzekerde’. Op 10 juni 2022 heeft [persoon B] een mail daarover gestuurd aan [persoon A] met aanvraagformulieren van [xx] die al waren ingevuld door [persoon B] .
Op 10 juni 2022 heeft [xx] per mail de gevraagde offerte aan Huisadviseur FD gestuurd. Daarbij heeft [xx] aangegeven dat als de offerte akkoord was, [xx] graag de voor akkoord getekende offerte wilde ontvangen en een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier. Diezelfde dag heeft Huisadviseur FD de e-mail zonder begeleidende tekst doorgemaild aan [persoon A] . 3.2.10. Met een Whatsapp bericht van 22 september 2022 heeft [persoon A] aan [persoon B] bericht:
“ [appellant] vraagt of we hem duifst en hasselstraat kunnen verzekeren.” 3.2.11. Op 18 januari 2023 heeft [persoon B] met een mail aan [persoon A] een (nieuw al ingevuld en op 18 januari 2023 gedateerd) aanvraagformulier gestuurd met het verzoek het te laten ondertekenen. Diezelfde dag heeft [appellant] het aanvraagformulier ondertekend. Op
22 januari 2023 heeft [persoon A] het door [appellant] ondertekende aanvraagformulier aan [persoon B] retour gezonden. Op 23 januari 2023 heeft [persoon B] dat ondertekende formulier aan [xx] gestuurd en verzocht om een offerte voor een verzekering voor beide panden. [xx] heeft met een e-mail van 30 januari 2023 gereageerd en aan Huisadviseur FD en meegedeeld:
“(…)
Hierbij ontvang je onze offerte en voorwaarden voor bovengenoemde verzekerde (…)
Indien de offerte akkoord is ontvangen wij graag de volgende stukken.
• De voor akkoord getekende offerte:
• Een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier.
(…)”.
[persoon B] heeft deze mail op diezelfde dag aan [persoon A] doorgestuurd. 3.2.12. Met een Whatsapp bericht van 4 februari 2023 heeft [persoon B] aan [persoon A] geschreven:
“Verzekering [appellant] geregeld
Had je dat gezien?”. 3.2.13.
[appellant] en [persoon B] hebben in het kader van de verzekering van de panden nooit direct contact met elkaar gehad. Alles verliep via [persoon A] . [appellant] heeft geen polisblad(en) ontvangen en geen verzekeringspremie betaald. Er is geen opstalverzekering tot stand gekomen. 3.2.14. In de nacht van 31 mei 2023 op 1 juni 2023 heeft er brand gewoed in het pand aan [adres] . [appellant] heeft de schade gemeld bij [persoon B] . [appellant] heeft (onder andere) Huisadviseur FD aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. [appellant] heeft de woning laten taxeren in verband met de procedure. In het taxatierapport wordt vermeld dat de marktwaarde op 19 november 2024 € 225.000,- is in de niet herstelde staat en € 380.000,- wanneer deze conform de aangeleverde specificatie is herbouwd. [appellant] heeft het pand verkocht voor € 240.000,-. De vorderingen 3.3.1. Zoals hiervoor (in de samenvatting) al is vermeld heeft [appellant] naast Huisadviseur FD nog twee andere partijen gedagvaard: Huisadviseur B.V. (die werkzaamheden heeft verricht in het kader van de aankoop van de panden) en 013 Vastgoed B.V. (die volgens [appellant] in de persoon van de hiervoor genoemde heer [persoon A] advies- en bemiddelingswerkzaamheden heeft verricht).
[appellant] heeft gevorderd dat de rechtbank (samengevat weergegeven): voor recht verklaart dat de gedaagden hebben gewanpresteerd jegens [appellant] en hun zorgplicht jegens hem hebben geschonden; hen hoofdelijk veroordeelt om € 150.000,- te betalen als voorschot op de door hem geleden schade; voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door [appellant] geleden of nog te lijden schade door het ontbreken van een adequate opstalverzekering ter zake de woning gelegen aan het adres [adres] ; althans dat de rechtbank een beslissing neemt die de rechtbank juist acht; gedaagden veroordeelt in de proceskosten. 3.3.2. De procedure tegen 013 Vastgoed B.V. is geëindigd met een schikking.
De rechtbank heeft de vorderingen tegen Huisadviseur B.V. en tegen Huisadviseur FD afgewezen. 3.3.3. Het hoger beroep van [appellant] is alleen nog gericht tegen Huisadviseur FD.
[appellant] wil dat het hof de vonnissen vernietigt. In zijn memorie van grieven heeft hij geschreven dat het hof de hiervoor weergegeven vorderingen alsnog moet toewijzen. 3.3.4.
[appellant] heeft, na een onderbreking van de mondelinge behandeling, verklaard de eis te willen wijzigen in die zin dat vordering 1 wordt gewijzigd (zoals hierna te vermelden), nummer 2 wordt ingetrokken, nummer 3 wordt gewijzigd (zoals hierna te vermelden), nummer 4 niet meer relevant is en nummer 5 gehandhaafd blijft. De advocaat van [appellant] heeft een akte eiswijziging aan het hof overhandigd.
[appellant] heeft gevorderd dat het hof: voor recht verklaart dat Huisadviseur FD jegens [appellant] is tekort geschoten; voor recht verklaart dat Huisadviseur FD jegens [appellant] aansprakelijk is voor het tekort schieten jegens [appellant] ; (het hof begrijpt) Huisadviseur FD veroordeelt in de proceskosten. 3.3.5. Het hof heeft de mondelinge behandeling onderbroken om Huisadviseur FD de gelegenheid te geven zich te beraden over de eiswijziging. Vervolgens heeft Huisadviseur FD laten weten geen bezwaar te hebben tegen de gewijzigde eis nummer 1, tenzij het hof die eis breder uitlegt dan de oorspronkelijke eis nummer 1, maar wel tegen gewijzigde eis sub 2, wegens strijd met de twee-conclusie-regel en de goede procesorde. 3.3.6. Het hof is van oordeel dat het bezwaar gegrond is. Op grond van de zogenaamde twee-conclusie-regel (artikel 347 lid 1 Rv) mocht [appellant] in beginsel niet later dan in zijn memorie van grieven zijn eis wijzigen. [appellant] heeft niet gesteld dat of waarom een uitzondering moet worden gemaakt op die regel. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, komt de gewijzigde eis 2 niet neer op hetzelfde als de eerdere eis 3. Het hof is van oordeel dat de formulering van de gewijzigde eis 2 zou kunnen leiden tot een ruimere aansprakelijkheid van Huisadviseur FD dan de eerdere eis, zodat dit niet meer toelaatbaar is. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis 1 en op de oorspronkelijke eis 3. Overeenkomst 3.4.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen [appellant] en Huisadviseur FD geen overeenkomst tot stand is gekomen. Het hof komt om de volgende redenen tot een ander oordeel. 3.4.2. Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag of partijen een overeenkomst hebben gesloten, afhankelijk is van wat zij jegens elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen behoort de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden (vlg. o.a. HR 26 juni 2009, ECLI:HR:2009:BH9284). 3.4.3. Het hof is van oordeel dat het voor zowel [appellant] als voor [persoon B] overduidelijk was dat [persoon A] slechts namens [appellant] optrad. Dat blijkt uit de manier van communiceren. Zo is in de mail van 30 maart 2022 vermeld: ‘ [appellant] wil [adres] laten verzekeren kan je die regelen voor hem?’ [onderstreping hof] en een Whatsappbericht op 22 september 2022: ‘[appellant] vraagt of we hem [adres] en [adres B] kunnen verzekeren’ [onderstreping hof]. Dat past ook bij de hoedanigheid van [persoon A] , die voor [persoon B] /Huisadviseur FD een vaste zakelijke relatie was die met regelmaat klanten bij [persoon B] aanbracht. [appellant] is ook in het aanvraagformulier vermeld en Huisadviseur FD heeft dat ook zo gecommuniceerd met [xx] (e-mail van 23 januari 2023). Ook het op 4 februari 2023 gestuurde Whatsapp bericht van [persoon B] aan [persoon A] past daarbij: ‘Verzekering [appellant] geregeld. Had je dat gezien?’. 3.4.4. Volgens Huisadviseur FD komt het regelmatig voor dat zij wordt verzocht om zorg te dragen voor offertes voor verzekeringen, die niet leiden tot een vervolg en dat daarna de verzekeringen worden afgesloten via een andere verzekeraar. Volgens Huisadviseur FD kan daarom uit het feit dat zij een offerte voor [appellant] heeft aangevraagd, niet worden afgeleid dat zij een overeenkomst heeft gesloten met [appellant] om een opstalverzekering voor hem te regelen. Volgens Huisadviseur FD zou dat pas aan de orde zijn geweest wanneer zij een ondertekende offerte van [appellant] had ontvangen. Volgens [appellant] is dat ook gebeurd en heeft Huisadviseur FD een ondertekende offerte van hem gekregen. Huisadviseur FD heeft dat betwist. Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of [persoon A] een ondertekende offerte heeft afgegeven aan of bezorgd bij Huisadviseur FD, omdat het hof Huisadviseur FD niet volgt in haar standpunt dat zij pas ná de ontvangst van een ondertekende offerte van [appellant] ervan uit kon gaan dat er tussen [appellant] en Huisadviseur FD een overeenkomst tot stand was gekomen. Daartoe overweegt het hof het volgende.
In dit geval is geen sprake geweest van een situatie dat er eenmalig een offerte is opgevraagd. Huisadviseur FD heeft een hypothecaire geldlening tot stand gebracht (pand [adres] ), vervolgens de mededeling gedaan dat het nodig was om twee panden te hebben om een opstalverzekering tot stand te brengen, daarna wederom een hypothecaire geldlening tot stand gebracht (pand [adres B] ) en vervolgens twee maal aanvraagformulieren van [xx] gestuurd (zowel in juni 2022 als in januari 2023) terwijl [persoon A] in die tussentijd de vraag herhaalde om een verzekering te regelen voor [appellant] . Er is meermaals contact geweest tussen [persoon B] en [persoon A] over een opstalverzekering voor [appellant] (zie het feitenoverzicht). Het feit dat [persoon A] in januari 2023 (opnieuw) bij [persoon B] terugkwam op de ten behoeve van [appellant] te regelen opstalverzekering, leidt er toe dat Huisadviseur FD er vanaf dat moment rekening mee moest houden dat [appellant] wilde dat Huisadviseur FD een opstalverzekering voor hem zou regelen. De daarop volgende Whatsapp van 4 februari 2023 van [persoon B] aan [persoon A] (Verzekering [appellant] geregeld’) leidt er toe dat, in de gegeven context, [appellant] (dat wil zeggen [persoon A] namens [appellant] ) uit deze mededeling redelijkerwijs heeft kunnen en mogen afleiden dat Huisadviseur FD dat ook daadwerkelijk zo had opgevat en zichzelf vanaf dat moment beschouwde als zijn opdrachtnemer. 3.4.5. Het hof licht toe waarom de eerdere contacten in 2022 nog niet konden leiden tot het vertrouwen dat Huisadviseur FD opdrachtnemer was. Dat is relevant omdat daarmee ook wordt bepaald vanaf welk moment de zorgplicht van Huisadviseur FD een rol ging spelen (zie hierna onder 3.5.1). [appellant] heeft weliswaar betoogd dat hij al vóór februari 2023 mocht aannemen dat Huisadviseur FD de verzekering zou regelen, maar dat volgt het hof niet.
Het hof is van oordeel dat de Whatsapp van 4 februari 2023 doorslaggevend is (ook al verschillen partijen van mening wat [persoon B] met dat bericht bedoelde). Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, mocht hij er niet al op een eerder moment op vertrouwen dat Huisadviseur FD een overeenkomst met hem had. Het hof ziet niet in dat of waarom er een ‘all-in deal’ was inhoudende dat Huisadviseur FD (samen met Huisadviseur BV) zou zorgen voor alles wat er nodig was. Dat past ook niet bij de facturering voor het werk met betrekking tot de hypothecaire geldlening. De berichten van [persoon A] van 30 maart 2022 en 22 september 2022 aan [persoon B] , acht het hof te vaag om daaruit te kunnen afleiden dat [persoon B] er vanuit moest gaan dat [appellant] van hem verwachtte dat hij de verzekering voor hem ging regelen. Dat wordt niet anders wanneer het hof ook de andere communicatie daarbij betrekt. In dat verband is van belang dat aan de in juni 2022 door [persoon B] gestuurde offerte van [xx] geen opvolging is gegeven door of namens [appellant] . Dat betekent dat [persoon B] er toen vanuit kon gaan dat [appellant] kennelijk ook elders bezig was met het opvragen van offertes. In ieder geval valt moeilijk in te zien waarom [persoon B] toen moest begrijpen dat [appellant] er vanuit ging dat Huisadviseur FD (en niemand anders) voor [appellant] een verzekering ging regelen. In dit verband is van belang dat alle communicatie verliep via [persoon A] die een zakelijke vastgoed relatie was van [persoon B] en die voor meerdere panden om offertes vroeg. Zonder duidelijke mededelingen van [persoon A] / [appellant] valt niet in te zien waarom [persoon B] er vanuit moest gaan dat [appellant] erop vertrouwde dat Huisadviseur FD een opstalverzekering voor hem zou regelen en dat [appellant] die vraag niet tevens bij anderen had uitgezet.
Dat Huisadviseur FD (in haar conclusie van antwoord) heeft aangevoerd dat zij als redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur al in december 2021 contact heeft opgenomen met [xx] , betekent niet dat Huisadviseur FD toen al opdrachtnemer was. Het hof begrijpt dat het standpunt van Huisadviseur FD is dat zij dat heeft gedaan als een handelen ter voorkoming van het plegen van een onrechtmatige daad (maar die grondslag hoeft het hof niet te beoordelen, omdat die niet past bij de vorderingen in dit hoger beroep). Tekortkoming 3.5.1. Het hof is van oordeel dat Huisadviseur FD is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht ter zake van het volgende. Zoals hiervoor al is vermeld heeft [persoon A] meermaals aan [persoon B] gevraagd om een opstalverzekering voor [appellant] . Zoals hiervoor ook al is vermeld, heeft Huisadviseur FD aangevoerd dat zij geen ondertekende offerte retour heeft ontvangen, nadat zij deze op 30 januari 2023 had gestuurd. Het hof is van oordeel dat op Huisadviseur FD de zorgplicht rustte om bij [persoon A] na te vragen waarom dat zo was nadat zij de hiervoor geciteerde Whatsapp op 4 februari 2023 had gestuurd. Die vraag lag toen voor de hand, omdat Huisadviseur FD in juni 2022 ook al een offerte had gestuurd maar deze niet ondertekend retour had ontvangen, terwijl [persoon A] in september 2022 opnieuw de vraag had gesteld om de panden te verzekeren. Het hof is van oordeel dat het op de weg van Huisadviseur FD had gelegen toen zij na 4 februari 2023 wederom geen ondertekende offerte retour ontving, terwijl Huisadviseur FD (volgens haar standpunt) in de veronderstelling was dat [persoon A] de mail van 30 januari 2023 met de offerte had gezien, om bij [persoon A] na te vragen waarom hij niet een door [appellant] ondertekende offerte retourneerde. Aangezien het op dat moment voor Huisadviseur FD zonder meer duidelijk had moeten zijn dat het pand aan [adres] (en [adres B] ) nog steeds niet verzekerd was, had zij [persoon A] / [appellant] toen moeten attenderen op dat risico. Dat heeft zij niet gedaan. Om die reden zal het hof de gevorderde verklaring voor recht (gewijzigde eis nummer 1) toewijzen. 3.5.2. De zorgplicht van Huisadviseur FD strekte niet zo ver dat zij een opstalverzekering voor [appellant] tot stand moest brengen. Dit is van belang omdat [appellant] ook een verklaring voor recht heeft gevorderd dat Huisadviseur FD aansprakelijk is voor de schade wegens het ontbreken van een adequate opstalverzekering voor het pand aan [adres] (vordering nummer 3). Dat Huisadviseur FD haar zorgplicht heeft geschonden, betekent nog niet dat daarmee vaststaat dat zij aansprakelijk is voor schade wegens het ontbreken van de opstalverzekering. Huisadviseur FD heeft al in eerste aanleg aangevoerd dat de totstandkoming van de opstalverzekering nog afhankelijk was van de uitslag van de uitvoering van een beveiligingsinspectie en dat (en waarom) allerminst zeker was dat [xx] tot acceptatie zou overgaan. [appellant] heeft dat standpunt onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof uitgaat van de juistheid daarvan. Het hof merkt daarover nog op dat, ook in de visie van [appellant] zelf, de verbintenis van Huisadviseur FD slechts een inspanningsverplichting betreft, geen resultaatsverbintenis.
Aangezien het hof er niet vanuit gaat dat Huisadviseur FD een verbintenis had om een opstalverzekering voor [appellant] tot stand te brengen, kan het hof ook niet constateren dat Huisadviseur FD daarin tekort is geschoten of voor het uitblijven daarvan aansprakelijk is. 3.5.3.
[appellant] heeft aangevoerd dat Huisadviseur FD hem met de (hiervoor geciteerde) Whatsapp van 4 februari 2023 in de veronderstelling heeft gebracht dat de opstalverzekering was geregeld en dat [appellant] daarop mocht vertrouwen. Het hof verwerpt dat standpunt. Het bericht was gericht aan [persoon A] en [persoon A] wist, althans moest begrijpen dat die mededeling niet betekende dat de opstalverzekering tot stand was gekomen. Huisadviseur FD heeft hierover aangevoerd dat er eerst nog een inspectie en dan een voorlopige dekking zou volgen, maar dat zij niet per mail heeft bevestigd dat er een voorlopige dekking was, terwijl [persoon A] bekend was met die gang van zaken omdat dit steeds zo is gegaan bij de andere panden van [persoon A] . Dat is niet, althans onvoldoende weersproken door [appellant] . Dat [persoon A] dat niet aan [appellant] heeft laten weten, dient voor risico van [appellant] te komen.
Los daarvan mocht [appellant] er niet op vertrouwen dat de verzekering tot stand was gekomen, omdat hij na 4 februari 2023 geen polis heeft ontvangen en er ook geen premies bij hem in rekening zijn gebracht. Dat [appellant] zich van (het uitblijven van) de premiebetaling niet bewust is geweest vanwege een automatische incasso en dat hij dacht dat een incassering aan het einde van het jaar gerealiseerd zou worden, acht het hof niet heel aannemelijk maar wel voorstelbaar. Dat geldt echter niet voor het uitblijven van een polis. Volgens [appellant] is het niet ongebruikelijk dat verzekeraars achterlopen in het opmaken van polisbladen, maar [appellant] heeft dat verder niet onderbouwd, terwijl dat standpunt is betwist door Huisadviseur FD. 3.5.4. Het hof zal dus de oorspronkelijke vordering nummer 3 afwijzen. De slotsom 3.6.1. Het hof zal de bestreden vonnissen vernietigen en opnieuw recht doen, deels op de gewijzigde eis, op de wijze zoals hiervoor al is overwogen. Daarbij merkt het hof op dat de toewijzende verklaring voor recht alleen ziet op hetgeen is overwogen in 3.5.1. 3.6.2. Het hof zal Huisadviseur FD veroordelen in de proceskosten van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep. Het hof ziet aanleiding om wat betreft het te hanteren tarief in hoger beroep aan te sluiten bij tarief II omdat in hoger beroep op de gewijzigde eis recht wordt gedaan als gevolg waarvan de oorspronkelijke vordering 2 is ingetrokken. 4De uitspraak Het hof: vernietigt de vonnissen waarvan beroep en opnieuw rechtdoende: verklaart voor recht dat Huisadviseur FD jegens [appellant] is tekort geschoten; veroordeelt Huisadviseur FD in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant]
voor de eerste aanleg op € 132,42 aan dagvaardingskosten, op € 2.277,00 aan griffierecht en op € 3.858,00 aan salaris advocaat,
en voor het hoger beroep op € 139,42 aan dagvaardingskosten, op € 2.129,00 aan griffierecht en op € 2.428,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, E.H. Schulten en C.M. Salemans en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2025. griffier rolraadsheer