Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHSHE:2025:2895

Vervolg op ECLI:NL:HR:2022:1334 en ECLI:NL:GHARL:2020:9269. Het hof oordeelt dat in de hypothetische situatie later een rechtmatig besluit zou zijn genomen, dan in werkelijkheid. Voor die periode bestaat er causaal verband tussen het onrechtmatige overheidsbesluit en de gestelde schade. Het hof verwijst de procedure naar de schadestaat voor de begroting van de schade.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHSHE:2025:2895 text/xml public 2026-08-04T16:05:07 2025-10-21 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-10-21 200.330.694_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2895 text/html public 2026-08-04T15:58:54 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:2895 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 21-10-2025 / 200.330.694_01
Vervolg op ECLI:NL:HR:2022:1334 en ECLI:NL:GHARL:2020:9269. Het hof oordeelt dat in de hypothetische situatie later een rechtmatig besluit zou zijn genomen, dan in werkelijkheid. Voor die periode bestaat er causaal verband tussen het onrechtmatige overheidsbesluit en de gestelde schade. Het hof verwijst de procedure naar de schadestaat voor de begroting van de schade.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht

zaaknummer 200.330.694/01

arrest van 21 oktober 2025

in de zaak van

V.F.M. Jongerius q.q. curator in het faillissement van

Nannoka Vulcanus Industries B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.H.M. Deppenbroek te Doetinchem

tegen:

de rechtspersoon naar publiek recht

Provincie Gelderland

zetelende te [A] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.T. Wiegerink, te Den Haag

na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 30 september 2022, rolnummer 21/00517.

Het hof zal hierna de curator en Nannoka Vulcanus Industries aanduiden als Nannoka en Provincie Gelderland en haar bestuursorganen aanduiden als de Provincie.
<nr>1</nr>2.3.4.5.6.7. 8. Het voortgezette geding in hoger beroep 8.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 25 maart 2025

het verzoek van Nannoka om tussentijds cassatie beroep open te stellen

de reactie van de Provincie

de beslissing van het hof om geen tussentijds cassatie beroep open te stellen

de akte na tussenarrest van de Provincie, met een productie

de antwoord akte van Nannoka en de akte van Nannoka

de antwoord akte van de Provincie
8.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
<nr>9</nr>De verdere beoordeling
Het hof komt niet terug op bindende eindbeslissing over de begunstigingstermijn
9.1.
Beide partijen hebben het hof verzocht om terug te komen op bindende eindbeslissingen. De Provincie verzoekt het hof om terug te komen op de beslissing dat ook in de hypothetische situatie een begunstigingstermijn van vijf maanden zou zijn gehanteerd.
9.2.
Het hof overweegt dat hiermee op een geschilpunt tussen partijen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist. In beginsel is het hof hieraan in het verdere verloop van het geding gebonden. Deze gebondenheid geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
9.3.
In dit geval is daarvan geen sprake. De Provincie voert – terecht – aan dat zij bij de beslissing op het verzoek om extra tijd in de hypothetische situatie de maatstaf uit de uitspraak van 10 september 2015 van het HvJEU (HvJEU 10 september 2015, zaak C-81/14, ECLI:EU:C:2015:575) had moeten toepassen. Het hof ziet in dit betoog geen reden om terug te komen op de beslissing. De Provincie legt immers niet uit welke norm zij destijds – in 2011 in de werkelijke situatie – heeft toegepast toen zij een begunstigingstermijn van vijf maanden heeft gehanteerd. Uit de door de Provincie overgelegde notitie maakt het hof op, dat deze termijn gegund is, zodat Nannoka op andere wijze dan sluiting van de lakstraat, bijvoorbeeld door realisatie van een naverbrander of gebruik van VOS-arme lakken, een einde aan de overtreding zou kunnen maken. Over de begunstigingstermijn schrijft de Provincie in haar notitie dat “waar mogelijk ontmoedigd [werd] om begunstigingstermijnen te geven die - kort gezegd - neerkwamen op het verkapt gedogen van een overtreding of op het laten voortduren van een overtreding langer dan noodzakelijk om de overtreding te beëindigen.” Omdat de Provincie niet betoogt dat zij destijds een termijn van vijf maanden heeft gegeven als verkapte gedoogbeslissing (wat in strijd met haar eigen beleid zou zijn geweest), is er geen grond om aan te nemen dat de norm die zij destijds heeft toegepast, meebracht dat er een termijn zou worden gegeven die langer was dan noodzakelijk om de overtreding te beëindigen dan de toe te passen normen uit de uitspraak van 10 september 2015 van het HvJEU, die meebrengen dat voortzetting van de VOS-emissies na 31 oktober 2007 zo beperkt mogelijk diende te zijn, zowel in hoeveelheid als in tijd. Er is geen aanwijzing dat de Provincie bij het nemen van haar besluit in de hypothetische situatie, anders dan in de werkelijke situatie, reeds bij voorbaat de sluiting van de lakstraat als enige mogelijke optie zou zien en tot een begunstigingstermijn zou besluiten die Nannoka alleen daarvoor tijd zou geven. Daarbij komt ook dat de Provincie niet aanvoert en ook niet onderbouwt dat sinds zij de maatstaf van de uitspraak van 10 september 2015 van het HvJEU toepast, zij in vergelijkbare zaken kortere begunstigingstermijnen hanteert.
9.4.
Van een onjuiste juridische (of feitelijke) grondslag van de beslissing om ook in de hypothetische situatie uit te gaan van een begunstigingstermijn van vijf maanden, is dan ook niet gebleken.

Het hof komt niet terug op bindende eindbeslissing over het afwijzen van het verzoek
9.5.
Nannoka verzoekt het hof om terug te komen op de bindende eindbeslissing dat de Provincie het verzoek om extra tijd zou hebben afgewezen.
9.6.
In de werkelijke situatie is Nannoka gebleken dat na het onrechtmatige handhavingsbesluit de enige realistische oplossing voor Nannoka was om uit te wijken naar een andere productiefaciliteit. Zowel VOS arme lakken als een naverbrander waren, zo stelt Nannoka ook uitdrukkelijk, in 2011 niet geschikt voor haar bedrijfsvoering. Dat neemt het hof daarom ook als uitgangspunt voor de hypothetische situatie.
9.7.
Dat het bij de bestuursrechtelijke besluitvorming op de weg van de Provincie had gelegen om daarvoor de informatie te verzamelen, staat er niet in aan de weg dat Nannoka hier – in de civiele procedure over de aansprakelijkheid van de Provincie en het causaal verband met de schade – dient te stellen dat als de Provincie de juiste informatie destijds zou hebben verzameld, Nannoka extra tijd zou hebben verkregen. Het hof gaat er dus wel van uit dat Nannoka de gelegenheid zou hebben gekregen om extra informatie in te dienen en dat zij daarvan gebruik zou hebben gemaakt. Het hof gaat er niet van uit dat de Provincie na de beoordeling van die informatie, extra tijd zou hebben verleend. Immers uit de stellingen van Nannoka volgt dat in de werkelijke situatie pas in 2013 een VOS-arme lak beschikbaar is geworden, die voldeed voor haar bedrijfsvoering. Voor zover Nannoka betoogt dat in 2010 haar extra tijd tot 2013 had moeten worden gegund, om over te kunnen gaan tot ingebruikname van die VOS-arme lak, verwerpt het hof dat betoog, omdat voortzetting van de VOS-emissies na 31 oktober 2007 zo beperkt mogelijk moest zijn, zowel in hoeveelheid als in tijd. Uitstel voor een periode van 3 jaar na 2010, waarbij Nannoka niet aannemelijk maakt dat in die periode de VOS-emissies wezenlijk zouden verminderen, voldoet daaraan niet.
9.8.
Dat betekent, zoals het hof in 4.19 en 4.20 van het tussenarrest overwoog, dat uit de stellingen van Nannoka niet volgt dat er in 2010 informatie bestond op basis waarvan de Provincie haar verzoek om extra tijd had kunnen toewijzen. De Provincie zou wel informatie hebben opgevraagd en Nannoka zou aanvullende informatie hebben verstrekt aan de Provincie, maar het verzoek van Nannoka zou nadat de Provincie op basis van de informatie die Nannoka hebben versterkt en de vereiste wetenschappelijke en economische prognose en belangenafweging had gemaakt, zijn afgewezen. Het hof komt niet terug op die bindende eindbeslissing.

Bewijslastverdeling
9.9.
Nannoka verzoekt het hof om terug te komen op de beslissingen:

dat op Nannoka de stelplicht rust om te stellen en aannemelijk te maken dat de Provincie positief op het verzoek om extra tijd zou hebben beslist;

dat het hof de stelplicht voor het ontbreken van causaal verband niet bij de Provincie heeft gelegd.
9.10.
Het hof stelt voorop dat het hier niet gaat om bindende eindbeslissingen, omdat een beslissing over de stelplicht geen beslissing is over een geschilpunt tussen partijen. In het betoog van Nannoka ziet het hof onvoldoende grond om – zoals Nannoka betoogt – de bewijslast om te keren. Terecht betoogt Nannoka dat de relevante gegevens zich in het domein van de Provincie bevinden. Het is dan ook gelet daarop dat het hof de Provincie in de gelegenheid heeft gesteld dit verweer nader te onderbouwen.

Bezwaar tegen nieuwe stellingen
9.11.
Nannoka maakt bezwaar tegen, wat zij noemt, de uitbreiding met het partijdebat doordat de Provincie in de gelegenheid zou zijn gesteld om nieuwe stellingen in te nemen. Volgens Nannoka is dat in strijd met de twee conclusie regel, zoals die ook na cassatie en verwijzing geldt.
9.12.
Het hof overweegt als volgt. De Provincie betwist het causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade, met het betoog dat zij in de hypothetische situatie het verzoek om extra tijd zou hebben afgewezen, over zou zijn gegaan tot handhaving en dat ook in dat geval eerder dan op 15 juli 2011 de begunstigingstermijn zou zijn verstreken. Het debat op dit punt moest na verwijzing en cassatie heropend worden (vlg. Hoge Raad, 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9994). Dat de Provincie in de gelegenheid is gesteld om dit verweer nader te onderbouwen, nu het hier gaat om gegevens die zich in haar domein bevinden, ligt zozeer in het verlengde van het partijdebat dat er geen sprake is van strijd met de twee conclusie regel. Ook biedt artikel 22 Rv hiervoor een wettelijke grondslag. Het hof verwerpt daarom het bezwaar van Nannoka.

Besluitvorming in het hypothetische geval
9.13.
De Provincie heeft een notitie van haar medewerkers overgelegd. De notitie houdt – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende in:
9.13.1.
Het verzoek van Nannoka om extra tijd zou op 7 oktober 2010 (de peildatum) in behandeling zijn genomen, waarbij als toetsingskader de normen zoals die in de uitspraak van 10 september 2015 van het HvJEU zijn geformuleerd, zou hebben te gelden.
9.13.2.
De Provincie kent een afdeling Vergunningverlening en een afdeling Handhaving. In de hypothetische situatie zouden de afdelingen Vergunningverlening en Handhaving op 7 oktober 2010 hebben onderkend dat het verzoek om extra tijd strekte tot een besluit dat door de taakverdeling tussen de afdelingen genomen en voorbereid moest worden bij de afdeling Vergunningverlening. Gelet op de al verstreken tijd en het feit dat de overtreding voortduurde, zou dat verzoek met spoed en voorrang zijn behandeld. Nannoka zou kort daarop een termijn van vier weken gegeven zijn om het verzoek te onderbouwen met nadere informatie. Op 18 november 2010 zou die termijn verstrijken en een periode van opnieuw vier weken zou nodig zijn om te komen tot zaken zoals zorgvuldige formulering van het afwijzende besluit en de motivering daarvan, collegiale controles van die formulering, het tekenen van het afwijzende besluit en de bekendmaking van het afwijzende besluit aan Nannoka. Op 16 december 2010 zou het afwijzende besluit genomen en bekendgemaakt zijn.
9.13.3.
Tegelijkertijd zou wel de voorbereiding van het besluit om een last onder dwangsom op te leggen, door de afdeling Handhaving voortgezet zijn, in de – terechte – veronderstelling dat het verzoek om extra tijd afgewezen zou worden. Dat zou ook zo aan Nannoka gecommuniceerd zijn. De last onder dwangsom zou dan ook op 17 december 2010 zijn opgelegd.
9.14.
Nannoka voert daartegen aan dat de Provincie op het door haar gestelde moment niet rechtmatig had kunnen beslissen, omdat zij niet voldoende concreet heeft gesteld welke gegevens zij nog bij Nannoka zou hebben opgevraagd terwijl van Nannoka verstrekking van die gegevens op de voet van art. 4.2 jo 4:5 AWB had kunnen worden gevergd. Nannoka doelt daarmee onder meer op de in rov. 4.19 en 4.20 van het tussenarrest bedoelde gegevens. Evenmin stelt de Provincie over welke gegevens zij op grond van eigen onderzoek op de voet van artikel 3:2 AWB zou hebben beschikt of hoe lang het zou hebben geduurd om die te verzamelen, aldus Nannoka. Aan Nannoka zou een redelijke termijn van tenminste drie maanden zijn gegund om de gegevens te kunnen verstrekken inzake concrete aanpassingen en de daarmee gepaard gaande (actuele) eenmalige en duurzame kosten voor een alternatief. Voor de beoordeling van de aangeleverde gegevens zou de Provincie minstens een maand nodig hebben gehad. Bovendien staat vast dat de Provincie in het onderhavige geval er drie jaar (31 oktober 2007 tot 7 oktober 2020) over heeft gedaan, alvorens zij, in de veronderstelling dat zij vanaf 31 oktober 2007 tot handhavend optreden bevoegd en gehouden (gelet op de in het geding zijnde belangen die daartoe noopten) was, alvorens zij tot handhavend optreden overging. Volgens Nannoka volgt daaruit dat de Provincie helemaal niet wilde handhaven, omdat de Provincie begreep dat het voor Nannoka ondoenlijk was en eigenlijk van haar niet gevergd kon worden dat zij al aan het Oplosmiddelenbesluit voldeed en zij een reductieprogramma volgde. Volgens Nannoka moet daarom ervan worden uitgegaan dat de Provincie pas drie jaar na de beslissing op het verzoek om extra tijd zou zijn overgegaan tot handhavend optreden.
9.15.
Het hof overweegt als volgt. De Provincie was vanaf de peildatum gehouden te beslissen op het verzoek op extra tijd. Na afwijzing daarvan was de Provincie ook bevoegd en gehouden om handhaven op te treden. Dat de Provincie de overtreding nog eens drie jaar zou hebben gedoogd, acht het hof geen aannemelijk uitgangspunt.
9.16.
Het hof gaat voor de snelheid van de besluitvorming in de hypothetische situatie uit van het volgende. Op de peildatum 7 oktober 2010 zou de Provincie hebben geweten dat er sprake was van een verzoek om extra tijd en zou zij hebben beslist dat de toen door Nannoka aangeleverde informatie niet voldoende was om daarop te beslissen. De Provincie zou daarom twee weken na de peildatum aan Nannoka een termijn van vier weken hebben gegeven om aanvullende informatie te verstrekken. Nannoka zou ook aanvullende informatie hebben verstrekt, die uiterlijk zes weken na 7 oktober 2010, dus op 18 november 2010 door de Provincie zou zijn ontvangen.
9.17.
Voor het nemen van de beslissing, dat wil zeggen voor het beoordelen van de toegezonden informatie en het opstellen van het besluit, gaat het Hof uit van een periode van twaalf weken. De Provincie voert aan dat zij voor het – kort gezegd – opstellen van het besluit vier weken nodig zou hebben, maar het gaat hier om de situatie dat de Provincie een complexe wetenschappelijke en economische prognose moet maken op basis van de stukken die Nannoka daarvoor zou hebben aangeleverd. Het hof betrekt daarbij dat in werkelijkheid de Provincie bij besluit van 24 maart 2011 het besluit heeft genomen om het verzoek om extra tijd af te wijzen, terwijl in de notitie de Provincie toelicht dat zij de procedure om daarop te beslissen is begonnen in november 2010. In de uitspraak van 2016 in deze kwestie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:646) overweegt de Afdeling dat daarbij niet de door het HvJEU vereiste maatstaf is toegepast en een deugdelijke afweging over de vraag of gelet op de ontwikkeling van VOS-arme vervangingsproducten extra tijd zou moeten worden gegund niet achterwege kon blijven. Het hof overweegt hier dat in de hypothetische situatie de Provincie als onderdeel van de door het Hof van Justitie geformuleerde norm bij haar besluitvorming diende te betrekken dat de VOS-emissies na 31 oktober 2007 zo beperkt mogelijk moest zijn, zowel in hoeveelheid als in tijd. Het hof acht voldoende aannemelijk, dat gelet op die norm, de besluitvorming van de Provincie ook sneller zou zijn geweest dan in de werkelijke situatie. Tegen die achtergrond acht het hof aannemelijk dat de Provincie voor het beoordelen van de aanvullende informatie en het beslissen op het verzoek om extra tijd een periode van 12 weken nodig zou hebben gehad. Nannoka voert ook niet voldoende argumenten of concrete feiten aan om van een langere beslissingstermijn uit te gaan.
9.18.
Dat wil zeggen dat het besluit om het verzoek om extra tijd af te wijzen, in de hypothetische situatie op 10 februari 2011 aan Nannoka zou zijn toegezonden. Het hof volgt de Provincie in haar betoog dat gedurende de behandeling van het verzoek om extra tijd duidelijk zou zijn geworden dat het verzoek afgewezen zou worden en dat het besluit om een last onder dwangsom op te leggen tegelijkertijd met het verzoek om extra tijd zou worden voorbereid. Op vrijdag 11 februari 2011 zou de last onder dwangsom zijn opgelegd, met een begunstigingstermijn van 5 maanden, zodat de begunstigingstermijn zou verstrijken op 12 juli 2011.
9.19.
De begunstigingstermijn in de werkelijke situatie verstreek op 6 juni 2011. In de hypothetische situatie met een rechtmatig besluit, zou Nannoka dus pas later geconfronteerd zijn met de last onder dwangsom en pas later gedwongen zijn haar lakwerkzaamheden uit te besteden aan een bedrijf dat de VOS-normen niet overtrad, zoals zij dat ook in werkelijkheid heeft gedaan. De schade van het onrechtmatige overheidsbesluit waarvoor de Provincie aansprakelijk is, is in dit geval dus beperkt tot de schade die is geleden doordat het besluit al gold in de periode tussen 6 juni 2011 en 12 juli 2011.
9.20.
De schadevergoedingen van € 1.017.926, en € 15.376,85, te vermeerderen met wettelijke rente die Nannoka in hoger beroep vordert, zien op de periode tot en met 2016. Partijen zijn in hun stellingen uitgegaan van het bestaan van volledig causaal verband met de gestelde schade (Nannoka) en het volledig ontbreken ervan (de Provincie), maar zijn onvoldoende ingegaan op de mogelijkheid dat het hof een causaal verband aanneemt tot een bepaalde periode. Het gevolg daarvan is dat de schade niet in dit arrest begroot kan worden. Het hof zal daarom de gevorderde verklaring voor recht toewijzen en de Provincie veroordelen tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Conclusie
9.21.
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. De Provincie heeft onrechtmatig gehandeld tegenover Nannoka door het dwangsombesluit van 7 oktober 2010 jegens Nannoka uit te vaardigen. De Provincie is daarom aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van het feit dat al op 6 juni 2011 en niet pas op 12 juli 2011 Nannoka op straffe van een dwangsom aan het besluit van 7 oktober 2010 diende te voldoen. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen. Gelet op het feit dat enerzijds de Provincie wel aansprakelijk is voor een gedeelte van de gevorderde schade, maar anderzijds die aansprakelijkheid beperkt is tot de periode van 6 juni 2011 tot 12 juli 2011, terwijl de vordering ziet op de periode van 6 juni 2011 tot 2016, zijn beide partijen voor een deel in het ongelijk gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.
9.22.
De vordering van Nannoka om de Provincie te veroordelen om terug te betalen wat Nannoka uit hoofde van het vernietigde vonnis aan de Provincie heeft betaald, is toewijsbaar.
9.23.
Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
<nr>10</nr>De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
10.1.
vernietigt het vonnis van 25 oktober 2017 van de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem);
10.2.
verklaart voor recht dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Nannoka door het dwangsombesluit van 7 oktober 2010 jegens Nannoka uit te vaardigen;
10.3.
veroordeelt de Provincie tot vergoeding van de schade die Nannoka daardoor heeft geleden in de periode 6 juni 2011 tot 12 juli 2011, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
10.4.
veroordeelt de Provincie om al hetgeen Nannoka ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de Provincie heeft voldaan aan Nannoka terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag der algehele voldoening;
10.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van beide instanties draagt;
10.6.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, H.K.N. Vos en J.K.B. van Daalen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2025.

griffier rolraadsheer

Artikel delen