Vordering in incident ex art. 351 Rv. Van een financiële noodsituatie is niet gebleken.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2025:2974
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2025
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
200.357.623_01
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
ECLI:NL:GHSHE:2025:2974text/xmlpublic2026-08-05T15:59:382025-10-28Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof 's-Hertogenbosch2025-10-28200.357.623_01UitspraakHoger beroepNL's-HertogenboschCiviel recht; Personen- en familierechtWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 351Rechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:2974text/htmlpublic2026-08-05T15:49:172026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHSHE:2025:2974 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-10-2025 / 200.357.623_01 Vordering in incident ex art. 351 Rv. Van een financiële noodsituatie is niet gebleken.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht zaaknummer 200.357.623/01 arrest van 28 oktober 2025 gewezen in het incident ex at. 351 Rv in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. I. Stolting te Hoogerheide, tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. S.H.M. van den Elsen te Bergen op Zoom, op het bij exploot van dagvaarding van 15 juli 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 april 2025, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen appellante – de vrouw – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde – de man – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. Deze uitspraak gaat over de vraag of de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis moet worden geschorst totdat door het hof op de zaak is beslist. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/423143 / HA ZA 24-291) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 3 juli 2024. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad; de antwoordconclusie in het incident. Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald. 3De beoordeling In het incident 3.1. De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis: de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 27.500,-- de vrouw in reconventie veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 84.361,-- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van een week na betekening van het vonnis, tot de dag van volledige betaling; de vrouw in reconventie veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan de man te betalen een bedrag van € 761,78 wegens beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de dag van betekening van het vonnis, tot de dag van volledige betaling; de kosten van de procedure tussen partijen in conventie en reconventie gecompenseerd in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt; het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard; het meer of anders gevorderde afgewezen. 3.2. De vrouw vordert in het incident de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen totdat op het hoger beroep zal zijn beslist, met veroordeling van de man in de kosten van het incident en de nakosten. Ter toelichting voert de vrouw het volgende aan.
De man heeft beslag gelegd op de woning. De waarde van de woning in het vrije economische verkeer bedraagt minimaal € 280.000,--. Dit betekent dat de vordering van de man (circa € 57.000,--) slechts 20% van de waarde van de woning beslaat. Bij een executoriale verkoop van de woning zal de vrouw geen eigen woning meer hebben en de opbrengst een stuk lager zijn. Executie kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Het belang van de vrouw bij handhaving van haar eigendomsrecht, met name het behoud van een vaste woon- en verblijfplaats, weegt zwaarder dan het belang van de man bij het snel incasseren van zijn vordering.
De man is doende om zijn activa te vervreemden. Hij heeft een woning in Spanje gekocht en heeft daar feitelijk zijn vaste verblijfplaats. Haar auto werd door de man onrechtmatig in beslag genomen en door hem uitgevoerd naar Spanje. De vrouw vreest dat indien de reconventionele vordering van de man in hoger beroep alsnog wordt afgewezen, zij geen verhaal op de man zal kunnen hebben, omdat hij alles van de hand zal hebben gedaan.
De vrouw biedt bewijs aan van al haar stellingen met alle rechtens geoorloofde middelen, zonder onverplicht de bewijslast op zich te nemen. 3.3. De man concludeert tot ontzegging van de vordering in het incident als zijnde ongegrond en/of onbewezen, althans tot afwijzing van die vordering, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident en in de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en – voor het geval voldoening van de kostenveroordeling en de nakosten binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kostenveroordeling en de nakosten van bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht. Ter toelichting voert de man het volgende aan.
De man heeft de vrouw herhaaldelijk verzocht aan het bestreden vonnis te voldoen. Ook heeft hij haar mogelijkheden voorgehouden om aan het vonnis te kunnen voldoen. Zij is daar echter niet op in gegaan. De vrouw heeft inkomen uit loondienst, een Porsche Macan en vermogen waarmee zij de man kan voldoen, maar zij kiest ervoor om geheel niet aan het vonnis te voldoen.
Een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dient in beginsel ten uitvoer te worden gelegd. Het belang van de man bij het incasseren van zijn vordering is groter dan het belang van de vrouw. De vordering van de man dateert van medio 2020. De vrouw heeft daarna met ongegronde argumenten getracht om onder haar betalingsverplichting uit te komen. Zij miskent dat de man al jaren niet vrijelijk over zijn vermogen kan beschikken. Hij heeft de indruk dat de vrouw de afgelopen jaren heeft geprobeerd vermogensbestanddelen aan verhaal te onttrekken. Zo heeft zij ervoor gekozen om het appartement te [A] – bestemd voor verhuur – met een overwaarde van € 90.000,-- te verkopen en die opbrengst niet aan te wenden ter voldoening van de vordering van de man maar voor de aankoop van een Porsche Macan.
De woning van de vrouw is een recreatiewoning. Permanente bewoning van de recreatiewoning is niet toegestaan.
De man ontkent dat hij zijn activa zou vervreemden. Hij is middellijk eigenaar van zijn onderneming ‘Woninginrichting [xx] ’. Hij woont ernaast in de woning aan [adres] . Die woning is zijn eigendom en op dat adres staat hij ingeschreven. Hij heeft ook nog ander onroerend goed in eigendom als pensioenvoorziening. Dat hij ook een vakantieverblijf in Spanje heeft, betekent niet dat hij activa vervreemdt. Een eventuele vordering van de vrouw kan overigens ook op onroerend goed in Spanje worden verhaald.
Hij wil terugkrijgen wat de vrouw aan hem verschuldigd is. 3.4. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (art. 351 Rv) zal moeten worden onderzocht of: “sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde [hier: de vrouw] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist (…) zwaarder weegt dan het belang van (…) degene die de veroordeling heeft verkregen [hier: de man] bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Indien de uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de vorige rechter is gemotiveerd (…) zal de incidenteel eiser of verzoeker die wijziging van deze beslissing wenst [hier: de vrouw], afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, dus aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken. Indien de uitvoerbaarverklaring bij voorraad door de vorige rechter niet is gemotiveerd, hoeft de incidenteel eiser of verzoeker geen nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn schorsingsvordering of -verzoek ten grondslag te leggen.” Dit aldus het arrest van de HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026. 3.5. De rechtbank heeft de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet gemotiveerd zodat de vrouw, zoals volgt uit voornoemd arrest van de Hoge Raad, geen nieuwe feiten of omstandigheden aan haar schorsingsvordering ten grondslag hoeft te leggen. Het komt derhalve aan op een afweging van de belangen van partijen. 3.6. Het hof is van oordeel dat de vrouw niet heeft aangetoond dat haar belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, zoals door haar gevorderd, zwaarder weegt dan het – reeds gegeven – belang van de man dat met de uitvoering van het bestreden vonnis wordt gediend. De vrouw heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat zij in een financiële noodsituatie komt te verkeren indien het bestreden vonnis ten uitvoer wordt gelegd. De man heeft dit ook betwist. Het had op de weg van de vrouw gelegen om stukken in het geding te brengen waaruit zou blijken dat zij genoodzaakt zou zijn om tot verkoop van haar woning over te gaan wanneer het bestreden vonnis ten uitvoer zou worden gelegd. Ook anderszins heeft de vrouw niet aangetoond dat zij niet over de financiële middelen beschikt dan wel kan beschikken om aan de veroordeling te kunnen voldoen.
Dat er sprake is van een restitutie-risico, zoals de vrouw nog heeft gesteld, is door de man betwist en derhalve niet komen vast te staan. Bewijsaanbod 3.7. Daargelaten dat gelet op de aard van deze procedure geen plaats is voor bewijsvoering, komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de vrouw dat onvoldoende concreet en specifiek is. 3.8. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing. In de hoofdzaak 3.9. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van grieven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4De beslissing Het hof: in het incident: wijst de incidentele vordering van de vrouw af; houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak: verwijst de zaak naar de rol van 11 november 2025 voor memorie van grieven; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en A.J.F. Manders en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2025. griffier rolraadsheer