ECLI:NL:GHSHE:2025:3153text/xmlpublic2026-08-05T16:08:372025-11-10Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof 's-Hertogenbosch2025-11-04200.332.613_01UitspraakHoger beroepNL's-HertogenboschCiviel recht; VerbintenissenrechtEerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2023:5622Rechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3153text/htmlpublic2026-08-05T16:04:152026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHSHE:2025:3153 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-11-2025 / 200.332.613_01 Huurovereenkomst personenauto, algemene voorwaarden, oneerlijk beding.
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.332.613/01 arrest van 4 november 2025 in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
advocaat: mr. I.A.C. Cools te Tilburg, tegen
[geïntimeerde] , tevens handelend onder de naam van eenmanszaak [xx] Autoverhuur,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.P.H. Brinkman te ’s-Hertogenbosch, als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 8 april 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, onder zaaknummer 10212592 CV EXPL 22-4306 gewezen vonnis van 9 augustus 2023. 8Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenarrest van 8 april 2025; de akte uitlaten na tussenvonnis van de zijde van [geïntimeerde] ; de akte aan de zijde van [appellante] . Een raadsheer die het tussenarrest heeft gewezen, mr. Van Kesteren, is niet langer werkzaam bij het hof. Zij is vervangen door mr. Saelman. Partijen zijn over deze wijziging geïnformeerd. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. 9De verdere beoordeling9.1. Partijen hebben twee huurovereenkomsten gesloten voor de huur van een auto. Zij zijn in de overeenkomst een verlaagd eigen risico overeengekomen ter grootte van € 650,00. Op de huurovereenkomsten zijn de algemene huurvoorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing verklaard. De gehuurde auto is betrokken geraakt bij een botsing met een Duitse auto in [A] (Duitsland), met schade aan beide auto’s tot gevolg. Onbekend is gebleven wie de gehuurde auto op dat moment bestuurde. In deze procedure vordert [geïntimeerde] schadevergoeding van [appellante] . [appellante] stelt zich (onder meer) op het standpunt dat haar aansprakelijkheid is beperkt tot het bedrag van het overeengekomen eigen risico. [geïntimeerde] stelt dat aan [appellante] geen beroep toekomt op de beperking tot het eigen risico, omdat de schade het gevolg is van handelen of nalaten in strijd met artikel 7 van de algemene voorwaarden. Volgens [geïntimeerde] is de huurder ingevolge artikel 8 lid 3 van de algemene voorwaarden aansprakelijk voor alle schade, als die is ontstaan door handelen of nalaten in strijd met artikel 7. 9.2. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat [appellante] aansprakelijk is voor de schade aan de auto en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over twee aspecten van de zaak. Het hof heeft het beding waar [geïntimeerde] zich op beroept getoetst aan artikel 3 lid 1 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen (hierna de Richtlijn) en vastgesteld dat dit beding, in strijd met de goede trouw, de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Iedere beperking van aansprakelijkheid wordt met dit beding immers onmogelijk gemaakt. Het hof heeft overwogen dat dit er in beginsel toe leidt dat het beding buiten toepassing moet worden gelaten en [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld zich daarover nader uit te laten. Omdat de vraag of ook de vordering van [geïntimeerde] die ziet op de gederfde huurinkomsten (over de periode 18 april 2022 tot 20 juni 2022, groot € 1.591,20) onder het eigen risico valt nog geen onderwerp was geweest van het partijdebat, mochten partijen zich ook op dit punt nader uitlaten. [geïntimeerde] heeft inhoudelijk gereageerd, [appellante] heeft te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de uiteenzetting van het hof in 6.13 en 6.14 van het tussenarrest. Beding aansprakelijkheid volledige schade (eigen risico) 9.3.
[geïntimeerde] heeft zich bij akte op het standpunt gesteld dat het bepaalde in artikel 8 onder 3 in verbinding met artikel 7 van de algemene voorwaarden de toets aan de Richtlijn kan doorstaan en zegt dat hij is aangesloten bij brancheorganisatie BOVAG. Voor zover hij daarmee betoogt dat hij (dus) BOVAG voorwaarden hanteert stelt het hof het volgende vast. De Sociaal-Economische Raad (SER) heeft op zijn site gepubliceerd dat de SER het overleg tussen branche- en consumentenorganisaties faciliteert en leidt. Tijdens dit overleg bespreken de partijen de algemene voorwaarden voor consumenten. Consumentenvoorwaarden die op deze manier tot stand zijn gekomen, heten ook wel tweezijdige algemene voorwaarden, aldus de tekst op de site van de SER. Op haar site staat dat de overleggroep BOVAG onder voorzitterschap staat van [persoon A]. In de op die site gepubliceerde algemene voorwaarden van BOVAG Verhuurbedrijven particulier (2013) staat in artikel 11, Aansprakelijkheid van de huurder voor schade: 1. Huurder is in geval van schade van de verhuurder per schadegeval aansprakelijk tot het op het huurcontract vermelde eigen risico. (…)
2. Indien de schade evenwel is ontstaan ten gevolge van handelen of nalaten in strijd met artikel 8, is huurder volledig aansprakelijk voor schade van de verhuurder, tenzij hij bewijst dat dit handelen of nalaten hem niet toerekenbaar is of volledige vergoeding naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In artikel 8 van deze voorwaarden is beschreven dat huurder met het gehuurde voertuig om dient te gaan zoals een goed huurder betaamt en staat voorts een opsomming van ge- en verboden. De tenzij-clausule in het tweede deel van de eerste zin van het hiervoor geciteerde lid 2 is echter de relevante nuance die ontbreekt in de voorwaarden van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] voert verder aan dat het steeds in de macht ligt van huurder om ervoor te zorgen dat de gebeurtenissen zoals omschreven in artikel 7 van de algemene voorwaarden zich niet voordoen. Voor zover dat al zo zou zijn, leidt dat blijkens de door hem gehanteerde voorwaarden echter niet tot enige (mogelijkheid tot) beperking van de aansprakelijkheid voor de schade tot het overeengekomen eigen risico als het voertuig niet in de oorspronkelijke staat wordt teruggebracht. Dat bij aansprakelijkheid (voor de volledige schade dan wel beperkt tot het eigen risico) een onderscheid moet worden gemaakt tussen het eerste lid en de overige leden van artikel 7 zoals [geïntimeerde] betoogt kan het hof niet volgen. Daarvoor is geen aanknopingspunt te vinden in de tekst van de voorwaarden. Dat standpunt wordt dan ook verworpen. 9.4. Het hof concludeert dat artikel 8 lid 3 in verbinding met artikel 7 van de algemene voorwaarden de toets aan de Richtlijn niet kan doorstaan nu dit beding (dat aansprakelijkheid per saldo nimmer beperkt tot het (overeengekomen) eigen risico) de huurder in een juridisch minder gunstige positie plaatst dan voortvloeit uit de toepasselijke regels van het Nederlands recht. Dit leidt er toe dat het beding buiten toepassing moet worden gelaten. De schade die voor rekening van [appellante] komt wordt derhalve beperkt tot een bedrag van € 650,00. 9.5.
[geïntimeerde] heeft tot slot nog aangevoerd dat hij de werkelijke toedracht van de aanrijding te Duitsland niet kan achterhalen nu een derde met de auto is gaan rijden en die derde het schadeformulier niet heeft ingevuld. Dit zou, zo begrijpt het hof, volgens [geïntimeerde] pleiten voor algehele veroordeling van [appellante] in de volledige schade. Nu het beding waar [geïntimeerde] zich op beroept de toets aan de Richtlijn echter niet kan doorstaan en dus buiten toepassing blijft, kan dit betoog niet tot een ander oordeel leiden. Daar voegt het hof nog aan toe dat het [geïntimeerde] zelf is die, buiten aanwezigheid van [appellante] , met een derde een tweede huurovereenkomst heeft gesloten op naam van [appellante] en hij de auto vervolgens ook aan die derde heeft meegegeven. Gederfde huurinkomsten 9.6. Daarmee komt het hof toe aan de tweede kwestie waarover partijen zich mochten uitlaten, de vraag of de gederfde huurinkomsten gedurende 34 dagen, begroot op € 1.591,20 ook onder het eigen risico vallen. [geïntimeerde] vindt dat de gederfde huurinkomsten niet onder het eigen risico vallen en motiveert dat met de (feitelijke) stelling dat [appellante] de auto in bezit heeft gesteld van een derde en geen contact op heeft genomen met [geïntimeerde] om, zo begrijpt het hof, maatregelen te nemen die tot schadebeperking hadden kunnen leiden. 9.7. Naar het oordeel van het hof vormt de feitelijke toedracht, waarbij overigens niet is vast komen te staan dat [appellante] er van op de hoogte was dat haar ex-partner in de auto in Duitsland is gaan rijden op basis van de (buiten haar aanwezigheid) op haar naam gesloten huurovereenkomst, geen grond om de schade anders te kwalificeren dan schade die is ontstaan als gevolg van een gebeurtenis tijdens de huurperiode. Daarvoor geldt als uitgangspunt dat aansprakelijkheid is beperkt tot het eigen risico. Het beding dat daarop beperkingen stelt, wordt buiten toepassing gelaten. Slotsom 9.8. De slotsom luidt dat de grieven deels slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. [appellante] wordt veroordeeld tot vergoeding van schade die [geïntimeerde] leidt, evenwel beperkt tot de hoogte van het overeengekomen eigen risico. 9.9. Het hof zal [appellante] in de kosten van beide instanties veroordelen nu het hof heeft vastgesteld dat zij aansprakelijk is voor de schade. Het hof ziet in de hoogte van de toegewezen hoofdsom aanleiding de hoogte van het liquidatietarief in eerste aanleg daaraan te relateren (€ 132,- in plaats van € 396,-). De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] worden daarmee vastgesteld op: Explootkosten € 129,74 Griffierecht € 693,- Salaris advocaat/gemachtigde € 264,- (2 punten x € 132,-) Nakosten € 132,-
Totaal € 1.218,74 De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op: Griffierechten € 783,- Salaris advocaat € 1.287,- (1,5 punt(en) x tarief I) Nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.248,- De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
10De uitspraak Het hof: 10.1. vernietigt het vonnis waarvan beroep; 10.2. veroordeelt [appellante] tot betaling van € 650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, berekend vanaf 14 april 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening; 10.3. veroordeelt [appellante] in de proceskosten van de eerste aanleg tot op heden begroot op € 1.218,74; 10.4. veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de kant van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.248,- te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als [appellante] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 92,- en de kosten van betekening; 10.5. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; 10.6. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.T. Quaadvliet, P.P.M. Rousseau en J.J.M. Saelman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2025. griffier rolraadsheer