ECLI:NL:GHSHE:2026:1581text/xmlpublic2026-08-05T10:52:342026-06-16Raad voor de RechtspraaknlGerechtshof 's-Hertogenbosch2026-06-09200.364.385_01UitspraakHoger beroepNL's-HertogenboschCiviel recht; Burgerlijk procesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1581text/htmlpublic2026-08-05T10:49:522026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:GHSHE:2026:1581 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 09-06-2026 / 200.364.385_01 geen griffierecht betaald, artikel 127 lid 3 Rv
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht zaaknummer 200.364.385/01 arrest van 9 juni 2026 in de zaak van
[X Holding B.V.]
,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. W.J.J. Lamers te Amstelveen, tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
niet verschenen. op het bij exploot van dagvaarding van 25 september 2025 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 juli 2025, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [Y Holding B.V.] en [persoon A] als gedaagden en [geïntimeerde] als eiser. 1Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/421891 / HA ZA 24-218) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2Het geding in hoger beroep Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep; het tegen [geïntimeerde] verleende verstek. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. 3De beoordeling3.1.
[appellant] heeft bij dagvaardingsexploot van 25 september 2025 [geïntimeerde] opgeroepen om te verschijnen ter openbare terechtzitting van dit hof van 3 februari 2026. De zaak is ook op de rol van die datum ingeschreven. Op de rol van 17 maart 2026 is geconstateerd dat [appellant] het griffierecht nog niet had voldaan en is de zaak onder meer voor ‘Controle griffierecht appellant’ gezet. Op de rol van 14 april 2026 is geconstateerd dat [appellant] het griffierecht niet tijdig had voldaan. De zaak is vervolgens conform de bepalingen van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPR) verwezen naar de rol van 12 mei 2026 voor akte aan de zijde van appellant. [appellant] kon zich uitlaten over toepassing van artikel 127a lid 2 Rv. Op die rol heeft [appellant] geen akte genomen. De zaak is daarna voor arrest gezet. 3.2. Het hof oordeelt als volgt. 3.3. Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) diende [appellant] het griffierecht binnen vier weken na de eerste roldatum
– 3 februari 2026 – te voldoen, dus uiterlijk op 3 maart 2026. Op grond van artikel 2.7 van het LPR is die betalingstermijn met twee weken verlengd. Dat betekent dat het griffierecht van [appellant] uiterlijk op 17 maart 2026 had moeten zijn voldaan. 3.4. De zaak heeft ter controle van betaling van het griffierecht op de rol gestaan van 14 april 2026. Op die datum bleek dat [appellant] niet had betaald. 3.5. Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 Wgbz en artikel 353 juncto artikel 127a lid 2 Rv dient de rechter in beginsel ontslag van instantie uit te spreken indien [appellant] het door haar verschuldigde griffierecht niet of niet tijdig heeft voldaan. Alleen in de bij wet voorziene situatie dat toepassing van de sanctie, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mag de rechter afzien van het toepassen van de sanctie van ontslag van instantie (artikel 127a lid 3 Rv). 3.6.
[appellant] heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen beroep gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 127a lid 3 Rv. Volgens het hof staat vast dat [appellant] het griffierecht niet heeft betaald en dat de oorzaak daarvan, zonder nadere toelichting welke ontbreekt, is gelegen in een omstandigheid gelegen aan de zijde van [appellant] . Ambtshalve is het hof niet gebleken van feiten of omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv zouden rechtvaardigen. 3.7. Het voorgaande leidt ertoe dat [geïntimeerde] overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv van deze instantie zal worden ontslagen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op nihil. 4De uitspraak Het hof: ontslaat [geïntimeerde] van deze instantie; veroordeelt ESVA in de proceskosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.H. Schulten en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juni 2026. griffier rolraadsheer