Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:GHSHE:2026:1758

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van ‘zware mishandeling’ tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast wijst het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:GHSHE:2026:1758 text/xml public 2026-07-09T16:26:08 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-07-01 20-001005-24 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2024:2165 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1758 text/html public 2026-07-09T16:22:47 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:1758 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 01-07-2026 / 20-001005-24
Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van ‘zware mishandeling’ tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast wijst het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe.

Parketnummer : 20-001005-24

Uitspraak : 1 juli 2026

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 4 april 2024 onder parketnummer 02-111820-23, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 02-252905-22, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1990,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij het vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] op of omstreeks 3/4 maart 2023 te Rotterdam en/of Bergen op Zoom , in elk geval in Nederland, en/of Antwerpen, België.

De rechtbank heeft het onder feit 2 primair tenlastegelegde bewezenverklaard en dat gekwalificeerd als ‘zware mishandeling’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf, naast de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan enig strafbaar feit, een bijzondere voorwaarde verbonden in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer] .

Daarnaast heeft de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf onder parketnummer 02-252905-22.

Ten slotte heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 8.754,69, waarvan € 754,69 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2023 tot aan de dag der voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil. Ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] is daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van de gronden waarop het berust en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman van de verdachte heeft gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van aangeefster [slachtoffer] als getuige. Daarnaast heeft de raadsman vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de raadsman aangevoerd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] op of omstreeks 3/4 maart 2023 te Rotterdam en/of Bergen op Zoom , in elk geval in Nederland, en/of Antwerpen, België.

Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze vrijspraak.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat tegen deze beschermde vrijspraak is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het bestreden vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

2.hij op of omstreeks 3/4 maart 2023 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten perceptief gehoorverlies en/of traumatische tinnitus, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen (met de vuist) op/tegen het hoofd te slaan/stompen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3/4 maart 2023 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen (met de vuist) tegen/op het hoofd te slaan/stompen en/of aan de haren te trekken en/of in een houdgreep te houden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 maart 2023 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten perceptief gehoorverlies en traumatische tinnitus, heeft toegebracht door die [slachtoffer] meermalen met de vuist op/tegen het hoofd te stompen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, districtsrecherche De Markiezaten, onderzoeksnummer ZB2R023021 / Polar, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en gesloten d.d. 20 juni 2023, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-107.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 16 maart 2023, dossierpagina’s 8-11, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Ik wil aangifte doen van zware mishandeling door mijn ex-vriend, genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1990 te [geboorteplaats] .

Wij zijn op een parkeerplek gestopt in Rotterdam. Dit was ter hoogte van een benzinepompen ik zag dat dit in de buurt was van parkeergarage Hofplein. Het was vroeg in de ochtend van 4 maart 2023. Ik voelde en ik zag dat [verdachte] (het hof begrijpt telkens: de verdachte) mijn nek opzettelijk en met kracht klemde met één van zijn armen en met zijn andere vrije arm voelde ik dat hij mij opzettelijk en met kracht diverse vuistslagen gaf in mijn gezicht. Ik voelde pijn. Ik voelde dat [verdachte] mij aan mijn haren trok en terugtrok de auto in. Daarna kreeg ik wederom een aantal vuistslagen in mijn gezicht. De volgende poging lukte om uit de auto te stappen en ik ben gaan rennen. Ik ben naar een aldaar geparkeerd busje gelopen ter hoogte van de parkeergarage en ik heb de inzittenden aangesproken. Dit bleek een jong stel te zijn, een jongen en een meisje. Ik hoorde één van hen zeggen dat er bloed kwam uit mijn oor. Ik ben afgezet bij mijn vriendin [getuige 1] in Bergen op Zoom . Er kwam allemaal bloed uit mijn rechteroor. Ik had een grote bult aan de linkerkant van mijn voorhoofd en boven mijn rechteroor een wondje, wat zo langs mijn rechteroor sijpelde.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2023, dossierpagina’s 76-77, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 16 mei 2023 te 11.30 uur nam ik telefonisch contact op met aangeefster [slachtoffer] in het onderzoek Polar. (…) Ik hoorde haar zeggen dat ze uit de auto wilde stappen en dat ze daarna weer klappen kreeg. Vervolgens kon ze ontkomen door weg te rennen. Ze verklaarde dat ze hierbij niet ten val was gekomen.

3. De eigen waarneming van dit hof ten aanzien van de foto’s van aangeefster [slachtoffer] op dossierpagina 12, zoals gedaan in raadkamer naar aanleiding van de terechtzitting van 17 juni 2026, voor zover inhoudende:

Het hof neemt waar dat op pagina 12 drie foto’s zichtbaar zijn. Het hof neemt waar dat op de linker foto het rechteroor van [slachtoffer] zichtbaar is. Rondom dit oor en tot en met de kaak is bloed te zien. Ook op de middelste foto is het rechteroor van [slachtoffer] te zien. Boven het oor is een wond en bloed zichtbaar. Op de rechterfoto is de linkerkant van het voorhoofd van [slachtoffer] te zien. Hierop is een bult zichtbaar.

4. Het schriftelijk bescheid, te weten de geneeskundige verklaring d.d. 15 maart 2023, dossierpagina’s 24-25, voor zover inhoudende:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1995.Datum: 15 maart 2023.

Omschrijving:buil op re voorhoofd, oud wondje op li slaap.piep in li oor tgv klap  verw KNO.

5. Het schriftelijk bescheid, te weten de brief van KNO-arts [naam] van het Bravis ziekenhuis d.d. 24 april 2023, dossierpagina’s 26-27, voor zover inhoudende:

[slachtoffer] zagen wij op 18 april 2023 op de Polikliniek KNO.
Aanvullend onderzoekToon geleidings bas verlies rechts, perceptief hoge tonen verlies rechts. Na meerdere onderzoeken ook enige progressie waarneembaar, laatste test toont ongeveer 40 dB perceptief gehoorverlies rechts, mevrouw komt derhalve in aanmerking voor hoortoestel rechts.
Beleid<?linebreak?>Hoortoestel rechts bij ernstige traumatische tinnitus en perceptieve gehoor vermindering na<?linebreak?>hoofd trauma bij mishandeling.
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 maart 2023, dossierpagina’s 50-52, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1] :

A: Ik ben ’s nachts opgebeld door [slachtoffer] . Toen kreeg ik een jongen aan de lijn. Dat was een omstander daar uit Rotterdam, die [slachtoffer] had opgevangen. Ik hoorde ook nog een andere vrouwenstem. Dat was kennelijk een koppeltje. Die jongen vertelde dat [slachtoffer] in paniek was, dat het uit de hand gelopen was en dat [slachtoffer] onder het bloed zat. Hij vroeg mij waar [slachtoffer] naartoe gebracht kon worden. Ik heb mijn adres door geappt naar het telefoonnummer van [slachtoffer] . Toen stonden zij voor de deur. [slachtoffer] barstte direct in tranen uit. Ik heb haar mee naar binnen genomen. Het was ongeveer half 6/6 uur in de ochtend. Ze was echt heel erg geshockeerd, ze zat te hyperventileren.

V: Wat zat er onder het bloed?A: Haar oor, volgens mij rechts. Op haar slaap. Op haar hoofd, aan de andere kant, op de voorhoofd een grote bult zitten. Echt een ei. Haar kleren zaten onder het bloed. Ze was aan het rieren, soort van trillen. Ze bleef bij mij tot ze rustig werd, dat zal anderhalf uur, misschien wel twee uur zijn geweest. Daarna heb ik haar naar huis gebracht en op bed gelegd.

V: Wanneer is dat geweest?

A: 4 maart 2023. (…) Het zag er niet goed uit. Ze had ook heel veel pijn zei ze.

V: Heb jij foto’s gemaakt van het letsel?A: Ja.

7. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris d.d. 27 februari 2025, voor zover inhoudende:

Raadsheer-commissaris: Wat kunt u vertellen over de foto’s op pagina 12?

Getuige: Die foto’s heb ik inderdaad gemaakt. Ze zat onder het bloed en ze had een hele

grote bult op haar hoofd.

8. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 maart 2023, dossierpagina 53, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] :

Ik was op die dag met mijn vriend naar een feestje in Rotterdam. Dat feestje was om 05.00 uur afgelopen en we liepen naar de auto bij de parkeerplaats daar. Mijn vriend, [getuige 3] , zag een meisje ruzie hebben met een jongen in een auto. Zij was uit de auto gestapt en toen heeft [getuige 3] ingegrepen. Dat meisje heb ik toen in onze auto gezet. We zagen namelijk dat zij bloed uit haar oor had. Wij hebben gevraagd aan haar waar we haar naartoe konden brengen. Dat was naar Bergen op Zoom naar een vriendin. Daar hebben we haar afgezet. Ze vertelde dat zij met haar vriend was geweest. Ze vertelde dat zij geslagen was door hem, waardoor zij bloed uit haar oor had.

9. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris d.d. 27 februari 2025, voor zover inhoudende:

Getuige: Ik zag haar uitstappen. Ze strompelde een beetje eerst. Ik weet nog dat [getuige 3] haar een beetje hielp om haar naar onze auto te sturen. Ze viel een beetje paniekerig in mijn armen en ik heb haar toen in onze auto geholpen.

Raadsheer-commissaris: Ze strompelde, is ze gevallen?

Getuige: Nee, ze is niet gevallen.

10. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 maart 2023, dossierpagina’s 56-57, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 3] :

A: Ik liep samen met mijn vriendin [getuige 2] naar de parkeergarage. Ik zag dat er onenigheid was in de auto die daar geparkeerd stond. Deze stond voor de uitgang van de parkeergarage. Ik heb mijn auto gehaald. Toen zag ik dat meisje. [slachtoffer] heette ze volgens mij. Ik zag dat zij uit de auto stapte en haar hoofd vasthield. Ik ben toen uitgestapt, want ik kon ook niet verder en de ruzie was nog niet over tussen hen. Ik zei tegen die gast: ‘Wat doe je?’ Hij deed net of zijn neus bloedde. Ik zei: ‘We brengen haar naar huis, dit gaat hem niet worden.’ [slachtoffer] durfde niet in de auto bij die jongen te stappen. Ze was helemaal aan het huilen. Wij hebben haar toen afgezet bij een vriendin van haar in Bergen op Zoom .

V: Welke verwondingen heb jij bij [slachtoffer] gezien?A: Ze bloedde uit haar oor. Net boven haar oor had ze ook een wond. Ze had ook allemaal bloed aan haar hand. In ieder geval één kant van haar hoofd zag er niet lekker uit.

Bewijsoverwegingen

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer] , haar letsel en de verklaringen van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] . Hoewel aangeefster [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris niet volledig door de verdediging kon worden gehoord, kan haar verklaring wel gebruikt worden voor het bewijs. Haar verklaring is immers betrouwbaar en vindt steun in de overige bewijsmiddelen, aldus de advocaat-generaal.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daarbij is door de raadsman primair gepersisteerd bij het eerder gedane verzoek tot het horen van aangeefster [slachtoffer] als getuige, nu de verdediging de betrouwbaarheid van haar verklaring wenst te toetsen. Er is volgens de verdediging sprake van onwil bij aangeefster om te verklaren over de betreffende avond. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verklaring van aangeefster dient te worden uitgesloten van het bewijs. Er zijn geen counterbalancing measures geweest voor het niet verder kunnen horen van aangeefster teneinde de betrouwbaarheid van haar verklaring te kunnen toetsen.

De verdachte ontkent daarbij aangeefster te hebben mishandeld. Hij heeft tijdens zijn politieverhoor een alternatief scenario naar voren gebracht, namelijk dat aangeefster met het uitstappen uit de auto is gevallen en tegen een deur aan zou zijn gevallen, waardoor zij letsel heeft opgelopen. De raadsman heeft bepleit dat dit alternatieve scenario aannemelijk is, nu getuigen [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] de vermeende mishandeling zelf niet hebben waargenomen. De verklaringen van de getuigen sluiten het alternatieve scenario van de verdachte derhalve niet uit. Er is voorts geen nader onderzoek verricht naar het door de verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario.

Ten slotte kan de datum waarop het letsel bij aangeefster is toegebracht niet worden vastgesteld. Het bloed bij aangeefster was immers al opgedroogd en in de geneeskundige verklaring is ‘oren: gb’ opgenomen, hetgeen volgens de raadsman op ‘geen bijzonderheden’ duidt.

Het oordeel van het hof

De verklaring van aangeefster [slachtoffer]

Het hof stelt vast dat in hoger beroep de poortraadsheer het verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal getuigen heeft toegewezen, waaronder aangeefster [slachtoffer] . Op 10 april 2025 vond het verhoor van [slachtoffer] plaats, welk verhoor voortijdig is beëindigd omdat de getuige emotioneel was en aangaf dat het haar niet meer lukte om vragen te beantwoorden. Daaropvolgend heeft drs. S. Labrijn , GZ-psycholoog, in opdracht van de raadsheer-commissaris een rapport opgemaakt omtrent [slachtoffer] , welk rapport op 24 oktober 2025 door het kabinet van de raadsheer-commissaris is ontvangen. Uit dit rapport blijkt dat er zeer sterke aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de psychische gezondheid en het welzijn van [slachtoffer] in gevaar worden gebracht door het afleggen van een verklaring als getuige in de onderhavige strafzaak, ongeacht de setting waarin zij zal worden gehoord. Confrontaties met de traumatische gebeurtenis en met de verdachte lijden ertoe dat symptomen van een posttraumatische stressstoornis zullen opvlammen. Dat wil zeggen dat [slachtoffer] zal kampen met angsten, slapeloosheid, onrust en psychische instabiliteit bij confrontaties met herinneringen of de traumatische gebeurtenissen. Zij zal sterke lijdensdruk ervaren in de vorm van psychische en lichamelijke klachten. Op grond van dit rapport heeft de raadsheer-commissaris bij proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 november 2025 beslist dat getuige [slachtoffer] niet zal worden gehoord, nu het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid en/of het welzijn van getuige [slachtoffer] door het afleggen van een verklaring in de onderhavige strafzaak in gevaar wordt gebracht, en dat het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om de getuige te kunnen (laten) ondervragen.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij het verzoek tot het horen van aangeefster [slachtoffer] als getuige. In het kader van dat verzoek stelt het hof vast dat er na het opmaken van het hierboven genoemde rapport door drs. S. Labrijn geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die thans tot een andere conclusie met betrekking tot de gezondheid en/of het welzijn van getuige [slachtoffer] zouden leiden. Anders dan de raadsman is het hof niet gebleken dat er sprake zou zijn van onwil aan de zijde van [slachtoffer] om te verklaren over het tenlastegelegde. Het hof zal dan ook het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de raadsman om aangeefster [slachtoffer] alsnog te doen horen afwijzen, nu nog altijd het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid en/of het welzijn van getuige [slachtoffer] door het afleggen van een verklaring in de onderhavige strafzaak in gevaar wordt gebracht, en dat het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om de getuige te kunnen (laten) ondervragen.

Het hof ziet zich daaropvolgend voor de vraag gesteld of de verklaring van aangeefster [slachtoffer] gebezigd kan worden voor het bewijs of dat deze daarvan dient te worden uitgesloten.

Het hof overweegt dat in gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, de rechter moet nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2)

Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.)

Bij dit onderzoek naar het bestaan van voldoende compenserende factoren – waaronder ook procedurele waarborgen – voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid, gaat het er in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Het gaat daarbij om voldoende compenserende factoren voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverweging 2.12.2).

Het hof stelt in dat kader ten eerste vast dat de reden dat het ondervragingsrecht van de verdediging ten aanzien van getuige [slachtoffer] niet volledig kon worden uitgeoefend is gelegen in de omstandigheid dat de gezondheid en/of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring in de onderhavige strafzaak in gevaar wordt gebracht. Daaropvolgend wordt het gewicht van de verklaring van aangeefster [slachtoffer] naar het oordeel van het hof mede bepaald in de omstandigheid dat haar verklaring op belangrijke onderdelen steun vindt in de verklaringen van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] , welke getuigen zowel bij de politie als later bij de raadsheer-commissaris verklaringen hebben afgelegd. Getuigen [getuige 3] en [getuige 2] hebben immers verklaard dat zij zagen dat aangeefster [slachtoffer] in de auto met de verdachte een onenigheid of ruzie had en dat er bij het verlaten van die auto bloed uit haar oor kwam en dat er bloed boven haar oor zat. Ook getuige [getuige 1] heeft kort na de mishandeling letsel bij [slachtoffer] waargenomen en heeft daarvan foto’s gemaakt (dossierpagina 12 van het politiedossier), welk letsel past bij de verklaring van [slachtoffer] . Gelet daarop is het hof van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] niet het enige of doorslaggevende (‘sole or decisive’) bewijs in deze strafzaak vormt. Nu de verklaring van aangeefster [slachtoffer] steun vindt in de getuigenverklaringen van [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] en de door [getuige 1] meteen na het incident gemaakte foto’s van het letsel van [slachtoffer] , en haar letsel past bij de door haar afgelegde verklaring, acht het hof haar verklaring dan ook betrouwbaar. Dat de mishandeling van [slachtoffer] door de getuigen niet daadwerkelijk is waargenomen, doet aan die betrouwbaarheid niets af.

Ten slotte is het hof van oordeel dat, ondanks dat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van getuige [slachtoffer] het ondervragingsrecht uit te oefenen, er sprake is van compenserende factoren die daartoe voldoende compensatie bieden. Immers heeft de verdediging bij het verhoor van [slachtoffer] d.d. 10 april 2025 bij de raadsheer-commissaris wel enkele vragen aan de getuige kunnen stellen voordat het verhoor voortijdig werd beëindigd. Ook heeft de verdediging tijdens de verhoren van de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 1] bij de raadsheer-commissaris gebruik gemaakt van de gelegenheid vragen te stellen aan deze getuigen.

Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om aangeefster [slachtoffer] door de verdediging als getuige te (doen) ondervragen voldoende is gecompenseerd en dat is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het hof acht de verklaring van aangeefster [slachtoffer] betrouwbaar en is van oordeel dat die verklaring voor het bewijs gebezigd kan worden. Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van [slachtoffer] wordt dan ook verworpen.

Vaststelling feiten en omstandigheden

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast. [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij op 4 maart 2023 met de verdachte in een auto zat op een parkeerplaats in Rotterdam. De verdachte heeft toen meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd geslagen. Vervolgens is [slachtoffer] uit de auto gestapt en is zij naar een geparkeerd busje gelopen, waar getuigen [getuige 3] en [getuige 2] in zaten. Getuigen [getuige 3] en [getuige 2]hebben gezien dat de verdachte en [slachtoffer] ruzie hadden in de auto en dat [slachtoffer] uit de auto is gestapt. Ze zagen dat er bloed uit het oor van [slachtoffer] kwam en dat er bloed boven haar oor en op haar hand zat. Getuige [getuige 3] heeft verder gezien dat [slachtoffer] haar hoofd vasthield toen ze uit de auto stapte. De getuigen hebben haar vervolgens afgezet bij [getuige 1] , een vriendin van [slachtoffer] . [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] direct in tranen uitbarstte en in shock was toen ze bij haar werd gebracht. [getuige 1] heeft gezien dat het rechteroor van [slachtoffer] onder het bloed zat, dat er bloed op haar slaap en kleding zat en op haar voorhoofd een grote bult. [getuige 1] heeft foto’s gemaakt van het letsel (dossierpagina 12 van het politiedossier) en heeft [slachtoffer] na ongeveer twee uur, toen zij rustig was, naar huis gebracht.

Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat aangeefster [slachtoffer] met het uitstappen uit de auto is gevallen en tegen een deur aan zou zijn gevallen waardoor zij letsel heeft opgelopen, wordt weerlegt door de gebezigde bewijsmiddelen. [slachtoffer] heeft immers telefonisch tegenover verbalisant [verbalisant 2] verklaard dat zij bij het ontkomen uit de auto niet ten val is gekomen en ook getuigen [getuige 3] en [getuige 2] hebben aangeefster niet zien vallen nadat zij de auto verliet. Het letsel bij [slachtoffer] past ook niet bij het scenario dat zij tegen een deur aan zou zijn gevallen.

Met betrekking tot het moment waarop het letsel bij [slachtoffer] is ontstaan, is voor het hof voldoende komen vast te staan dit letsel is ontstaan op het moment dat de verdachte [slachtoffer] in de auto op de parkeerplaats in Rotterdam meermalen met zijn vuist tegen haar hoofd heeft gestompt. Zoals het hof eerder heeft overwogen vindt de verklaring van [slachtoffer] immers steun in de verklaringen van getuigen [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 1] . De getuigen hebben onder meer gezien dat [slachtoffer] haar hoofd vast hield toen ze bij de verdachte uit de auto stapte ( [getuige 3] ) en dat toen haar oor bloedde ( [getuige 2] en [getuige 3] ) en dat haar kleding onder bloed zat ( [getuige 1] ). Het door de artsen geconstateerde letsel bij [slachtoffer] past bij de door de verdachte verrichte geweldshandelingen en ook bij het letsel dat te zien is op de foto’s (dossierpagina 12 van het politiedossier) die [getuige 1] kort na het incident heeft gemaakt. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is er niet slechts sprake geweest van opgedroogd bloed bij aangeefster. Dat de geneeskundige verklaringen van enige tijd na het toebrengen van het letsel zijn, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet aan dat oordeel niets af.

Zwaar lichamelijk letsel Uit de geneeskundige verklaring van 15 maart 2023 blijkt dat [slachtoffer] een bult op haarvoorhoofd en een piep in haar oor heeft. Voor de piep in haar oor is zij verwezen naar eenKNO-arts. [slachtoffer] is op 18 april 2023 in het Bravis ziekenhuis geweest. Daar isgebleken dat [slachtoffer] ernstige traumatische tinnitus en gehoorvermindering heeft. Voor dit letsel is het plaatsen van een hoortoestel noodzakelijk geweest. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden afgeleid dat [slachtoffer] een verleden kent met tinnitus en gehoorverlies.

Tinnitus heeft naar algemene ervaringsregels een beperkende en storende invloed op het gehoor, wat zijn weerslag heeft op het (beroepsmatig) functioneren en op het algehele welbevinden. Daarnaast is er geen uitzicht op (volledig) herstel. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat dit letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Daarnaast is er voor wat betreft het gehoorverlies volgens de verklaringen het gebruik van een gehoorapparaat nodig en is er geen melding van mogelijkheid tot verbetering. Ook dit gehoorverlies wordt, gelet op de aard van het letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het beperkte uitzicht op herstel, aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

Opzet op zwaar lichamelijk letsel Het hof is van oordeel dat op grond van de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] . De vraag waar het hof zich voor ziet is of de verdachte met zijn handelen daartoe voorwaardelijk opzet heeft gehad.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Bij de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat zij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte meermalen met de vuist op het hoofdvan [slachtoffer] heeft geslagen. Daarbij heeft de verdachte de nek van aangeefster geklemd met één van zijn armen en heeft hij met zijn andere vrije arm met kracht diverse vuistslagen in het gezicht van [slachtoffer] gegeven. Ook heeft de verdachte aangeefster aan haar haren getrokken en terug de auto in getrokken, waarna hij wederom een aantal vuistslagen in het gezicht van aangeefster heeft gegeven. Dat de verdachte daarbij ook met kracht het rechteroor van aangeefster, en daarmee de zijkant van haar hoofd, heeft geraakt, volgt uit de aard van het letsel.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en het hoofd kwetsbare onderdelen zijn van het lichaam, door de zich daar bevindende (vitale) onderdelen zoals de slaap en de hersenen. Ook aan ogen en oren kan eenvoudig blijvend letsel worden toegebracht. De kans dat iemand die meermalen met de vuist op (de zijkant van) het hoofd wordt geslagen zwaar lichamelijk letsel oploopt, is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Temeer wanneer het hoofd daarbij min of meer wordt gefixeerd. De handelingen van de verdachte moeten naar hun aard en uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden geacht daarop gericht te zijn geweest, aangezien de verdachte meermalen met zijn vuist op (de zijkant van) het gefixeerde hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Door zo te handelen heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte (op zijn minst) voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] heeft gehad.

Conclusie

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder feit 2 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
zware mishandeling.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 4 maart 2023 schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer] . Terwijl zij samen in de auto zaten, heeft hij meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd gestompt. Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] perceptief gehoorverlies en traumatische tinnitus opgelopen. Zij draagt daarom inmiddels een gehoortoestel. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Uit de toelichting van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring die haar advocate ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgelezen, volgt tevens dat de zware mishandeling een grote impact op [slachtoffer] heeft gehad. Het slachtoffer ondervindt nog steeds dagelijks de gevolgen van de mishandeling. Bovendien brengt dergelijk handelen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, waaronder voor geweldsfeiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, gelet op de veroordeling door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 12 juni 2023. In die zaak is eveneens sprake geweest van (ex)partnermishandeling.

Het hof houdt in strafverzwarende zin rekening met de houding van de verdachte. Hij heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Daarnaast heeft het hof kennis genomen van de reclasseringsadviezen d.d. 5 juni 2026 en 12 maart 2024. Uit het meest recente reclasseringsadvies komt als conclusie naar voren dat op basis van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie er een specifiek delictpatroon wordt waargenomen, waarin de verdachte gewelddadig en stalkend gedrag laat zien richting zijn ex-partner(s) na het verbreken van de relatie. Doordat de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het opstellen van het adviesrapport, is het niet mogelijk geweest om een delictanalyse op te stellen. Hierdoor ontbreekt voldoende informatie om vast te stellen welke leefgebieden een rol hebben gespeeld bij het tenlastegelegde feit. Indien het hof tot een bewezenverklaring komt, acht de reclassering het, gelet op de aard van de verdenking en de inhoud van het dossier aannemelijk dat de factoren gelegen binnen de relationele sfeer, het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte van invloed kunnen zijn geweest op het tenlastegelegde gedrag. De reclassering stelt te weinig zicht te hebben op de persoon en achterliggende motieven, dan wel aanwezigheid van risicofactoren. Derhalve kon de reclassering geen passend advies geven over de afdoening en/of (de haalbaarheid c.q. noodzaak van) eventuele in te zetten interventies. De reclassering merkte daarbij op dat in het verleden meerdere hulpverleningstrajecten zijn opgestart en negatief zijn beëindigd. Dit kan duiden op onvoldoende intrinsieke motivatie voor hulpverlening, gedragsverandering en/of het volgen van een forensisch kader.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsman heeft in dat kader ter terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte een omgangsregeling heeft met zijn kinderen en dat hij als bezorger in dienstverband werkzaam is.

Het hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen door dit hof worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichtere sanctie dan een deels onvoorwaardelijke straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde kan naar het oordeel van het hof tevens niet worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde, dan wel de door de rechtbank opgelegde straf.

Alles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Hoewel de advocate van het slachtoffer [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep het hof heeft verzocht om aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer op te leggen, ziet het hof – gelet op de omstandigheid dat de verdachte sinds 2025 geen contact meer heeft gezocht met het slachtoffer – geen aanleiding tot oplegging van een dergelijk contactverbod over te gaan.

Redelijke termijn

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Namens de verdachte is op 9 april 2024 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 1 juli 2026 – einduitspraak. Derhalve is niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep eindarrest gewezen. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep bedraagt daarmee bijna drie maanden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen is het hof niet gebleken.

Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof één maand van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal omzetten in een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.

Opheffing van het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis

De verdachte is op 15 mei 2023 in verzekering gesteld. Op 17 mei 2023 is door de rechter-commissaris een bevel tot bewaring van de verdachte verleend, waarna voorlopige hechtenis is gevolgd. Deze voorlopige hechtenis is bij bevel van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 mei 2023 met ingang van diezelfde dag geschorst onder de daarin genoemde voorwaarden.

Het hof acht thans termen aanwezig het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij gebrek aan actuele gronden op te heffen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 8.964,59, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering valt uiteen in de volgende posten:

€ 459,69 aan reiskosten;

€ 295,00 aan kosten fysiotherapie;

€ 200,00 aan toekomstige kosten fysiotherapie;

€ 9,90 aan toekomstige reiskosten, en

€ 8.000,00 aan smartengeld.

De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 8.754,69, waarvan € 754,69 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 maart 2023 tot aan de dag der voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. De rechtbank heeft de verdachte daarbij veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van de uitspraak begroot op nihil.

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft schriftelijk te kennen gegeven de gehele vordering tot schadevergoeding in hoger beroep te handhaven. De advocate van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof gevraagd de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding te bevestigen. De benadeelde partij heeft de vordering ten aanzien van de posten iii. en iv. niet meer gehandhaafd.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de benadeelde partij [slachtoffer] in verband met de bepleite vrijspraak in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

Materiële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van de zware mishandeling reiskosten gemaakt naar de Safegroup in Breda voor een kennismakingsgesprek en behandelingen, naar de GZ-psycholoog voor EMDR-behandelingen en naar het ziekenhuis en de fysiotherapeut voor diverse afspraken. In totaal heeft zij zeven behandelingen bij de fysiotherapeut gehad.

Het hof stelt vast dat de gevorderde schade onder de posten i. (reiskosten) en ii. (fysiotherapie) door de verdediging niet inhoudelijk zijn betwist en dat deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd. Derhalve zal het hof de materiële schade voor een bedrag van € 754,69 toewijzen.

Immateriële schade

Het hof overweegt dat artikel 6:106 BW een limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van lichamelijk letsel dat de benadeelde heeft opgelopen, de benadeelde in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast.

Het hof stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft de benadeelde partij zwaar mishandeld door haar meerdere keren met zijn vuist op haar hoofd te slaan. Als gevolg van deze zware mishandeling heeft de benadeelde partij ernstige traumatische tinnitus en gehoorschade opgelopen en moet zij inmiddels een hoortoestel dragen. Tinnitus is een hinderlijke aandoening met een beperkende en storende invloed op het gehoor, waardoor deze aandoening grote gevolgen heeft voor het dagelijks leven en het algehele welbevinden. Er is bij deze aandoening geen zicht op volledig herstel. Dat de benadeelde partij op 30-jarige leeftijd door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte een gehoortoestel moet dragen, is daarbij erg ingrijpend.

Daarnaast heeft de benadeelde partij ten gevolge van het bewezenverklaarde geestelijk letsel opgelopen, in de vorm van een posttraumatische stressreactie. De benadeelde partij heeft daarvoor EMDR-behandelingen gehad. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde de gevolgen van de daden van de verdachte nog elke dag bij zich draagt.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit, de gevolgen daarvan voor de benadeelde, zoals hiervoor omschreven, en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechter in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, begroot het hof de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 8.000,00.

Conclusie

Aldus is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 8.754,69, bestaande uit € 754,69 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering tot voornoemd totaalbedrag toewijsbaar is.

Wettelijke rente

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Wat betreft de materiële schade zal het hof uitgaan van de datum van het indienen van de vordering tot schadevergoeding (22 februari 2024) en voor wat betreft de immateriële schade van de datum dat het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden (4 maart 2023).

Proceskosten

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten. Beide kostenposten worden tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 8.754,69. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de in het dictum genoemde aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant heeft bij vordering van 20 februari 2024 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 juni 2023 onder parketnummer 02-252905-22 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof stelt vast dat de pleegdatum van het bewezenverklaarde feit buiten de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ligt. Gelet daarop zal het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.754,69 (achtduizend zevenhonderdvierenvijftig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 754,69 (zevenhonderdvierenvijftig euro en negenenzestig cent) als vergoeding van materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder feit 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.754,69 (achtduizend zevenhonderdvierenvijftig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 754,69 (zevenhonderdvierenvijftig euro en negenenzestig cent) materiële schadevergoeding en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 68 (achtenzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 februari 2024 en van de immateriële schade op 4 maart 2023;

verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-252905-22.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,

en op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Artikel delen