Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:HR:1977:AB6958

Cassatiemiddel dat bij vergissing niet volledig in cassatiedagvaarding is opgenomen en daarom niet voldoet aan de eisen van art. 407 Rv. Rectificatie mogelijk?

Hoge Raad 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:HR:1977:AB6958 text/xml public 2026-08-03T16:46:43 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AB6958 Hoge Raad 1977-03-04 11 060 Uitspraak Cassatie NL Den Haag Civiel recht Conclusie: ECLI:NL:PHR:1977:AB6958 Rechtspraak.nl NJ 1977, 520 met annotatie van W.H. Heemskerk http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1977:AB6958 text/html public 2026-08-03T16:43:22 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:1977:AB6958 Hoge Raad , 04-03-1977 / 11 060
Cassatiemiddel dat bij vergissing niet volledig in cassatiedagvaarding is opgenomen en daarom niet voldoet aan de eisen van art. 407 Rv. Rectificatie mogelijk?

4 maart 1977

E.K.

De Hoge Raad der Nederlanden,

in de zaak nr. 11.060 van

[eiseres] , echtgenote van [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], eiseres tot cassatie van een tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 januari 1976, kosteloos procederende ingevolge beschikking van de Hoge Raad van 11 juni 1976, vertegenwoordig door Mr. J.A. Schuering, advocaat bij de Hoge Raad,

tegen

1. De Nederlandsche Mensendieckbond, gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en

2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats], verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. F.N. Meijer, eveneens advocaat bij de Hoge Raad;

Gehoord partijen;

Gehoord de Procureur-Generaal van Oosten, concluderende tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair tot verwerping van het beroep, met verwijzing van de eiseres in de kosten aan de zijde van de verweerders op de voorziening gevallen;

Gezien het bestreden arrest en de overige gedingstukken, waaruit - voor zover in cassatie van belang - blijkt:

dat eiseres tot cassatie - [eiseres] - en drie naamloze vennootschappen, die niet meer in het geding zijn, bij exploten van 19 januari 1972 de verweerders in cassatie - verder te noemen de Bond en [verweerder 2] - hebben gedaagd voor de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam en op in de dagvaarding nader ontwikkelde gronden hebben gevorderd:

"1. nietig te verklaren, althans te vernietigen, de overeenkomst, gesloten tussen [eiseres] en de Bond van 10 februari 1964, voor zover daarbij [eiseres] zich verbonden heeft om:

a. gedurende de opleiding noch direkt, noch indirekt, noch gesalarieerd, noch ongesalarieerd, werkzaam te zullen zijn in verband met het onderricht in Mensendieck- oefeningen, behalve voor zover de opleidster dit voor de opleiding van de candidate noodzakelijk acht;

b. bij onderbreken van de opleiding geen onderricht in de Mensendieckoefeningen te zullen geven of behulpzaam te zullen zijn bij dit onderricht;

c. wanneer het diploma van de bond zal zijn verkregen zich te zullen houden aan de verplichtingen voortvloeiende uit de statuten en het huishoudelijk reglement van de bond ;

d. aan het bestuur van de bond schriftelijk mede te delen, waar zij van plan is zich te vestigen en hieromtrent vooraf schriftelijk met het bestuur in overleg te treden;

e. zolang zij in haar beroep het Mensendieck-systeem geheel of gedeeltelijk in toepassing brengt, daarnaast, of tezamen daarmede geen andere systemen van lichamelijke opvoeding, massage, gymnastiek, of lichaamsbeweging in de ruimste zin dier woorden genomen, geheel of gedeeltelijk toe te passen;

2. De Bond en [verweerder 2], zowel tezamen als ieder afzonderlijk, te veroordelen om zich te onthouden van het zich op enigerlei wijze naar buiten doen kennen als, hoe dan ook door of namens Mevrouw [betrokkene 2] al of niet enig gerechtigde of gemachtigde tot het voeren van de naam Mensendieck, al of niet tezamen met andere aanduidingen en voorts zich te onthouden van elke publicatie of mededeling, waarin wordt vermeld of gesuggereerd, dat bij uitsluiting leden van de Nederlandsche Mensendieckbond bevoegd zijn tot toepassing van enige therapie volgens de Mensendieckmethode, op straffe van een dwansom van f 10.000, -- voor iedere maal, dat zij of een harer na het te wijzen vonnis hiermede in strijd zullen handelen;

3. te verklaren voor recht, dat de Bond en [verweerder 2], zowel tezamen als ieder afzonderlijk, niet gerechtigd zijn (is) of waren (was) [eiseres] op enigerlei wijze te verbieden of te verhinderen om zich als gediplomeerd Mensendieck-lerares kenbaar te maken of als zodanig werkzaam of behulpzaam te zijn met verbod op de Bond en [verweerder 2], zowel tezamen als ieder afzonderlijk, om op enigerlei wijze [eiseres] te verhinderen om zich naar buiten toe op enigerlei wijze te doen kennen als gediplomeerd Mensendieck-lerares en als zodanig werkzaam te zijn, op straffe van een dwangsom van f 10.000, -- voor iedere maal dat de Bond en [verweerder 2] of een harer na het te wijzen vonnis in strijd hiermee zullen (zal) handelen;

4. De Bond en [verweerder 2], zowel tezamen als ieder afzonderlijk, te veroordelen tot het afgeven van een verklaring dat [eiseres] met goed gevolg de opleiding van [verweerder 2] heeft gevolgd, met bepaling van een dwangsom van f 10.000, -- voor elke dag dat de Bond en [verweerder 2] na het te wijzen vonnis daarmee in gebreke zal (zullen) zijn;

5. De Bond en [verweerder 2], zowel tezamen als ieder afzonderlijk, te veroordelen om aan [eiseres] alle schade te vergoeden, welke door haar onrechtmatig handelen aan [eiseres] is toegebracht of zal worden toegebracht, nader op te maken bij staat en te vereffenen als naar de wet;

6. met veroordeling van de Bond en [verweerder 2], zowel tezamen als ieder afzonderlijk, althans de Bond, om aan al haar leden afschrift van het te wijzen vonnis te doen toekomen, voorts in alle persorganen of vakbladen waarin door de Bond publicaties waar haar exclusief recht naar voren werd gebracht, te doen opnemen, dat zulks ten onrechte is geschied, met vermelding van het dictum van het te wijzen vonnis binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van f 10.000, -- voor elke dag, dat de Bond en/of [verweerder 2] na het te wijzen vonnis daarmee in gebreke zal (zullen) blijven.";

dat na verweer van de Bond en [verweerder 2] de Rechtbank de vorderingen heeft afgewezen bij vonnis van 27 november 1973, waarna [eiseres] van deze uitspraak in hoger beroep is gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam, hetwelk bij arrest van 14 januari 1976 het vonnis waarvan beroep heeft bekrachtigd; dat het Hof daartoe onder meer heeft overwogen (met betrekking tot de tweede grief, luidende: "Ten onrechte is de Rechtbank voorbijgegaan aan de stelling van [eiseres] dat het (uitsluitend) recht van de Bond om de naam Mensendieck te voeren was verloren gegaan") :

"met betrekking tot de tweede grief, welke het Hof het eerst zal behandelen, dat in de toelichting aan de Rechtbank wordt verweten dat deze, de bezwaren van [eiseres] tegen de overeenkomst van 10 februari 1964 afwijzend, is voorbijgegaan aan [eiseres] stellingen dienaangaande;

dat [eiseres] hierbij doelt op haar betoog dat de Bond geen recht, afgeleid van [betrokkene 2], heeft tot het opleiden tot het Mensendieck-systeem, dat zij elk recht heeft verspeeld om zich als Mensendieckbond naar te noemen, dat de Bond zonder enig recht of titel het gebruik van die naam heeft voortgezet en, sterker nog, dat de Bond zich exclusieve recht op het gebruik van die naam heeft toegeeigend;

dat [eiseres] betoogt (a) dat, indien deze, hare, stellingen juist zouden zijn bevonden, elke grondslag aan de overeenkomst zou komen te ontvallen, althans (b) dat de overeenkomst zou dienen te worden ter zijde gesteld als in dwaling gesloten, immers zij, [eiseres], die overeenkomst niet zou hebben gesloten, indien zij zou hebben geweten dat de Bond geen exclusief recht op de naam Mensendieck kon doen gelden;

daaromtrent: wat (a) betreft, dat [eiseres] standpunt dat de Bond geen rechten als hiervoor bedoeld (meer) heeft, steunt op de stelling dat door de dood van [betrokkene 2] is vervallen de door haar aan de Bond gegeven machtiging krachtens welke de Bond geldige Mensendieck-diploma's kon (doen) uitreiken en dat een regeling krachtens welke zodanige diploma's, na haar dood zouden kunnen worden uitgereikt - anders dan [betrokkene 2] bedoelde - ontbreekt;

dat [eiseres] echter niet heeft gesteld dat zij zelf rechten aan [betrokkene 2] kon ontlenen en evenmin dat de Bond jegens haar, [eiseres], of een derde onrechtmatig handelt door de naam Mensendieck te gebruiken of op te leiden tot "lerares Mensendieck";

dat [eiseres] evenmin heeft gesteld dat de Bond zich enigerlei afwijking van genoemd systeem veroorlooft of in die opleiding toelaat;

dat derhalve niet valt in te zien dat voormelde stellingen van [eiseres] aangaande de betrekking van de Bond tot [betrokkene 2] zouden kunnen meebrengen dat de grondslag aan de omstreden overeenkomst komt te ontvallen;

dat bovendien de stelling dat de overeenkomst elke grondslag zou ontberen niet wel verenigbaar is met hetgeen [eiseres] onder 2 en 6 heeft gevorderd, te weten, kort samengevat, een verbod aan de Bond om zich als enig gerechtigde of gemachtigde tot het voeren van de naam Mensendieck te doen kennen respectievelijk een gebod om openlijk bekend te maken dat ten onrechte in publicaties het exclusief recht van de Bond is naar voren gebracht;

dat, wat (b) betreft, de Bond niet pretendeert een exclusief recht op de naam Mensendieck te hebben;

dat de bewoordingen van de overeenkomst tot voormelde mening van [eiseres] dat de Bond wel zodanig recht had, geen aanleiding geven, aangezien in het contract de naam Mensendieck alleen wordt gebezigd ter aanduiding van een (door verwijzing naar andere gegevens nader gespecificeerd) systeem van bewegingsleer dat de Bond in zuivere vorm wil toepassen;

dat [eiseres] in hoger beroep bij pleidooi heeft doen zeggen dat zij niet verlangt dat de Bond wordt verhinderd om de naam Mensendieck te voeren maar alleen dat zij, [eiseres], (ook) die naam mag gebruiken;

dat de door [eiseres] gestelde dwaling niet betreft de zelfstandigheid van de zaak;

dat de Bond immers heeft betwist de stelling van [eiseres] dat zij de overeenkomst niet zou hebben gesloten, indien haar ([eiseres]) bekend zou zijn geweest dat de Bond geen exclusief recht op de zaak had en [eiseres] deze op zich zelf niet aannemelijke stelling niet heeft bewezen en in hoger beroep geen bewijsaanbod, laat staan een voldoend gepreciseerd bewijsaanbod daaromtrent heeft gedaan;

dat [eiseres] bij pleidooi in hoger beroep nog heeft doen zeggen dat haar stelling dat zij gedwaald heeft ook daarop berust dat zij het woord "onderbreken" niet heeft opgevat in de door de Bond daaraan gegeven zin;

dat zij evenwel aan deze, nieuwe, stelling niet heeft doen toevoegen de verdere - zonder toelichting geheel onwaarschijnlijke - stelling dat zij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan, indien zij die opvatting van de Bond had gekend;

dat derhalve ook dit betoog [eiseres] niet baat, daargelaten nog dat de Bond niet heeft doen blijken de rechtsstrijd op deze grondslag te aanvaarden;

dat uit al het vorenstaande volgt dat de tweede grief moet worden verworpen; ";

dat [eiseres] bij exploit van 14 april 1976 de Bond en [verweerder 2] heeft gedagvaard om ter terechtzitting van de Hoge Raad van 23 april 1976 te verschijnen "ten einde tegen voormeld arrest te horen aanvoeren het navolgende middel van cassatie":

"Schending of verkeerde toepassing van het Nederlands recht of niet in acht nemen van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, doordat het Hof ten aanzien van de tweede door [eiseres] opgeworpen grief onder meer heeft overwogen als volgt: "Overwegende met betrekking tot de tweede grief, welke het Hof eerst zal behandelen, dat in de toelichting aan de Rechtbank wordt verweten dat deze, de bezwaren van [eiseres] tegen de overeenkomst van 10 februari 1964 afwijzend, is voorbijgegaan aan [eiseres] stellingen dienaangaande;

dat [eiseres] hierbij doelt op haar betoog dat de Bond geen recht afgeleid van [betrokkene 2] heeft tot het opleiden tot het Mensendieck-systeem, dat zij elk recht heeft verspeeld om zich als Mensendieck-bond naar te noemen, dat de Bond zonder enig recht of titel het gebruik van die naam heeft voortgezet en, sterker nog, dat de Bond zich exclusieve recht op het gebruik van die naam heeft toegeeigend;

dat [eiseres] betoogt (a) dat, indien deze, hare, stellingen juist zouden zijn bevonden, elke grondslag aan de overeenkomst zou komen te vervallen, althans (b) dat de overeenkomst zou dienen te worden ter zijde gesteld als in dwaling gesloten, immers zij, [eiseres], die overeenkomst niet zou hebben gesloten indien zij zou hebben geweten dat de Bond geen exclusief recht op de naam Mensendieck kon doen gelden;

Overwegende daaromtrent, wat (a) betreft, dat [eiseres] standpunt dat de Bond geen rechten als hiervoor bedoeld (meer) heeft steunt op de stelling dat door de dood van [betrokkene 2] is vervallen de door haar aan de Bond gegeven machtiging krachtens welke de Bond geldige Mensendieck-diploma's kon (doen) uitreiken en dat een regeling krachtens welke zodanige diploma's, na haar dood zouden kunnen worden uitgereikt - anders dan [betrokkene 2] bedoelde - ontbreekt;

dat [eiseres] echter niet heeft gesteld dat zij zelf rechten aan [betrokkene 2] kon ontlenen en evenmin dat de Bond jegens haar, [eiseres], of een derde onrechtmatig handelt door de naam Mensendieck te gebruiken of op te leiden tot "lerares Mensendieck" ;

dat [eiseres] evenmin heeft gesteld dat de Bond zich enigerlei afwijking van genoemd systeem veroorlooft of in die opleiding toelaat;

dat derhalve niet valt in te zien dat voormelde stellingen van [eiseres] aangaande de betrekking van de Bond tot [betrokkene 2] zouden kunnen meebrengen dat de grondslag aan de omstreden overeenkomst komt te ontvallen;

dat bovendien de stelling dat de overeenkomst elke grondslag zou ontberen niet wel verenigbaar is met hetgeen [eiseres] onder 2 en 6 heeft gevorderd, te weten, kort samengevat, een verbod aan de Bond om zich als enig gerechtigde of gemachtigde tot het voeren van de naam Mensendieck te doen kennen respectievelijk een gebod om openlijk bekend te maken dat ten onrechte in publicaties het exclusief recht van de Bond is naar voren gebracht".";

Overwegende dat de Bond en [verweerder 2] bij conclusie van antwoord onder meer hebben doen zeggen: "dat het in het exploit van dagvaarding door [eiseres] aangevoerde middel van cassatie niet voldoet aan de bij artikel 407 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gestelde eisen, immers in dat middel niet is opgegeven, waarom [eiseres] meent dat de aangeroepen cassatiegrond aanwezig is, terwijl de Bond en [verweerder 2] ook niet kunnen bevroeden, waarin volgens [eiseres] de door haar beweerde schending of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, of niet in acht nemen van vormen, zou bestaan", concluderende tot nietigverklaring van de dagvaarding, althans tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar beroep, althans tot verwerping daarvan;

Overwegende dat [eiseres] bij conclusie de dato 21 mei 1976 naar aanleiding van de opgeworpen exceptie van nietigheid heeft doen zeggen: "dat inderdaad door een tikfout een gedeelte van het cassatiemiddel in de dagvaarding is weggelaten" en dat het volledige cassatiemiddel aldus luidt dat aan het hierboven geciteerde wordt toegevoegd:

"Zulks ten onrechte immers:

a. de door het Hof genoemde omstandigheden, dat [eiseres] niet heeft gesteld dat zij zelf rechten aan [betrokkene 2] kan ontlenen en evenmin dat de Bond jegens haar, [eiseres], of een derde, onrechtmatig handelt door de naam Mensendieck te gebruiken of op te leiden tot lerares Mensendieck en dat [eiseres] evenmin heeft gesteld dat de Bond niet enigerlei afwijking van genoemd systeem veroorlooft of in die opleiding toelaat, irrelevant zijn door de vraag of door het eventueel verloren gegaan zijn van het (uitsluitend) recht van de Bond om de naam Mensendieck te voeren elke grondslag aan de tussen [eiseres] en de Bond gesloten overeenkomst zou zijn ontvallen, zijnde het toch immers zonder meer duidelijk dat een dergelijke overeenkomst uitsluitend zin heeft en de ene partij zich uitsluitend een zo ernstige beperking in haar vrijheid van handelen laat welgevallen als hier is geschied, indien de andere partij het (uitsluitend) recht heeft om de naam Mensendieck te voeren;

b. niet valt in te zien, waarom de stelling [eiseres] dat de door haar met de Bond gesloten overeenkomst elke grondslag zou ontberen niet wel verenigbaar zou zijn met hetgeen [eiseres] sub 2 en 6 heeft gevorderd;

dat het cassatiemiddel onverkort opgenomen is geweest in het voor het uitbrengen der dagvaarding ingediende voorlopig gratis admissie request, maar bij het overnemen van het cassatiemiddel in de dagvaarding uit genoemd request het laatste stuk helaas is weggelaten;

dat [eiseres] daarom eerbiedig verzoekt de dagvaarding in zoverre te mogen rectificeren;

dat de dagvaarding overigens volgens [eiseres] niet nietig is, immers het moet de Bond en [verweerder 2], die het standpunt van [eiseres] door de voorgaande procedures volledig kenden, volkomen duidelijk geweest zijn wat het bezwaar van [eiseres] tegen het aangevallen arrest was.";

Met betrekking tot het cassatieberoep:

Overwegende dat de dagvaarding in cassatie niet voldoet aan de eis van artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, daar zij niet bevat een omschrijving van het middel waarop het beroep steunt;

dat immers, ook na kennisneming van het bestreden arrest, uit de dagvaarding niet kan worden opgemaakt, in welk opzicht door de in de dagvaarding aangehaalde overwegingen het recht zou zijn geschonden of verkeerd toegepast of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen niet zouden zijn in acht genomen; dat dit gebrek, dat niet kan worden goedgemaakt door een aanvulling van de dagvaarding bij conclusie naar aanleiding van een opgeworpen exceptie, tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep moet leiden;

Verklaart [eiseres] in haar beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt haar in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen, aan de zijde van de Bond en [verweerder 2] tot deze uitspraak begroot op f 225, -- aan verschotten en f 1.300, -- voor salaris.

Aldus gedaan door Mrs. Dubbink, President, Minkenhof, Snijders, Köster en Haardt, Raden, en door de President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de vierde maart 1900 zeven en zeventig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Franx.

Artikel delen