14 april 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/076HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw], te dezen handelende zowel voor zichzelf als in haar hoedanigheid van moeder en belast met het ouderlijk gezag over [de dochter] en [de zoon],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr J. Groen,
t e g e n
DE DIRECTIE PREVENTIE, JEUGD EN SANCTIEBELEID, Stafbureau Juridische Zaken van het Ministerie van Justitie, optredend in haar hoedanigheid van CENTRALE AUTORITEIT, alsmede namens [de man],
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 4 december 1998 ter griffie van de Rechtbank te Assen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie mede namens [de man] - verder afzonderlijk te noemen: de CA en de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht te bevelen:
a. dat de minderjarigen [de dochter] en [de zoon], respectievelijk geboren op [geboortedatum] 1994 en [geboortedatum] 1997, beiden te [geboorteplaats], Verenigde Staten van Amerika, vóór een door de Rechtbank te bepalen datum worden teruggeleid naar de plaats van hun gewone verblijf, althans worden afgegeven aan de man;
b. dat voor zoveel nodig met toepassing van artikel 13, vierde lid, van de Wet van 2 mei 1990 (Uitvoeringswet) een voogdij-instelling wordt belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen;
c. dat verzoekster tot cassatie, te dezen handelende voor zichzelf, hierna: de vrouw, de kosten vergoedt die de man in verband met de teruggeleiding heeft moeten maken en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
Nadat de Rechtbank de vrouw, bijgestaan door haar gemachtigde, de vader en mr P.S. van Zandbergen ter terechtzitting van 28 januari 1999 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 9 februari 1999 de (onmiddellijke) terugkeer gelast, althans, indien de vrouw te kennen geeft of laat blijken niet te zullen terugkeren, de afgifte van beide voornoemde minderjarigen aan en de teruggeleiding naar de man bevolen, uiterlijk 1 maart 1999, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 24 maart 1999 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw beslissende, de (onmiddellijke) terugkeer gelast, althans indien de vrouw te kennen geeft of laat blijken niet te zullen terugkeren, de afgifte van beide kinderen aan en de teruggeleiding naar de man bevolen, uiterlijk 30 maart 1999, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het verzoek van de vrouw terzake een proceskostenveroordeling afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De CA heeft mede namens de man verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 28 januari 2000 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen falen op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Van der Putt-Lauwers, Fleers en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 14 april 2000.