Wvggz. Aansluitende zorgmachtiging. Art. 6:1 Wvggz. Had rechtbank moeten onderzoeken of betrokkene een mentor had?
Hoge Raad 2 October 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1585
Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-10-2026
Datum publicatie
02-10-2026
Zaaknummer
25/04754
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
ECLI:NL:HR:2026:1585text/xmlpublic2026-10-02T10:30:372026-10-01Raad voor de RechtspraaknlHoge Raad2026-10-0225/04754UitspraakCassatieBeschikkingNLCiviel recht; Personen- en familierechtConclusie: ECLI:NL:PHR:2026:652Rechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1585text/htmlpublic2026-10-02T08:28:212026-10-02Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:HR:2026:1585 Hoge Raad , 02-10-2026 / 25/04754 Wvggz. Aansluitende zorgmachtiging. Art. 6:1 Wvggz. Had rechtbank moeten onderzoeken of betrokkene een mentor had?
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/04754
Datum 2 oktober 2026 BESCHIKKING In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: J.A.J. Leeman, tegen OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT LIMBURG,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen. 1Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/345355/ BZ RK 25-1860 van de rechtbank Limburg van 22 september 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten2.1 De officier van justitie heeft op 12 september 2025 ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging verzocht voor de duur van twaalf maanden. 2.2 Bij het verzoekschrift zijn onder meer het zorgplan en de medische verklaring gevoegd. In het zorgplan, dat is opgesteld op 11 augustus 2025, staat onder meer: “3. Probleembeschrijving
(…)d. Wat is de beleving en duiding vanuit de voor de continuïteit van zorg relevante familie en/of naasten en/of vertegenwoordiger (indien van toepassing)?
Mentor onderschrijft de probleembeschrijving volgens zorgverantwoordelijke
(…) 6Benodigde zorg om het (dreigend) ernstig nadeel weg te nemen (…)e.2. Hoe is rekening gehouden met de voorkeuren of zienswijze van betrokkene, vertegenwoordiger en/of relevante familie en naasten ten aanzien van de zorg?
Mentorschap is aangevraagd, zodra de mentor is aangesteld zal de inhoud van dit zorgplan worden besproken met de mentor van betrokkene.” 2.3 Tijdens de mondelinge behandeling op 22 september 2025 zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een basisarts en een verpleegkundig specialist. 2.4 De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. 3Beoordeling van het middel 3.1 Het middel voert onder meer aan:
- dat bij beschikking van 17 juli 2025 ten aanzien van betrokkene een mentorschap is ingesteld met ingang van de dag na de datum van verzending van deze beschikking;
- dat in het verzoekschrift voor de zorgmachtiging niet van een mentorschap wordt gerept en stukken omtrent (het verzoek tot) de instelling van het mentorschap ontbreken;
- dat uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene wilsonbekwaam is;
- dat in het bij verzoekschrift overgelegde zorgplan wordt gesproken van een mentorschap van betrokkene.
Doordat de mentor niet op de voet van art. 6:1 lid 1 Wvggz in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken, heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in art. 6:1 Wvggz besloten liggende oproep-, hoor- en onderzoeksplicht, althans is haar beslissing onbegrijpelijk. De beschikking moet daarom worden vernietigd, aldus het middel. 3.2 Indien een mentor is benoemd, treedt deze op als vertegenwoordiger van een wilsonbekwame betrokkene (art. 1:3 lid 3, aanhef en onder b, Wvggz). Art. 5:17 lid 6, aanhef en onder c, Wvggz bepaalt dat indien ten behoeve van betrokkene een mentorschap is ingesteld, de officier van justitie bij het verzoekschrift voor een zorgmachtiging een afschrift voegt van de beschikking waarbij het mentorschap is ingesteld en die waarbij een mentor is benoemd. Art. 6:1 lid 1 Wvggz bepaalt dat de rechter de vertegenwoordiger in staat stelt zijn zienswijze mondeling kenbaar te maken. 3.3 Gelet op de hiervoor in 2.2 weergegeven opmerkingen in het zorgplan had de rechtbank moeten onderzoeken of de betrokkene daadwerkelijk een vertegenwoordiger had en zo ja, deze in de gelegenheid dienen te stellen zijn zienswijze mondeling kenbaar te maken. In cassatie moet worden aangenomen dat zij dat niet heeft gedaan, nu dat uit de stukken van het geding niet blijkt. De hierop gerichte klacht slaagt daarom. De overige klachten behoeven geen behandeling. 4Beslissing De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 22 september 2025;
- wijst de zaak terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 2 oktober 2026. Rechtbank Limburg 22 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:9604.