Vonnis van 7 maart 2018
Behorend bij A.R. 118 van 2017 / AUA201700369.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
de naamloze vennootschap
EIKON EMPLOYMENT AGENCY N.V.,
te Aruba,
EISERES, hierna ook te noemen: Eikon,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
tegen:
[Gedaagde],
te Aruba,
GEDAAGDE, hierna ook te noemen: [Gedaagde],
gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.
2.1Eikon heeft in totaal Afl. 92.795,- betaald voor het aanvragen van werk- en/of verblijfsvergunningen (hierna: vergunningen) ten behoeve van derden .
2.2Eikon heeft geen enkele verblijfsvergunning ontvangen van [Gedaagde].
2.3Eikon heeft [Gedaagde] bij brief gedateerd 5 december 2016 gesommeerd een bedrag ad Afl. 92.795,- uiterlijk op 19 december 2016 aan Eikon terug te betalen.
3.1Eikon vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [Gedaagde] tot betaling van Afl. 92.795,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [Gedaagde] tot vergoeding van de proceskosten.
3.2Eikon grondt de vordering kennelijk erop dat de overeenkomst tussen partijen nietig is wegens bedrog.
3.3[Gedaagde] voert hiertegen verweer, met vordering tot veroordeling van Eikon in de proceskosten.
4.1Kern van het geding is of de overeenkomst vernietigbaar is op grond van het bepaalde in artikel 3:44 BWA.
4.2Bedrog is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van bepaalde rechtshandelingen beweegt, door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededelingen, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mee te delen of door een andere kunstgreep.
4.3Volgens Eikon heeft [Gedaagde] haar opgelicht door haar voor te spiegelen dat de zus van [Gedaagde] een hooggeplaatste functie binnen de Dimas bekleedde en daardoor vergunning afgifte gegarandeerd was. [Gedaagde] voert hiertegen aan dat zij door Eikon werd betaald alleen maar voor het verwerken van de aanvragen en voor het betalen van de door Dimas vereiste borgsom en leges. Verder heeft [Gedaagde] aangevoerd dat zij Eikon niet heeft gegarandeerd dat Eikon de vergunningen zal verkrijgen, nu zij niet bevoegd is om vergunningen af te geven.
Nu [Gedaagde] de nietigheid van de koopovereenkomst gemotiveerd heeft betwist, lag het op de weg van Eikon om voldoende feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie rechtvaardigen dat [Gedaagde] zich bij gelegenheid van de totstandkoming van de koopovereenkomst heeft schuldig gemaakt aan bedrog. Het gerecht is van oordeel dat Eikon haar stelling, dat zij werd opgelicht en dat er in dat verband een garantie werd gegeven, gelet op de gemotiveerde betwisting van [Gedaagde], onvoldoende heeft onderbouwd. Niet gemotiveerd betwist is dat een betaling van Afl. 1.000, een gebruikelijk bedrag is voor het helpen bij het aanvragen van vergunningen. Dat de rest van de betaalde som per vergunning bedoeld was om de leges namens Eikon te betalen is niet betwist. Niet duideljk is gemaakt welke zus van [Gedaagde] wat voor functie binnen Dimas zou bekleden of wat daarover gezegd is tegen Eikon en waarom Eikon in de veronderstelling kwam te verkeren dat – kort gezegd – via [Gedaagde] vergunning afgifte gegarandeerd was. Gelet hierop wordt aan het bewijsaanbod van Eikon niet toegekomen.
De vraag of [Gedaagde] de leges betaald heeft of niet is op zich zelf niet doorslaggevend voor de vraag of de bemiddelingsovereenkomst niet is wegens bedrog. Het betreft hier immers de uitvoering van de overeenkomst en niet de totstandkoming daarvan.
4.5Als de in het ongelijk te stellen partij zal Eikon de proceskosten van [Gedaagde] moeten vergoeden.
De rechter in dit gerecht:
wijst het gevorderde af;
veroordeelt Eikon in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [Gedaagde] worden begroot op Afl. 1.500, aan salaris van de gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.