ECLI:NL:OGEAC:2026:121text/xmlpublic2026-07-30T10:31:382026-07-30Raad voor de RechtspraaknlGerecht in eerste aanleg van Curaçao2026-03-09CUR202504342UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2026:121text/htmlpublic2026-07-30T10:30:362026-07-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:OGEAC:2026:121 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 09-03-2026 / CUR202504342 Proceskosten.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202504342 Vonnis van 9 maart 2026 in de zaak van [eiser],
wonend in [woonplaats], eiser,gemachtigde: mr. N.B. Louisa, tegen 1de besloten vennootschap DPF B.V., gevestigd in Curaçao,
gedaagde,
procederend bij haar directeur [gedaagde],
2. [gedaagde],
wonend in [woonplaats],gedaagde,procederend in persoon. Partijen worden hierna [eiser] dan wel eiser, DPF c.s. dan wel gedaagden genoemd. 1Het procesverloop1.1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van eiser, ingediend op 24 oktober 2025, de conclusie van antwoord met producties van 12 januari 2026, de e-mails van partijen van 20 februari 2026. 1.2. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De beoordeling2.1. [ eiser] heeft in het verzoekschrift gevorderd dat het gerecht gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan eiser van een bedrag van Cg 12.650 (de hoofdsom van Cg 11.000 inclusief de buitengerechtelijke kosten van 15%), te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten en nakosten. 2.2. Het gerecht heeft partijen opgeroepen voor de behandeling van het verzoek op 23 februari 2026. 2.3. Bij e-mail van 20 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] aangegeven dat er geen procesbelang meer is, omdat DPF c.s. de hoofdsom van Cg 11.000 hebben voldaan. [eiser] handhaaft echter het verzoek om DPF c.s. te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten (waaronder de beslagkosten). 2.4. In de e-mail van gelijke datum voeren DPF c.s. aan dat de beslaglegging onnodig en disproportioneel was, omdat zij hierdoor geen toegang tot het magazijn hadden. Een beslaglegging op roerende zaken onder de schuldenaar zelf, had minder gekost met dezelfde uitkomst. DPF c.s. vragen het gerecht hiermee rekening te houden. 2.5. Het gerecht overweegt dat in deze zaak alleen de kosten en rente nog ter beoordeling staan. 2.6. Ten aanzien van de beslagkosten overweegt het gerecht dat als uitgangspunt geldt dat de kosten van het beslag van de beslagene kunnen worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was (artikel 706 Rv). Het is aan de beslagene om de nietigheid, het onnodige of de onrechtmatigheid van het beslag aan te tonen. Naar het oordeel van het gerecht is daarvan niet gebleken. Artikel 435 lid 1 Rv bepaalt dat de schuldeiser beslag kan leggen op alle voor beslag vatbare goederen om zijn vordering te verhalen. Een schuldeiser mag dus zelf kiezen op welk vermogensbestanddeel van de schuldenaar beslag wordt gelegd. Vaststaat bovendien dat DPF c.s. pas tot betaling is overgegaan nadat het beslag is gelegd, zodat het beslag dus niet onnodig was. De beslagkosten bedragen, voor zover dit uit de stukken blijkt, Cg 354,73 + Cg 1.413,67 = Cg 1.768,40. 2.7. De gevorderde proceskosten zullen worden toegewezen op basis van het liquidatietarief voor Cg 500 (Cg 100 per punt). Vast staat immers dat DPF c.s. ten tijde van het indienen van het verzoekschrift reeds Cg 10.500 hadden voldoen en er nog een bedrag van Cg 500 aan hoofdsom openstond. De proceskosten van [eiser] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 750 aan griffierecht, bestaande uit Cg 450 voor het beslagrekest en Cg 300 voor de eis in de hoofdzaak, Cg 707,34 aan oproepingskosten en Cg 200 (tarief 1 x 2 punten) aan gemachtigdensalaris. 2.8. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen nu onvoldoende gesteld of gebleken is dat deze zijn gemaakt. 2.9. De gevorderde wettelijke rente over Cg 500 vanaf datum indiening verzoekschrift tot de dag van betaling (12 januari 2026) en de nakosten worden toegewezen. 3De beslissing3.1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling aan eiser van de wettelijke rente over Cg 500 vanaf datum indiening verzoekschrift tot 12 januari 2026; 3.2. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de kosten van de procedure begroot op Cg 3.425,74, te vermeerderen met Cg 100 aan nakosten; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst af wat verder is gevorderd. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door mr. S.K.V. Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken.