Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:OGEAC:2026:133

Oosv- werkweigering-nietig-ontbinding.

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:OGEAC:2026:133 text/xml public 2026-08-03T12:45:12 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 2026-03-09 CUR202600092 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2026:133 text/html public 2026-08-03T12:44:17 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEAC:2026:133 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 09-03-2026 / CUR202600092
Oosv- werkweigering-nietig-ontbinding.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202600092

Beschikking van 9 maart 2026

in de zaak van [verzoekster], wonend in [woonplaats], verzoekster, verweerster in het zelfstandig verzoek, gemachtigde: mr. A.M. Faria,

tegen

de besloten vennootschap PANADERIA MARJORIE B.V., gevestigd in Curaçao, verweerster, verzoekster in het zelfstandig verzoek, gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall.

Partijen worden hierna werkneemster en werkgeefster genoemd.

1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit:

het verzoekschrift van 12 januari 2026, met producties,

de producties tevens een zelfstandig verzoek van werkgeefster van 3 februari 2026,

het verweerschrift van 9 februari 2026;

de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 waarbij partijen en hun gemachtigden zijn verschenen.

1.2. De uitspraak is bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1. Werkneemster, thans [leeftijd] jaar oud, is op 8 november 2019 in dienst getreden bij werkgeefster op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de functie van kassier tegen een salaris van laatstelijk Cg. 1.895,71 netto per maand.

2.2. Op 6 juli 2025 heeft zich een incident voorgedaan tussen werkneemster en werkgeefster over het snijden van kaas, waarna werkneemster is vertrokken van de werkplek.

2.3. Op 9 juli 2025 heeft werkgeefster een brief aan werkneemster gestuurd, waarin de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is bevestigd.

2.4. Werkneemster heeft zich in verband met het ontslag in juli 2025 tot het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (SOAW) gewend, waarna een medewerker van SOAW werkgeefster heeft benaderd en gevraagd of werkneemster terug kon keren. Dit heeft niet geleid tot de terugkeer van werkneemster.

2.5. Bij brief van 8 november 2025 aan werkgeefster heeft werkneemster de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en heeft zij verzocht haar werkzaamheden te mogen hervatten. Daarbij heeft zij aanspraak gemaakt op doorbetaling van haar gebruikelijke salaris met emolumenten.
<nr>3</nr>De verzoeken <?linebreak?>Het verzoek van werkneemster<?linebreak?>3.1. Werkneemster verzoekt – samengevat – dat het gerecht haar verlof verleent om kosteloos te mogen procederen. Verder verzoekt zij dat het gerecht het ontslag op staande voet van 6 juli 2025 nietig zal verklaren en werkgeefster zal veroordelen om het vertragingsloon ex artikel 7A:1614q van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao (BW) over iedere loontermijn die verschuldigd is geworden of nog zal worden, alsook de wettelijke rente daarover te betalen, met veroordeling van werkgeefster in de kosten van de procedure. Het gerecht leest hierin ook het verzoek dat werkgeefster zal worden veroordeeld tot betaling van het salaris vanaf de datum van het ontslag totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. 3.2.
Werkneemster legt aan het verzoek ten grondslag dat geen sprake is van een gegronde of rechtsgeldige dringende reden voor een ontslag op staande voet. Werkneemster erkent dat zij heeft geweigerd kaas te snijden, maar volgens haar zou dit (te) veel tijd kosten, terwijl er klanten in de winkel aanwezig waren en er niet voldoende personeel was. Volgens werkneemster heeft zij dit ook zo uitgelegd aan werkgeefster, maar werd zij desondanks vervolgens weggestuurd.
3.3.
Werkgeefster verweert zich tegen de vordering en voert aan dat werkneemster zich schuldig heeft gemaakt aan categorische werkweigering, insubordinatie en het verlaten van de werkplek. Daarmee is sprake van een dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1615o BW. In een klein bedrijf is het opvolgen van redelijke instructies essentieel. De gedragingen waren dermate ernstig dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet kon worden gevergd.

Het verzoek van werkgeefster 3.4. Werkgeefster verzoekt, voor het geval het ontslag op staande voet niet in stand blijft, de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7A:1615w BW wegens gewichtige redenen, althans wegens een zodanige verandering in omstandigheden dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet van werkgeefster kan worden gevergd. Volgens werkgeefster is er sprake van een ernstige vertrouwensbreuk en een verstoring van de arbeidsrelatie. Er is geen aanleiding aan werkneemster een vergoeding toe te kennen.
3.5.
Werkneemster voert verweer tegen de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar erkent dat ze geen vertrouwen meer heeft in een verdere samenwerking met werkgeefster.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr> <?linebreak?>4. De beoordeling <?linebreak?>Het verzoek van werkneemster<?linebreak?>4.1. Voorop gesteld wordt dat het ontslag op staande voet moet worden gezien als een uiterste middel om een arbeidsovereenkomst te beëindigen. Om die reden worden aan het ontslag op staande voet zware eisen gesteld. Voor een werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer, die ten gevolge hebben dat van een werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag dienen alle omstandigheden van het geval, inclusief de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, in onderling verband en samenhang in aanmerking te worden genomen. De werkgever die een werknemer op staande voet heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden. 4.2.
Naar het oordeel van het gerecht is in dit geval geen sprake van een dringende reden zoals hiervoor bedoeld. Niet is komen vast te staan uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, dat werkneemster zich schuldig heeft gemaakt aan werkweigering van een zodanige ernst dat dit een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Daarbij speelt de door werkneemster opgegeven verklaring voor de weigering, te weten het kunnen helpen van klanten vanwege de drukte in de winkel, een rol. Ook is niet komen vast te staan dat werkneemster uit eigen beweging haar werkplek heeft verlaten. Wel staat vast dat werkneemster heeft geweigerd een door de werkgeefster gegeven opdracht om kaas te snijden uit te voeren, maar deze weigering betreft een eenmalig incident binnen een dienstverband van ruim zes jaar. Van eerdere incidenten is niet gebleken. Ook van de door werkgeefster gestelde insubordinatie waaraan werkneemster zich volgens haar schuldig zou hebben gemaakt is niet gebleken. Werkgeefster heeft dit ook niet nader onderbouwd.
4.3.
Gelet op de aard en de ernst van het verweten gedrag, in samenhang met de duur van het dienstverband en het ontbreken van andere incidenten, is het op 6 juli 2025 gegeven ontslag op staande voet naar het oordeel van het gerecht een te vergaande maatregel. Minder verstrekkende maatregelen zoals een (schriftelijke) waarschuwing waren op zijn plaats geweest. Het ontslag op staande voet kan daarom geen standhouden.
4.4.
Aangezien werkneemster tijdig de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen, moet het ontslag op staande voet als nietig worden aangemerkt. Dit brengt mee dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd per 6 juli 2025, maar is blijven voortbestaan.
4.5.
Uit artikel 7A:1614d BW volgt dat de werkgever gehouden is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt. Aangezien werkneemster zich (via tussenkomst van SOAW) beschikbaar heeft gesteld om haar werkzaamheden te hervatten, is naar het oordeel van het gerecht werkgeefster gehouden het overeengekomen salaris aan werkneemster door te betalen vanaf 6 juli 2025 totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Dat werkgeefster SOAW in juli 2025 volgens eigen zeggen heeft laten weten dat werkneemster terug kon komen als zij haar houding en wijze van bejegening zou corrigeren, staat daar niet aan in de weg. Deze mededeling heeft werkneemster volgens haar immers nooit bereikt vanwege de uitval van de betrokken medewerker van SOAW. Omdat werkneemster niets meer hoorde van SOAW, heeft zij uiteindelijk via haar gemachtigde de nietigheid van het ontslag ingeroepen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan de loonvordering dient te worden gematigd.
4.6.
Omdat werkgeefster ter zake van het verzoek van werkneemster in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. Het verzoek van werkgeefster4.7. Hoewel het ontslag op staande voet geen stand kan houden, brengt dit niet zonder meer mee dat de arbeidsovereenkomst moet voortduren. In het kader van het door werkgeefster ingestelde verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden beoordeeld of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7A:1615w BW.
4.8.
Het gerecht is van oordeel dat van zodanige gewichtige redenen, bestaande uit een verandering van omstandigheden, sprake is. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is voldoende aannemelijk geworden dat tussen partijen een ernstig en duurzaam verlies van vertrouwen is ontstaan. Door de gebeurtenissen rondom het incident op 6 juli 2025 is de arbeidsverhouding tussen partijen inmiddels zodanig verstoord dat van partijen redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat werkneemster ter zitting heeft erkend dat ook aan haar kant het vertrouwen in een verdere samenwerking ontbreekt.
4.9.
Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst met ingang van de datum van deze beschikking zal worden ontbonden en dat werkgeefster het loon van werkneemster tot 9 maart 2026 moet doorbetalen.
4.10.
Thans moet nog worden beoordeeld of met het oog op de omstandigheden van het geval, zoals de oorzaak van de ontbinding en de mate waarin deze aan een van partijen is te wijten, het billijk voorkomt dat aan werkneemster op grond van artikel 7A:1615w lid 5 BW een vergoeding wordt toegekend. Ter zitting heeft werkneemster immers verzocht haar een vergoeding toe te kennen, voor het geval de ontbinding wordt toegewezen, rekening houdend met haar leeftijd en arbeidsjaren.
4.11.
Het gerecht is van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat om aan werkneemster een vergoeding toe te kennen. Hoewel het ontslag op staande voet geen stand kan houden, rechtvaardigt dit op zichzelf niet de conclusie dat werkgeefster een groot verwijt kan worden gemaakt. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van de verstoorde arbeidsverhouding en het duurzaam verlies van vertrouwen tussen partijen. Dat verlies is mede ontstaan door het handelen en de houding van werkneemster die hebben geleid tot een verlies van vertrouwen aan de zijde van werkgeefster. In dat verband is van belang dat werkneemster heeft geweigerd een door werkgeefster gegeven opdracht uit te voeren. Daarbij komt dat werkneemster heeft erkend dat ook aan haar zijde het vertrouwen in een voortzetting van de arbeidsrelatie ontbreekt. Voorts neemt het gerecht hierbij in aanmerking dat werkneemster aanspraak heeft op doorbetaling van het salaris over een periode van acht maanden zonder daarvoor werkzaamheden te hebben verricht. Gelet hierop bestaat er geen grond om aan werkneemster een vergoeding toe te kennen.
4.12.
Het gerecht zal de arbeidsovereenkomst daarom ontbinden zonder toekenning van een vergoeding aan werkneemster.
4.13.
Met betrekking tot het zelfstandig verzoek van werkgeefster ziet het gerecht aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5. De beslissing

Het gerecht:

Het verzoek van werkneemster
5.1.
verleent werkneemster toestemming om kosteloos te mogen procederen;
5.2.
verklaart voor recht dat het door werkgeefster aan werkneemster gegeven ontslag nietig is;
5.3.
veroordeelt werkgeefster om aan werkneemster het achterstallige salaris te betalen vanaf 7 juli 2025 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW, welke verhoging wordt gematigd tot 10%, alsmede de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van de voldoening;
5.4.
veroordeelt werkgeefster in de proceskosten, aan de zijde van werkneemster tot op heden begroot op Cg 50 aan griffierecht en Cg 1.250 aan salaris gemachtigde;

Het verzoek van werkgeefster
5.5.
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van heden;
5.6.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

De verzoeken van werkneemster en werkgeefster
5.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door mr. J.H. Sulsters, griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Artikel delen