Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:OGEAC:2026:134
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
CUR202505027
Rechtsgebied
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:OGEAC:2026:134text/xmlpublic2026-08-03T14:04:132026-08-03Raad voor de RechtspraaknlGerecht in eerste aanleg van Curaçao2026-01-30CUR202505027UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigKort gedingNLCiviel rechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2026:134text/htmlpublic2026-08-03T14:03:532026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:OGEAC:2026:134 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 30-01-2026 / CUR202505027 n-o- rechtsgang bestuursrechter.
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Zaaknummer: CUR202505027 Vonnis in kort geding van 30 januari 2026 in de zaak van ERIC'S ACTION TOURS B.V.,
gevestigd in Curaçao, eiseres, gemachtigde: mr. M. Noor, tegen HET LAND CURAÇAO,
zetelend in Willemstad, gedaagde, gemachtigde: mr. G.N. Hollander. Met als gevoegde partijen aan de zijde van het Land Curaçao: 1Stonefields Properties B.V. gevestigd in Curaçao,
2. Prickichi B.V.
gevestigd in Curaçao, gevoegde partijen,
gemachtigde: mr. P.M. Noordhoek. Partijen worden hierna EAT, het Land en de gevoegde partijen tezamen Stonefields c.s. genoemd. 1Het procesverloop1.1. Het procesverloop blijkt uit: het verzoekschrift van 17 december 2025 van EAT met producties, de producties van het Land ingediend op 6 januari 2026, het incidenteel verzoek tot voeging van 8 januari 2026 van Stonefields c.s., de conclusie van antwoord in het incidenteel verzoek tot voeging van
9 januari 2026 van EAT, de producties van Stonefields c.s. ingediend op 15 januari 2026, de aanvullende productie van EAT ingediend op 15 januari 2026, de mondelinge behandeling van 16 januari 2026, de pleitnotities van EAT en Stonefield c.s. 1.2. Het gerecht heeft partijen per e-mail van 12 januari 2026 meegedeeld dat het verzoek tot voeging ingevolge artikel 214 Rv c.s. zal worden toegewezen, omdat Stonefields c.s. aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende belang heeft bij voeging, nu zij nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Ook heeft Stonefields c.s. voldoende onderbouwd dat onredelijke vertraging niet te verwachten valt, zodat de eisen van een goede procesorde niet in de weg staan aan een toewijzing. 1.3. Vonnis is bepaald op vandaag. 2De feiten2.1. De heer [directeur 1] is directeur van EAT, een onderneming die zich bezighoudt met het organiseren van toeristische activiteiten, waaronder eilandtours per quad. EAT heeft jaren geleden een terrein te [adres] in gebruik genomen en daarop enkele opstallen gebouwd. Dit terrein behoort in eigendom toe aan het Land. 2.2. In 2024 heeft het Land percelen grond in de directe omgeving van het door EAT gebruikte terrein verkocht aan Stonefields c.s. Op deze percelen is de ontwikkeling van een toeristisch resort met vijfhonderd verblijfseenheden beoogd. Stonefields c.s. wenst de ontsluitingsweg naar dit resort te realiseren over het terrein dat door EAT in gebruik is genomen. Vanuit dit belang heeft zij de Minister van Volkshuisvesting, Volksvoorziening en Ruimtelijke Planning van Curaçao (hierna: de minister) verzocht om handhavend op te treden tegen EAT. Daarnaast hebben zij een civiele procedure tegen EAT aanhangig gemaakt. 2.3. Bij beschikking van 30 april 2025 heeft de minister aan EAT een last onder bestuursdwang (hierna: de last onder bestuursdwang) opgelegd. Volgens die beschikking maakt EAT zich schuldig aan meerdere overtredingen: zij gebruikt het betrokken terrein zonder recht of titel, en het terrein dient – omdat het in het Eilandelijk Ontwikkelingsplan (EOP) is aangewezen als wegtracé – vrij te blijven van bebouwing. Verder heeft EAT de aanwezige opstallen opgericht zonder bouwvergunning. EAT is opgedragen om binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking haar activiteiten op het terrein volledig te staken, de aanwezige opstallen te verwijderen en het terrein op te leveren. Daarbij is aangekondigd dat de minister tot uitvoering van de last zal overgaan indien EAT hieraan geen gevolg geeft. 2.4. Tegen deze beschikking heeft EAT pro forma bezwaar gemaakt. Bij ministeriële beschikking van 5 september 2025 heeft de minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard met als reden dat is nagelaten om de bezwaargronden aan te vullen binnen de gegeven termijn. EAT heeft beroep ingesteld tegen de aanzegging bestuursdwang. Bij uitspraak van 17 september 2025 heeft de bestuursrechter het beroep tegen de bestreden beschikking van EAT niet-ontvankelijk verklaard (omdat er geen rechtsmiddel meer openstond tegen die beschikking) en heeft het verzoek om een voorlopige voorziening strekkende tot schorsing van de aangezegde bestuursdwang afgewezen. 2.5. Op 1 december 2025 is namens de minister een aanvang gemaakt met de uitvoering van de aangekondigde last onder bestuursdwang. 2.6. EAT heeft vervolgens beroep ingesteld bij de bestuursrechter tegen de ministeriële beschikking, waarbij haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en heeft (wederom) een verzoek om voorlopige voorziening en het treffen van een ordemaatregel ingediend. 2.7. De bestuursrechter heeft op 4 december 2025 uitspraak gedaan en heeft beslist dat de minister het bezwaar tegen de beschikking met de last onder bestuursdwang niet-ontvankelijk mocht verklaren. De bestuursrechter heeft het beroep van EAT ongegrond verklaard en heeft het verzoek om een voorlopige voorziening en het treffen van een ordemaatregel afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft EAT geen hoger beroep ingesteld. 3De vordering3.1. EAT vordert – samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – dat het gerecht: het Land gebiedt de uitvoering van de last onder bestuursdwang, inclusief de afbraak en ontruiming, onmiddellijk te staken en gestaakt te houden totdat in de door EAT aanhangig te maken bodemprocedure definitief en onherroepelijk is beslist, althans totdat een redelijk alternatief perceel aan EAT is aangeboden met toereikende compensatie en een redelijke overgangstermijn, althans tot een datum die de voorzieningenrechter juist acht; het Land verbiedt enige handeling te verrichten die leidt tot afbraak, sloop, verwijdering of feitelijke ontruiming van de opstallen van EAT; oordeelt dat het Land Aqualectra moet gebieden de nutsvoorzieningen opnieuw aan te sluiten zodat EAT haar activiteiten kan voortzetten cq. afbouwen totdat in de door EAT aanhangig te maken bodemprocedure definitief en onherroepelijk is beslist, althans totdat een redelijk alternatief perceel aan EAT is aangeboden met toereikende compensatie en een redelijke overgangstermijn, althans tot een datum die de voorzieningenrechter juist acht; het Land veroordeelt tot betaling van een dwangsom van Cg 5.000 per dag of per overtreding, althans een bedrag die de voorzieningenrechter juist acht, voor iedere dag of keer dat het Land in strijd handelt met het onder 1 of 2 gevorderde; het Land veroordeelt in de proceskosten van dit geding en de daarmee gemoeide kosten tot heden begroot op Cg 5.895,00. 4De beoordeling Voeging 4.1. Het verzoek tot voeging ingevolge artikel 214 Rv van Stonefields c.s. zal, zoals hiervoor reeds onder 1.2. is overwogen, worden toegewezen. 4.2. Voordat het gerecht toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, zullen eerst de gevoerde verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van EAT in deze procedure moeten worden beoordeeld. Het land is procespartij 4.3. Het verzoekschrift van EAT is gericht tegen de Minister van Volkshuisvesting, Volksvoorziening en Ruimtelijke Planning van Curaçao als gedaagde. Ter zitting is het verweer gevoerd dat het instellen van een civielrechtelijke vordering tegen een minister niet mogelijk is, omdat een minister geen zelfstandige civiele rechtspersoonlijkheid heeft. Partijen zijn het er ter zitting echter over eens geworden dat door EAT is bedoeld en door de andere partijen zo is begrepen, dat de vorderingen tegen het Land zijn ingesteld. Partijen hebben ermee ingestemd dat het gerecht niet de minister, maar het Land als gedaagde partij in deze procedure aanmerkt. Ontvankelijkheid 4.4. Het Land en Stonefields c.s. hebben verder aangevoerd dat de vorderingen van EAT rechtstreeks gericht zijn tegen de uitvoering van een last onder bestuursdwang. Voor dergelijke besluiten staat een met waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open, waar EAT ook daadwerkelijk gebruik van heeft gemaakt. Nu de beschikking inclusief de daarin opgenomen termijn feitelijk onaantastbaar is geworden, kan via de civiele rechter niet alsnog aan die beschikking en de termijn worden getornd. Dat zou volgens het Land en Stonefields c.s. leiden tot een materiele wijziging van een onaantastbare bestuursrechtelijke beschikking en vormt een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrecht. EAT kan dus niet in haar vorderingen worden ontvangen, aldus het Land en Stonefields c.s. 4.5. Het gerecht overweegt hierover als volgt. De vraag of voor de civiele rechter een taak is weggelegd bij de beoordeling van een geschil waarin het gaat om bestuursrechtelijk handelen van een overheidsorgaan is afhankelijk van de vraag of een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat of openstond, waarin de rechtmatigheid van dat handelen kan worden getoetst. Is een dergelijke procedure die voldoende rechtsbescherming biedt bij de bestuursrechter voorhanden, dan moet daarvan ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen van de civiele rechter en de bestuursrechter over eenzelfde kwestie gebruik gemaakt worden en is voor de civiele rechter geen taak weggelegd. De achterliggende gedachte is dat zo het belang van de rechtseenheid wordt gewaarborgd en voorkomen wordt dat eenzelfde zaak tot verschillende resultaten kan leiden bij verschillende rechters. 4.6. De conclusie luidt dan ook dat EAT niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat of openstond tegen de last onder bestuursdwang. 4.7. Het betoog van EAT dat zij geen inhoudelijke toetsing van de last onder bestuursdwang vraagt en zij dus wel ontvankelijk is in haar vordering, faalt. De vordering van EAT in deze procedure strekt immers tot schorsing van de last onder bestuursdwang. Als de vordering van EAT in deze procedure zou worden toegewezen, dan zou de last inclusief de daarin opgenomen termijn worden aangetast, omdat dit tot gevolg heeft dat geen uitvoering kan worden gegeven aan de last binnen die termijn. Dit zou een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrecht opleveren. De overige stellingen en verweren kunnen onbesproken blijven. Proceskosten 4.8. EAT zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van het Land worden begroot op Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris. De proceskosten aan de zijde van Stonefields c.s. worden eveneens begroot op Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris. De kosten van het incident zijn daarin begrepen. 5De beslissing in kort geding Het gerecht: in het incident 5.1. staat Stonefields toe zich te voegen in de hoofdzaak aan de zijde van het Land; in de hoofdzaak 5.2. verklaart EAT niet-ontvankelijk in haar vorderingen; 5.3. veroordeelt EAT in de proceskosten van het Land welke zijn vastgesteld op een bedrag van Cg 1.500, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening; 5.4. veroordeelt EAT in de proceskosten van Stonefields c.s. welke zijn vastgesteld op een bedrag van Cg 1.500, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening; 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman, rechter, bijgestaan door mr. M.R. Hoekstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken. ECLI:NL:HR:1991:ZC0261 (https://new.navigator.nl/document/id15761991053114415nj1993112dosred)