Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:PHR:1977:AB6958

Cassatiemiddel dat bij vergissing niet volledig in cassatiedagvaarding is opgenomen en daarom niet voldoet aan de eisen van art. 407 Rv. Rectificatie mogelijk?

Parket bij de Hoge Raad 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:PHR:1977:AB6958 text/xml public 2026-08-03T16:46:42 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AB6958 Parket bij de Hoge Raad 1977-01-07 11 060 Conclusie NL Civiel recht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1977:AB6958 Rechtspraak.nl NJ 1977, 520 met annotatie van W.H. Heemskerk http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1977:AB6958 text/html public 2026-08-03T16:45:52 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:1977:AB6958 Parket bij de Hoge Raad , 07-01-1977 / 11 060
Cassatiemiddel dat bij vergissing niet volledig in cassatiedagvaarding is opgenomen en daarom niet voldoet aan de eisen van art. 407 Rv. Rectificatie mogelijk?

N.

Nr. 11.060.

Zitting van vrijdag 7 januari 1977.

Mr.van Oosten.

Conclusie in zake :

[eiseres], echtgenote van [betrokkene 1]

tegen

DE NEDERLANDSCHE MENSENDIECKBOND c.s.

Edelhoogachtbare Heren,

Het arrest, waartegen de eiseres tot cassatie, [eiseres], beroep in cassatie heeft ingesteld, is gewezen in zake haar, [eiseres], appellante, tegen De Nederlandsche Mensendieckbond en [verweerder 2], geïntimeerden.

Eiseres voert tegen dit arrest één cassatiemiddel aan, hetwelk gericht is tegen in de cassatiedagvaarding aangehaalde rechtsoverwegingen. Deze hebben betrekking op de tweede der door [eiseres] aangevoerde grieven.

De verweerders hebben bij conclusie van antwoord in cassatie, genomen ter terechtzitting van 23 april 1973, geconcludeerd tot nietigverklaring van de cassatiedagvaarding, althans tot niet-ontvankelijkverklaring van eiseres in haar beroep, althans tot verwerping van dit beroep. Deze conclusie heeft eiseres beantwoord met een conclusie, genomen ter terechtzitting van 21 mei 1976, waarin zij doet zeggen, dat "door een tikfout een gedeelte van het cassatiemiddel in de dagvaarding is weggelaten", en waarin zij rectificatie verzoekt van de dagvaarding voorzover daarin is weggelaten:

"Zulks ten onrechte immers:

a. de door het Hof genoemde omstandigheden, dat [eiseres] niet heeft gesteld dat zij zelf rechten aan [betrokkene 2] kan ontleenen en evenmin dat de Bond jegens haar, [eiseres], of een derde, onrechtmatig handelt door de naam Mensendieck te gebruiken of op te leiden tot leerares Mensendieck en dat [eiseres] evenmin heeft gesteld dat de Bond niet eenigerlei afwijking van genoemd systeem veroorlooft of in die opleiding toelaat, irrelevant zijn voor de vraag of door het eventueel verloren gegaan zijn van het (uitsluitend) recht van de Bond om den naam Mensendieck te voeren elken grondslag aan de tusschen [eiseres] en de Bond gesloten overeenkomst zou zijn ontvallen, zijnde het toch immers zonder meer duidelijk dat een dergelijke overeenkomst uitsluitend zin heeft en de eene partij zich uitsluitend een zzo ernstige beperking in haar vrijheid van handelen laat weggevallen als hier is geschied, indien de andere partij het (uitsluitend) recht heeft om den naam Mensendieck te voeren;

b. niet valt in te dien, waarom de stelling [eiseres] dat de door haar met de Bond gesloten overeenkomst elken grondslag zou ontbeeren niet wel vereenigbaar zou zijn met hetgeen [eiseres] sub 2 en 6 heeft gevorderd"

Weliswaar staat de Hoge Raad herstel van misslagen en kennelijke vergissingen in de cassatiedagvaarding toe (vgl. Veegens, Cassatie, 2e dr no . 131, p. 219), maar het euvel waaraan de onderhavige cassatiedagvaarding lijdt is, naar het mij voorkomt, een zodanig aan de dagvaarding klevend gebrek dat rectificatie, in voege als verzocht, niet toelaatbaar is. Mitsdien ware eiseres niet ontvankelijk te verklaren in haar beroep. Ik moge ten deze verwijzen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad aangehaald door Veegens, t. a. p., n. 2.

Mocht de Hoge Raad termen vinden deze rectificatie toe te staan of toelaatbaar te achten, dan zal het middel, ook dan niet tot cassatie kunnen leiden.

Het Hof beoordeelt de tweede appelgrief in de rechtsoverwegingen 2 en 3 van zijn arrest. De alinea's van de derde rechtsoverweging heb ik doorlopend geletterd van a t/m h.

In de cassatiedagvaarding worden niet alle overwegingen aangehaald welke het Hof hebben geleid tot de in r.o. 3 m vervatte beslissing dat de tweede grief moet worden verworpen, doch alleen r.o. 3 alinea's a t/m d.

Eiseres had ter inleidende dagvaarding onder 2 gesteld dat zij de aldaar onder 1 genoemde overeenkomst in dwaling had getekend. Deze stelling wordt in r.o. 2, al. 3, van 's Hofs arrest weergegeven als het betoog "dat de overeenkomst zou dienen te worden terzijde gesteld als in dwaling gesloten, immers zij, [eiseres], die overeenkomst niet zou hebben gesloten, indien zij zou hebben geweten dat de Bond geen exclusief recht op de naam Mensendieck kon doen gelden."

Ten aanzien van de door [eiseres] gestelde dwaling oordeelt het Hof in r.o. 3 al. h, dat de door [eiseres] gestelde dwaling niet betreft de zelfstandigheid van de zaak. Dit oordeel wordt in r.o. 3 i gemotiveerd met de overweging dat de Bond heeft betwist de stelling van [eiseres] dat zij de overeenkomst niet zou hebben gesloten, indien haar ([eiseres]) bekend zou zijn geweest dat de Bond geen exclusief recht op de zaak had en [eiseres] deze op zich zelf niet aannemelijke stelling niet heeft bewezen en in hoger beroep geen bewijsaanbod, laat staan een voldoend gepreciseerd bewijsaanbod daaromtrent heeft gedaan.

In de cassatiedagvaarding wordt niet opgekomen tegen 's Hofs oordeel, vervat in r.o. 3 h, alhoewel dit oordeel strekt tot weerlegging van de evengemelde stelling van [eiseres].

Het aangevoerde middel, gerectificeerd in voege als verzocht, strekt blijkens de mondelinge toelichting daarvan kennelijk ten betoge dat het Hof de stelling van [eiseres], waarop de overwegingen 3 h en 3 i betrekking hebben, in 's Hofs arrest niet weerlegd is, "terwijl"- aldus de geëerde pleiter voor [eiseres] - " [eiseres] streeft naar aantasting van de door haar gesloten overeenkomst, omdat die overeenkomst volgens haar slechts tot stand kon komen omdat zij in dwaling verkeerde".

De geëerde pleiter ziet naar mijn bescheiden mening voorbij dat de hier bedoelde stelling van [eiseres] haar weerlegging vindt in r.o. 3 al. h van het bestreden arrest. Derhalve, ook al zou de Hoge Raad de rectificatie van de dagvaarding, als verzocht, toestaan of toelaatbaar achten, dan nog kan het voorgestelde middel, als gezegd strekkend ten betoge dat de evengemelde stelling van [eiseres] door het Hof niet weerlegd is, bij gebreke van zijn feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

Ik concludeer mitsdien, primair, dat de Hoge Raad eiseres niet-ontvankelijk verklare in haar cassatieberoep, subsidiair, het cassatieberoep verwerpe, met verwijzing van eiseres in de kosten welke aan de zijde van de verweerders op de voorziening zijn gevallen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Artikel delen