Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2021:3623

Koopovereenkomst tussen gedaagde en een bedrijf, waarbij gedaagde haar onderneming, goodwill en bijbehorende activa aan het bedrijf heeft verkocht. Eiser heeft gedaagde voor en na de overdrachtsdatum facturen gestuurd voor geleverde goederen en diensten, en vordert deze in conventie op gedaagde. Gedaagde heeft in reconventie een vordering op eiser.

Rechtbank Amsterdam 30 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2021:3623 text/xml public 2026-07-30T16:05:26 2021-07-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2021-07-14 C/13/685444 / HA ZA 20-621 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proceskostenveroordeling NL Amsterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2021:3623 text/html public 2025-11-26T16:44:38 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2021:3623 Rechtbank Amsterdam , 14-07-2021 / C/13/685444 / HA ZA 20-621
Koopovereenkomst tussen gedaagde en een bedrijf, waarbij gedaagde haar onderneming, goodwill en bijbehorende activa aan het bedrijf heeft verkocht.

Eiser heeft gedaagde voor en na de overdrachtsdatum facturen gestuurd voor geleverde goederen en diensten, en vordert deze in conventie op gedaagde.

Gedaagde heeft in reconventie een vordering op eiser.

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/685444 / HA ZA 20-621

Vonnis van 14 juli 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JAGUAR LAND ROVER NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Vianen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. W.B.J. van Overbeek te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. [gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. T. Prijn te Haarlem.

Partijen zullen hierna JLRNL en [gedaagde] worden genoemd.
<nr>1</nr>De procedure in conventie en in reconventie 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 29 mei 2020;

de akte overleggen producties van 17 juni 2020 van JLRNL, met producties;

de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties;

het tussenvonnis van 20 januari 2021 waarbij een mondelinge behandeling van de zaak is bepaald en de zaak naar de rol is verwezen voor conclusie van antwoord in reconventie;

de conclusie van antwoord in reconventie;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 29 april 2021;

het B-formulier namens [gedaagde] van 21 mei 2021, waarbij zij heeft gevraagd om een nadere akte te mogen nemen;

het B-formulier namens JLRNL van 21 mei 2021, bestaande uit twee delen, waarbij zij heeft gevraagd vonnis te wijzen, een reactie heeft gegeven op het proces-verbaal en zich heeft verzet tegen het verzoek van [gedaagde] om een nadere akte te mogen nemen;

de rolbeslissing van de rechtbank van 2 juni 2021, waarbij het verzoek van [gedaagde] is afgewezen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in conventie en in reconventie.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
JLRNL drijft een onderneming die zich bezighoudt met het importeren van nieuwe personenauto’s van de merken Jaguar en Land Rover.
2.2.
Tussen JLRNL en [gedaagde] bestond tot 1 augustus 2018 een Jaguar Land Rover Retailer- en Erkende Reparateur Overeenkomst (hierna: de Retailer Overeenkomst). Op grond van deze overeenkomst was [gedaagde] een door JLRNL erkende verkoper (hierna: retailer) van JLRNL-voertuigen en reparateur van JLRNL-voertuigen.
2.3.
JLRNL, [gedaagde] en [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) hebben in juli 2018 een akte van contractsovername (hierna: de akte) ondertekend. De akte vermeldt dat [gedaagde] per 1 augustus 2018 (hierna: de overdrachtsdatum) haar rechten en plichten uit de Retailer Overeenkomst overdraagt aan [bedrijf] (artikel 1.1 akte). De akte vermeldt verder dat van de overdracht zijn uitgesloten alle rechten en plichten van [gedaagde] die zien op de periode voorafgaand aan de overdrachtsdatum. Deze bleven bij [gedaagde] (artikel 1.4. akte). JLRNL en [gedaagde] zouden voorafgaand aan de overdrachtsdatum aan al hun betalingsverplichtingen op grond van de Retailer Overeenkomst moeten voldoen, voor zover zij betrekking hadden op de periode tot aan de overdrachtsdatum (artikel 2.1 en 2.2 akte). Met uitzondering van de rechten en plichten over deze periode, zouden alle rechten en plichten uit de Retailer Overeenkomst per de overdrachtsdatum bij [bedrijf] rusten (artikel 4.1. akte).
2.4.
[gedaagde] en [bedrijf] hebben op 1 augustus 2018 een koopovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] haar onderneming, inclusief goodwill, en de daarbij behorende activa aan [bedrijf] heeft verkocht.
2.5.
JLRNL heeft [gedaagde] in de periode voor en na de overdrachtsdatum facturen gestuurd (onder andere) voor door haar aan [gedaagde] geleverde goederen en diensten.
2.6.
[gedaagde] heeft bij brief van haar advocaat van 18 januari 2019 JLRNL gesommeerd tot betaling van onbetaalde claims en bonussen voor een bedrag van EUR 136.217,95 (inclusief btw).
2.7.
JLRNL en [gedaagde] hebben in de periode na de sommatie door [gedaagde] met elkaar gesproken en gecorrespondeerd over de vordering die [gedaagde] stelde te hebben. Dit heeft niet tot een oplossing geleid. [gedaagde] heeft bij e-mail van haar advocaat van 8 november 2019 laten weten dat de vordering van [gedaagde] EUR 239.205,13 bedroeg.
<nr>3</nr>Het geschil in conventie 3.1.
JLRNL wil – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling aan JLRNL van EUR 123.146,39, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. Verder wil zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van EUR 2.006,46 en in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke rente over de (na)kosten.
3.2.
JLRNL legt aan haar vordering ten grondslag dat zij goederen en diensten aan [gedaagde] heeft geleverd, waarvoor [gedaagde] aan JLRNL moet betalen. JLRNL had een vordering op [gedaagde] van EUR 113.537,- op grond van de verplichting van [gedaagde] om aan JLRNL de bedragen te betalen waarvoor JLRNL door de belastingdienst is aangeslagen, in het kader van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Verder had JLRNL een vordering op [gedaagde] ter zake van diverse posten van EUR 22.136,59. Tot slot had JLRNL een vordering op [gedaagde] van EUR 17.203,82 ter zake van aan [gedaagde] geleverde onderdelen. Na verrekening van deze vorderingen met een vordering van [gedaagde] op JLRNL van EUR 29.731,02 resteert een bedrag van EUR 123.146,39 dat [gedaagde] aan JLRNL moet betalen. [gedaagde] moet op grond van artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) naast de hoofdsom wettelijke handelsrente aan JLRNL betalen. De advocaat van JLRNL heeft gecorrespondeerd met de advocaat van [gedaagde] om het geschil buiten rechte tot een oplossing te brengen. [gedaagde] moet daarom ook een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten betalen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.

in reconventie
3.4.
[gedaagde] wil dat de rechtbank de vordering van [gedaagde] tot betaling van EUR 239.205,13 gegrond verklaart en toewijst. Voor zover deze vordering niet wordt toegewezen wil [gedaagde] dat de rechtbank haar vordering tot betaling gegrond verklaart en toewijst onder aftrek van de toewijsbare facturen van JLRNL, maar ten minste onder aftrek van EUR 53.328,33. Als ook die vordering niet wordt toegewezen wil zij dat haar vordering gegrond wordt verklaard en wordt toegewezen, onder verrekening van de facturen van JLRNL tot maximaal EUR 123.146,30. Tot slot wil [gedaagde] , als al de voorgaande vorderingen niet worden toegewezen, dat haar vordering op JLRNL gegrond wordt verklaard vastgesteld naar redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] wil het een en ander met veroordeling van JLRNL in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke handelsrente.
3.5.
[gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij recht heeft op betaling door JLRNL van bonussen en commerciële tegemoetkomingen over de periode vanaf 2015 tot aan – naar de rechtbank begrijpt – de overdrachtsdatum. De vordering van [gedaagde] bedraagt EUR 239.205,15. JLRNL heeft dit bedrag niet betaald en moet dat alsnog doen, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
3.6.
JLRNL voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
in conventie en in reconventie

exhibitieverzoek van [gedaagde]
4.1.
heeft verzocht om JLRNL op de voet van de artikelen 150, 843a en 843b Rv te verplichten om alle gegevens met betrekking tot de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en JLRNL aan haar ter beschikking te stellen dan wel haar daartoe toegang te verlenen. Volgens [gedaagde] gaat het daarbij om financiële bestanden, toegang tot de sales toolkit vanaf 2015 en overige e-mailcorrespondentie met betrekking tot de vordering van JLRNL en haar eigen vordering.
4.2.
[gedaagde] heeft in conventie geen incidentele vordering ingesteld of in het petitum van haar reconventionele eis een vordering tot exhibitie op grond van de artikelen 843a en 843b Rv geformuleerd. Maar dat dit haar bedoeling was blijkt voldoende duidelijk uit het lichaam van haar conclusies. Daarin heeft zij de betreffende artikelen als zodanig aangehaald en is zij ingegaan op de voorwaarden die de artikelen stellen aan de vordering om voor toewijzing in aanmerking te komen. In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie als bedoeld door de Hoge Raad in zijn arrest van 15 november 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC0413, NJ 1992/724 m.nt. [naam] ). Gelet op het feit dat JLRNL verweer heeft gevoerd tegen de stellingen die [gedaagde] naar voren heeft gebracht, heeft zij ook begrepen waartegen zij zich moest verweren. De rechtbank zal het verzoek in conventie en in reconventie daarom opvatten als een vordering op grond van artikel 843a en 843b Rv.
4.3.
Het verzoek van [gedaagde] zal in conventie niet worden gehonoreerd bij gebrek aan een rechtmatig belang. In conventie gaat het om de vraag of [gedaagde] de door JLRNL gestelde factuurbedragen moet betalen. [gedaagde] stelt in conventie als haar belang bij inzage in de gegevens, dat daarmee de onjuistheid van de facturen zou kunnen worden aangetoond. Stelplicht en bewijslast met betrekking tot de verschuldigdheid van de gevorderde bedragen rusten echter in beginsel bij JLRNL. Het is dus aan JLRNL om bij gemotiveerde betwisting door [gedaagde] de verschuldigdheid van de gevorderde bedragen aan te tonen en niet aan [gedaagde] om de onjuistheid aan te tonen. Dit betekent dat [gedaagde] geen belang heeft bij haar verzoek.
4.4.
Het verzoek zal ook in reconventie niet worden gehonoreerd. JLRNL heeft gemotiveerd en onderbouwd naar voren gebracht dat zij in haar systemen geen gegevens betreffende de vordering van [gedaagde] heeft aangetroffen. De rechtbank heeft op basis van hetgeen [gedaagde] stelt geen aanleiding om aan te nemen dat JLRNL wel over de door [gedaagde] gevraagde gegevens beschikt.

verder in reconventie
4.5.
Naast dat zij de vordering van JLRNL inhoudelijk weerspreekt, wil [gedaagde] dat een eventueel aan JLRNL toewijsbaar bedrag wordt verrekend met het bedrag dat volgens [gedaagde] aan haar toekomt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om eerst de vordering van [gedaagde] te beoordelen.
4.6.
De vraag die in reconventie moet worden beantwoord is of JLRNL betalingsverplichtingen tegenover [gedaagde] heeft waaraan zij nog moet voldoen.

stelplicht en bewijslast
4.7.
[gedaagde] heeft naar voren gebracht – samengevat – dat het aan JLRNL is om aan te tonen dat de door [gedaagde] gestelde vordering onjuist is. Zij bepleit een omkering van de bewijslast. Op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rusten de stelplicht en bewijslast wat betreft haar vordering in beginsel bij [gedaagde] . Aan een bewijslastverdeling (en daarmee ook de vraag of een omkering van de bewijslast moet plaatsvinden) wordt pas toegekomen als voor de vordering voldoende is gesteld en de vordering voldoende is onderbouwd. Uit dat wat hierna onder 4.8.1 en 4.8.2 zal worden overwogen volgt dat [gedaagde] niet aan haar stelplicht dan wel verplichting tot onderbouwing van haar vordering heeft voldaan. Er wordt daarmee niet toegekomen aan de vraag naar de bewijslastverdeling, zodat dat wat [gedaagde] in dit verband naar voren heeft gebracht niet inhoudelijk hoeft te worden beoordeeld.

moet JLRNL betalen?
4.8.
[gedaagde] baseert haar vordering op de stelling dat JLRNL nog bonussen en commerciële tegemoetkomingen aan haar moet betalen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar vordering stukken in de procedure ingebracht. JLRNL heeft weersproken dat zij aan [gedaagde] bonussen en commerciële tegemoetkomingen moet betalen.
4.8.1.
Met betrekking tot de bonussen wordt het volgende overwogen. JLRNL heeft erop gewezen dat zij steeds schriftelijk aankondigde in welke periode de retailers een bonus konden verdienen. De bonus kon worden verdiend doordat een retailer in de betreffende periode een bepaalde hoeveelheid goederen van JLRNL afnam of verkocht. JLRNL heeft zich op het standpunt gesteld dat dit de enige soort bonus was die retailers moesten claimen. Overige bonussen hoefden niet te worden geclaimd. [gedaagde] heeft niet weersproken dat op de door JLRNL beschreven manier bonussen konden verdiend. Zij heeft niet naar voren gebracht dat de bonussen waarop zij aanspraak maakt, bonussen betreffen die niet hoeven te worden geclaimd. Dit betekent dat het op de weg van [gedaagde] lag om te stellen en te onderbouwen dat zij binnen een door JLRNL afgekondigde periode producten van JLRNL heeft afgenomen of heeft verkocht en dat de afgenomen of verkochte hoeveelheid producten voldeed aan de door JLRNL gestelde ondergrens voor het verdienen van een bonus. Dit alles heeft niet zij niet gesteld. De door [gedaagde] in de procedure ingebrachte anonieme verklaring van een voormalig collega retailer helpt [gedaagde] niet. Uit deze verklaring kan alleen worden opgemaakt dat er volgens de verklarende persoon verschillende soorten bonussen waren, dat er over de bonussen ook mondeling werd gesproken en dat er vervolgens een claim bij JLRNL moest worden ingediend. Maar daaruit volgt niet dat ook bij de door [gedaagde] geclaimde bonussen sprake is geweest van een mondelinge toezegging op grond waarvan JLRNL bonussen moet betalen. [gedaagde] heeft dan nog steeds niet aan haar stelplicht voldaan. De vordering van [gedaagde] , voor zover deze betrekking heeft op de betaling van bonusbedragen, is dan ook niet toewijsbaar.
4.8.2.
Met betrekking tot de door [gedaagde] gevorderde commerciële tegemoetkomingen heeft JLRNL erop gewezen dat het daarbij ging om situaties waarin de retailer niet binnen de bestaande dealermarge tot de verkoop van een voertuig kan komen. De retailer overlegde dan met de accountmanager van JLRNL om een extra commerciële tegemoetkoming te krijgen, waardoor de verkoop van het voertuig wel kon plaatsvinden. Volgens JLRNL werd de toezegging voor een tegemoetkoming geadministreerd in een formulier (het sales claim formulier). Dit formulier moest dan worden geüpload in een digitale omgeving (de sales toolkit). JLRNL heeft gemotiveerd naar voren gebracht dat zij geen van de door [gedaagde] gestelde verschuldigde commerciële tegemoetkomingen in de sales toolkit terug heeft kunnen vinden.

[gedaagde] heeft sales claim formulieren, verkoopfacturen en uitdraaien uit de sales toolkit in de procedure ingebracht. Met uitzondering van één tijdens de mondelinge behandeling toegelichte claim, heeft [gedaagde] aan de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt dat de door haar in de procedure ingebrachte stukken betrekking hebben op de door haar gevorderde commerciële tegemoetkomingen. De rechtbank rekent het niet tot haar taak om zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, in deze stukken naar aanknopingspunten te zoeken die de stelling van [gedaagde] ondersteunen. Het is aan [gedaagde] om de rechtbank duidelijk te maken welke van de door haar ingebrachte stukken betrekking hebben op welke claim en waarom. Dat heeft zij niet gedaan. [gedaagde] heeft daarmee, tegenover de gemotiveerde weerspreking door JLRNL, haar vordering onvoldoende onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] met betrekking tot één claim een nadere toelichting gegeven. Maar met betrekking tot deze commerciële tegemoetkoming is niet onderbouwd dat – zoals JLRNL ook heeft weersproken – hieraan een toezegging ten grondslag ligt van een daartoe bevoegde medewerker van JLRNL. Ook de gevorderde commerciële tegemoetkomingen zijn dus niet toewijsbaar.
4.9.
Gelet op dat wat hiervoor onder 4.8.1 en 4.8.2is overwogen en geoordeeld, luidt de slotconclusie dat de vordering van [gedaagde] niet toewijsbaar is.

verder in conventie
4.10.
De vraag die in conventie moet worden beantwoord is of [gedaagde] betalingsverplichtingen tegenover JLRNL heeft waaraan zij nog moet voldoen.

Bpm-vordering
4.11.
De vordering van JLRNL betreffende de terugbetaling belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm-vordering) ziet op de Bpm waarvoor JLRNL door de belastingdienst is aangeslagen. JLRNL heeft deze belasting bij [gedaagde] in rekening gebracht en wil die door haar terugbetaald zien. JLRNL heeft het ontstaan van de vordering toegelicht. Een JLRNL-retailer, zoals [gedaagde] , vraagt op het moment dat een door hem verkocht voertuig klaar is voor levering aan JLRNL om een kenteken aan te vragen en die op naam van de klant te laten stellen. JLRNL zorgt hiervoor en wordt vervolgens door de belastingdienst voor de Bpm aangeslagen. JLRNL brengt het bedrag waarvoor zij is aangeslagen bij de retailer in rekening. Deze Bpm is al door de retailer aan de klant in rekening gebracht en ontvangen, aldus steeds JLRNL.
4.12.
[gedaagde] heeft de door JLRNL beschreven werkwijze niet weersproken. Dit betekent dat tussen JLRNL en [gedaagde] vaststaat dat [gedaagde] voor voertuigen waarvoor zij de door JLRNL beschreven werkwijze heeft gevolgd, in beginsel de door JLRNL doorbelaste Bpm moet betalen. [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat niet is onderbouwd op welke voertuigen de vordering van JLRNL betrekking heeft. Zij heeft verder naar voren gebracht dat zij de vordering niet kan controleren, omdat zij sinds de overdrachtsdatum geen toegang heeft tot de centrale systemen van JLRNL. Volgens [gedaagde] staan hierin gegevens die betrekking hebben op de financiële verhoudingen tussen haar en JLRNL. Volgens [gedaagde] is zij door JLRNL van deze systemen afgesloten.
4.13.
De door [gedaagde] aangevoerde verweren slagen niet. JLRNL heeft tijdens de mondelinge behandeling erop gewezen dat elk van de door [gedaagde] ontvangen facturen betrekking heeft op voertuigen die [gedaagde] voor de overdrachtsdatum van JLRNL heeft gekocht en aan de klant heeft geleverd. Zij heeft er verder op gewezen dat op iedere factuur het unieke VIN-nummer van het betreffende voertuig staat vermeld. Volgens JLRNL kon [gedaagde] aan de hand van dit VIN-nummer de vordering in haar eigen administratie controleren. [gedaagde] heeft dit alles niet weersproken. [gedaagde] heeft voert weliswaar aan dat zij met betrekking tot de Bpm-vordering de facturen niet kon controleren, maar maakt dit niet inzichtelijk in het licht van de toelichting van JLRNL. Zoals blijkt uit haar productie 3 beschikte [gedaagde] klaarblijkelijk wel over VIN-nummers van door haar verkochte voertuigen. Die worden namelijk in haar lijst vermeld (ook van voertuigen uit 2018). Gelet op het vorenstaande heeft [gedaagde] de vordering onvoldoende gemotiveerd weersproken. De Bpm-vordering is dan ook toewijsbaar.

verzamelpost
4.14.
Deze vordering betreft volgens JLRNL een verzamelpost van diverse facturen. [gedaagde] heeft ook met betrekking tot deze facturen in algemene zin naar voren gebracht dat zij de facturen niet kan controleren. Dit verweer is onvoldoende concreet om de vordering af te weren. Op de facturen wordt vermeld waarop zij betrekking hebben. Van [gedaagde] mocht worden verwacht dat zij meer concreet op de diverse facturen zou ingaan, zoals zij ook bij de hierna te bespreken facturen heeft gedaan.
4.15.
Met betrekking tot de facturen eindigend op [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat zij kennelijk betrekking hebben op de introductie van een nieuw te verkopen model, de IPACE. [gedaagde] betwist dat zij de in rekening gebrachte kosten moet betalen. Volgens haar hebben de geleverde materialen betrekking op toekomstige leveringen van – naar de rechtbank begrijpt – het model IPACE aan [bedrijf] . Het verweer faalt. Tussen JLRNL en [gedaagde] staat vast dat uit artikel 2.1 akte volgt dat [gedaagde] al haar betalingsverplichtingen zal moeten voldoen, voor zover zij betrekking hebben op de periode tot aan de overdrachtsdatum. JLRNL heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de in de bovengenoemde facturen vermelde goederen vóór de overdrachtsdatum door [gedaagde] zijn besteld. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Dit betekent, nu partijen niet hebben gesteld dat zij iets anders hebben afgesproken, dat er met de bestelling van de goederen een betalingsverplichting voor [gedaagde] is ontstaan. Die moet zij nakomen. Dat de materialen, zoals [gedaagde] naar voren heeft gebracht, betrekking hebben op toekomstige leveringen van de IPACE aan [bedrijf] maakt dit niet anders. Het moment waarop de betalingsverplichting is ontstaan is bepalend voor de vraag of JLRNL betaling kan vorderen. De facturen zijn daarmee verschuldigd.
4.16.
Met betrekking tot de factuur eindigend op [nummer 4] geldt dat JLRNL tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht dat [gedaagde] op 11 april 2018 opdracht heeft gegeven voor het leveren van goederen betreffende de “corporate identity” (hierna: CI-goederen). [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Ook hier geldt dat nu partijen niet hebben gesteld dat zij iets anders hebben afgesproken, met het geven van de opdracht de betalingsverplichting is ontstaan. Het verweer dat de goederen aan [bedrijf] zijn geleverd, wat door JLRNL gemotiveerd is weersproken, baat [gedaagde] niet. Dat ontslaat haar namelijk niet van haar betalingsverplichting.

[gedaagde] heeft ook nog naar voren gebracht dat zij, gelet op artikel 4.1 akte in samenhang met de artikelen 2.1-2.3 akte, niet hoefde te verwachten dat zij nog voor de CI-goederen hoefde te betalen. Ook dit verweer helpt [gedaagde] niet. In artikel 2.1-2.2 akte wordt – samengevat – bepaald dat zowel JLRNL als [gedaagde] aan haar betalingsverplichtingen moet voldoen, voor zover die betrekking hebben op de periode tot aan de overdrachtsdatum. Artikel 2.3 akte bepaalt dat zij over en weer zijn gekweten voor zover zij aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan. Artikel 4.1 akte bepaalt dat met ingang van de overdrachtsdatum alle rechten en verplichtingen op grond van de Retailer overeenkomst op [bedrijf] rusten.

Tussen partijen bestaat geen verschil van mening dat wat er in artikel 4.1 akte staat ook is wat zij zijn overeengekomen. Uit artikel 4.1 akte volgt niet zonder meer dat, met de overgang van de rechten en verplichtingen op [bedrijf] per de overdrachtsdatum, ook eventuele betalingsverplichtingen die vóór de overdrachtsdatum voor [gedaagde] zijn ontstaan op [bedrijf] overgaan. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te stellen dat dit wel de bedoeling van partijen was, heeft zij geen feiten en omstandigheden gesteld die tot dat oordeel leiden. De factuur is daarmee verschuldigd.

geleverde onderdelen
4.17.
[gedaagde] heeft ook met betrekking tot deze facturen in algemene zin naar voren gebracht dat zij de facturen niet kan controleren. Dit verweer is onvoldoende concreet om de vordering af te weren. Op de facturen wordt vermeld waarop zij betrekking hebben. Van [gedaagde] mocht worden verwacht dat zij meer concreet op de diverse facturen zou ingaan. [gedaagde] heeft de vordering daarmee onvoldoende gemotiveerd weersproken. De facturen zijn verschuldigd.

verrekening
4.18.
Met betrekking tot de door [gedaagde] gestelde tegenvordering heeft de rechtbank in reconventie geoordeeld dat die niet toewijsbaar is. Dit betekent dat het beroep van [gedaagde] op verrekening met de door haar gestelde tegenvordering niet slaagt.

verrekening met garantiewerkzaamheden
4.19.
JLRNL heeft in haar dagvaarding vermeld dat zij een aan [gedaagde] toekomend bedrag van EUR 29.731,02 betreffende garantiewerkzaamheden heeft verrekend met haar oorspronkelijke vordering van EUR 152.877,41. [gedaagde] heeft hierover opgemerkt dat haar niet duidelijk is of alle claims met betrekking tot garantiewerkzaamheden zijn toegekend. Voor zover [gedaagde] daarmee vraagtekens stelt bij de juistheid van het door JLRNL verrekende bedrag, in die zin dat een hoger bedrag had moeten worden verrekend, heeft zij geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot dat oordeel leiden. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van het door JLRNL verrekende bedrag.

conclusie
4.20.
De conclusie is dat het door JLRNL gevorderde bedrag van EUR 123.146,39 toewijsbaar is.

rente ‘verzamelpost’ en ‘geleverde onderdelen’
4.21.
JLRNL heeft wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW gevorderd. Uit haar stellingen die betrekking hebben op de facturen voor voornoemde ‘verzamelpost’ en ‘geleverde onderdelen’ volgt dat deze facturen betrekking hebben op een handelsovereenkomst. Anders dan [gedaagde] naar voren heeft gebracht hoeft voor het ontstaan van de verplichting tot vergoeding van wettelijke handelsrente geen verzuim aanwezig te zijn. [gedaagde] hoefde dus niet in gebreke te worden gesteld. [gedaagde] heeft verder nog naar voren gebracht dat facturen naar haar “oude adres” zijn gezonden. Maar zij heeft niet duidelijk gemaakt welke facturen dit betreft. De rechtbank gaat reeds daarom aan dit verweer voorbij. JLRNL heeft naar voren gebracht dat voor de betaling van deze facturen een betalingstermijn van 7 dagen geldt. [gedaagde] heeft dit niet betwist. De gevorderde wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW zal daarom worden toegewezen met ingang van de 8e dag na de factuurdatum.

rente ‘Bpm-vordering’
4.22.
Met betrekking tot voornoemde ‘Bpm-vordering’ is de rechtbank van oordeel dat in zoverre geen sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a lid 2 BW. Uit dat wat JLRNL naar voren heeft gebracht volgt niet dat deze facturen betrekking hebben op een overeenkomst, waarbij een van de partijen verplicht is iets te geven of te doen. Het betreft een doorbelasting van de belasting waarvoor JLRNL door de belastingdienst is aangeslagen. De wettelijke handelsrente kan dan niet worden toegewezen. Omdat JLRNL wettelijke handelsrente heeft gevorderd, moet worden aangenomen dat zij ook aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente.

Voor de verschuldigdheid van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW is verzuim nodig. JLRNL heeft naar voren gebracht dat [gedaagde] niet binnen de betalingstermijn van 7 dagen heeft betaald. De rechtbank begrijpt dat JLRNL daarmee stelt dat [gedaagde] na het verstrijken van de betalingstermijn in verzuim is geraakt (artikel 83 aanhef en onder a BW). [gedaagde] heeft niet weersproken dat zij de facturen binnen 7 dagen moest betalen. De gevorderde wettelijke rente van 6:119 BW zal daarom worden toegewezen met ingang van de 8e dag na de factuurdatum.

buitengerechtelijke incassokosten
4.23.
JLRNL heeft tot slot buitengerechtelijke incassokosten van EUR 2.006,46 en veroordeling van [gedaagde] in de (na)kosten van deze procedure gevraagd. [gedaagde] heeft hiertegen ingebracht dat het aan JLRNL te wijten is dat zij de procedure heeft moeten voeren en dat zij daarvoor kosten heeft gemaakt. Waarom het aan JLRNL te wijten is dat zij de procedure heeft moeten voeren en waarom dit ertoe moet leiden dat JLRNL geen aanspraak kan maken op de gevorderde kosten, heeft [gedaagde] echter niet inzichtelijk gemaakt. Daarom faalt haar verweer.
4.24.
Uit de stellingen van JLRNL maakt de rechtbank op dat de verbintenissen tot betaling van de geldsommen op de tussen partijen gesloten overeenkomst zijn gebaseerd. JLRNL vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat het Besluit van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. JLRNL heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. Het gevorderde zal daarom worden toegewezen.

in conventie en in reconventie
4.25.
[gedaagde] zal, als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedures. Deze worden in conventie begroot op:

- explootkosten

EUR

83,38

- griffierecht

EUR

4.131,00

- salaris gemachtigde

EUR

3.540,00

(2 punten x tarief EUR 1.770,00)

totaal

EUR

7.754,38

De kosten in reconventie worden begroot op EUR 4.982,00 (2 punten x tarief EUR 2.491,00) aan salaris advocaat. De door JLRNL gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zijn in conventie en in reconventie toewijsbaar als hierna onder de beslissing vermeld.
4.26.
[gedaagde] zal verder in conventie en in reconventie worden veroordeeld in de nakosten van de procedures, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover, zoals hierna onder de beslissing vermeld.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank

in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan JLRNL van EUR 123.146,39;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de facturen betreffende de ‘Bpm-vordering’ met ingang van de 8e dag na de factuurdatum tot aan de dag van de volledige betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de facturen betreffende de ‘verzamelpost’ en de ‘geleverde onderdelen’, met ingang van de 8e dag na de factuurdatum tot aan de dag van de volledige betaling;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan JLRNL van EUR 2.006,46 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van JLRNL begroot op EUR 7.754,38, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de 15e dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van de volledige betaling, indien [gedaagde] de kosten niet voordien aan JLRNL heeft betaald;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie
5.7.
wijst de vordering af;
5.8.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van JLRNL begroot op EUR 4.982,00, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de 15e dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van de volledige betaling, indien [gedaagde] de kosten niet voordien aan JLRNL heeft betaald;

in conventie en in reconventie
5.9.
veroordeelt JLRNL in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 255,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan dag van de volledige betaling;
5.10.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2021.

type: ERM

coll:

Artikel delen