Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2025:11486

Artikel 7:10, eerste lid, Awb gaat uit van aanvang beslistermijn na afloop bezwaartermijn. Artikel 236, tweede lid, Gemeentewet gaat uit van aanvang beslistermijn na maken bezwaar. De systematiek in de Awb is in 2009 gewijzigd. De Gemeentewet is toen niet aangepast. Bij een op 19 november of eerder ontvangen bezwaarschrift vangt de beslistermijn aan na het maken van bezwaar. De zeswekentermijn ...

Rechtbank Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:11486 text/xml public 2026-08-03T10:29:14 2026-06-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2025-11-05 AMS 25/705 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:11486 text/html public 2026-07-31T12:20:54 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2025:11486 Rechtbank Amsterdam , 05-11-2025 / AMS 25/705
Artikel 7:10, eerste lid, Awb gaat uit van aanvang beslistermijn na afloop bezwaartermijn. Artikel 236, tweede lid, Gemeentewet gaat uit van aanvang beslistermijn na maken bezwaar. De systematiek in de Awb is in 2009 gewijzigd. De Gemeentewet is toen niet aangepast. Bij een op 19 november of eerder ontvangen bezwaarschrift vangt de beslistermijn aan na het maken van bezwaar. De zeswekentermijn is niet van toepassing.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 25/705 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [opposant], te [woonplaats], opposant,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Opposant heeft beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een uitspraak op bezwaar door verweerder.

In de uitspraak van 12 mei 2025 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechter heeft de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen. Een voorwaarde is dat er niet getwijfeld kan worden aan het eindoordeel. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De reden hiervoor is dat opposant de ingebrekestelling te vroeg naar verweerder heeft opgestuurd.

2. Als iemand tegen zo'n buiten-zittinguitspraak verzet instelt, moet de rechtbank beoordelen of zij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Het gaat er in deze verzetzaak dus om of buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Reden van verzet

3. Opposant heeft in zijn verzetschrift geschreven dat het bewaarschrift op

19 november 2024 is ingediend. Dit was vóór de laatste zes weken van het jaar.

Beoordeling

Wat is er gebeurd?

4. Opposant heeft op 19 november 2024 een bedrag van € 51,10 aan leges betaald voor het verstrekken van een rijbewijs. Opposant heeft met een brief van 19 november 2024 op nader aan te voeren gronden bezwaar gemaakt tegen de heffing van leges. Met een brief van 2 januari 2025 heeft opposant een ingebrekestelling gezonden. Met een brief van 20 januari 2025 heeft opposant de gronden van het bezwaar ingediend. Op 24 januari 2025 heeft opposant beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een uitspraak op bezwaar.

Wat staat er in de wet?
5.1
In de Awb staan de algemene regels over de beslistermijn op een bezwaarschrift. Tot 1 oktober 2009 stond in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dat het bestuursorgaan (…) na ontvangst van het bezwaarschrift op het bezwaar moet beslissen. Met ingang van

1 oktober 2009 is dit artikel gewijzigd en is, voor zover hier relevant, daarin bepaald dat de beslistermijn aanvangt, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De wetgever heeft het uitgangspunt dat de beslistermijn aanvangt op de dag na ontvangst van het bezwaarschrift losgelaten en bepaald dat de beslistermijn aanvangt op de dag na afloop van de bezwaartermijn.
5.2
Van de algemene regel in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb kan worden afgeweken onder de voorwaarde dat die uitzondering in de betreffende wet staat. De beslistermijn in een zaak als deze is geregeld in de Gemeentewet. In artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid van de Awb uitspraak wordt gedaan in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De uitzondering in de Gemeentewet gaat alleen over artikel 7:10, eerste lid, van de Awb.
5.3
Artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet is naar aanleiding van de wijziging van de Awb op 1 oktober 2009 niet aangepast. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 236 Gemeentewet staat evenmin dat de wetgever anders heeft bedoeld. Hoewel de wetgever in de systematiek van de Gemeentewet bewust heeft gekozen voor een langere beslistermijn dan in de Awb, heeft de wetgever in de afgelopen 16 jaar tot op heden geen actie ondernomen om voor een in de laatste maanden van het kalenderjaar ingediende bezwaarschrift artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet aan te passen.
5.4
Het voorgaande betekent dat als een bezwaarschrift uiterlijk op 19 november 2024 is ingediend artikel 7:10, eerste lid, van de Awb in dat geval niet van toepassing is en dat in 2024 uitspraak moet worden gedaan op het bezwaarschrift.

Is terecht verzet ingesteld?
6.1
De verzetrechter zal het verzet gegrond verklaren. De reden hiervoor is het volgende.
6.2
Opposant stelt dat hij daags vóór aanvang van de laatste zes weken van het kalenderjaar 2024 bezwaar heeft gemaakt. De verzetrechter volgt opposant in deze stelling. De eerste dag van de zeswekentermijn in artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet was

20 november 2024. Verweerder heeft bevestigd dat het bezwaarschrift op 19 november 2024 is ontvangen. Verweerder had binnen het lopende kalenderjaar 2024 nog zes weken om op het bezwaarschrift van opposant te beslissen. De eerste dag van de beslistermijn van zes weken was 20 november 2024, de laatste dag was op 31 december 2024.
6.3
De omstandigheid dat opposant op nader aan te voeren gronden bezwaar heeft gemaakt maakt het hier niet anders. Gesteld noch gebleken is dat verweerder opposant voor of op 31 december 2024, dus binnen de beslistermijn, de een herstelverzuimmogelijkheid heeft geboden. Had verweerder opposant wel – tijdig – gevraagd om de gronden van het bezwaar in te dienen, dan was in dat geval de beslistermijn verlengd.
6.4
De op 2 januari 2025 ingediende ingebrekestelling is dus op tijd ingediend.

Conclusie

7. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De griffier zal verweerder in de gelegenheid stellen de vraag te beantwoorden of inmiddels uitspraak is gedaan op het bezwaarschrift van opposant.

8. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van

M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025. **

griffier rechter

is verhinderd te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De behandeling van het beroep wordt voortgezet.

Coll: M.P.O.

D: B

artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 7:10 van de Awb

Wet van 18 juni 2009, Staatsblad 384 (Wetsvoorstel 31 751)

ECLI:NL:HR:2019:494 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2019:494&keyword=ECLI:NL:HR:2019:494) punten 2.3.2 en 2.3.3

Artikel delen