ECLI:NL:RBAMS:2026:3468text/xmlpublic2026-09-03T13:53:592026-04-08Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Amsterdam2026-03-11C/13/762079/HA ZA 25-21UitspraakBodemzaakEerste aanleg - meervoudigProceskostenveroordelingOp tegenspraakNLAmsterdamCiviel recht; GoederenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3468text/htmlpublic2026-09-03T13:51:582026-09-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBAMS:2026:3468 Rechtbank Amsterdam , 11-03-2026 / C/13/762079/HA ZA 25-21 Onteigeningszaak
RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/762079 / HA ZA 25-21 Vonnis van 11 maart 2026 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE GEMEENTE AMSTERDAM,
waarvan de zetel is gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. J.S. Procee, tegen 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM,
waarvan de zetel is gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. L.A. Jager,
2. [gedaagde 2] , wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. H.J.M. van Schie,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat mr. H.J.M. van Schie,
gedaagden, en de tussenkomende partijen 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[tussenkomende partij 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat mr. H.J.M. van Schie,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[tussenkomende partij 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaat mr. H.J.M. van Schie. Partijen worden hierna de gemeente, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [tussenkomende partij 1]
en [tussenkomende partij 2] genoemd. Partijen sub 2 tot en met 5 zullen hierna gezamenlijk ook worden aangeduid als [partijen sub 2 t/m 5] 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 16 april 2025, waarbij de vervroegde onteigening van vier daarin nader aangeduide percelen is uitgesproken, een voorschot op de schadeloosstelling is toegekend en is bepaald dat het voorlopig bericht van de bij beschikking van 27 juni 2024 benoemde drie deskundigen zal gelden als (concept) deskundigenrapport ter begroting van de schade in de onderhavige procedure (hierna: het tussenvonnis),
- het (definitieve) deskundigenbericht van 25 september 2025,
- het proces-verbaal van het op 22 januari 2026 gehouden pleidooi, met de daarin genoemde processtukken. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1. Bij tussenvonnis van 16 april 2025 is de vervroegde onteigening van de volgende percelen (hierna: de betrokken percelen) uitgesproken: - grondplannummer 6: het perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, [sectie+nummer 1] , totaal groot: 499 m2, kadastraal omschreven als "Bedrijvigheid (industrie)" plaatselijk bekend als [locatie 1] ,
- grondplannummer 7: een deel van 384 m2 van het perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, sectie [sectie+nummer 2] , totaal groot: 87.195 m2, kadastraal omschreven als "Bedrijvigheid (industrie)" plaatselijk bekend als het terrein gelegen aan de [locatie 2] ,
- grondplannummer 13: het perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, [sectie+nummer 2] , totaal groot: 361 m2, kadastraal omschreven als "Bedrijvigheid (industrie)" plaatselijk bekend als [locatie 3] , en
- grondplannummer 14: het perceel kadastraal bekend gemeente Amsterdam, [sectie+nummer 3] , totaal groot: 536 m2, kadastraal omschreven als "Bedrijvigheid (industrie)", plaatselijk bekend als [locatie 4] . 2.2. Dit tussenvonnis is op 17 juni 2025 in de openbare registers ingeschreven (de peildatum). 2.3. De betrokken percelen maken deel uit van een bedrijventerrein [naam bedrijventerrein] . De onteigening staat ten dienste van de transformatie van dit bedrijventerrein naar een woon-werkgebied met de nadruk op wonen. De realisatie daarvan wordt mogelijk gemaakt door het bestemmingsplan “ [naam bedrijventerrein] ” en het uitwerkingsplan “ [naam bedrijventerrein] , 1e uitwerking”. 2.4. De gemeente Amsterdam is eigenaar van voormelde kadastrale percelen. 2.5. Grondplannummer 6 was tot de peildatum belast met een voortdurend recht van erfpacht ten name van [gedaagde 2] . Op grondplannummer 6 staat een bedrijfsruimte die door [gedaagde 2] was verhuurd aan [tussenkomende partij 1] . Onderhuurder van een deel van die bedrijfsruimte was [tussenkomende partij 2] . 2.6. Grondplannummer 7 was door de gemeente Amsterdam verhuurd aan [tussenkomende partij 1] . 2.7. Grondplannummer 13 was belast met een voortdurend recht van erfpacht ten name van [gedaagde 3] . Op grondplannummer 13 staat een bedrijfsruimte die door [gedaagde 3] is verhuurd aan [tussenkomende partij 1] . 2.8. Grondplannummer 14 was belast met een voortdurend recht van erfpacht ten name van [gedaagde 2] . Op grondplannummer 14 staat een bedrijfsruimte die door [gedaagde 2] is verhuurd aan [tussenkomende partij 1] . 2.9. Door [tussenkomende partij 1] werd een autoschadeherstelbedrijf uitgeoefend en door [tussenkomende partij 2] werd een handel in en reparatie van elektrische fietsen gedreven. De exploitatie daarvan werd gedaan door twee broers, te weten [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , via aan hen gerelateerde entiteiten. [gedaagde 2] nam daarbij de zakelijke en commerciële kant van de onderneming voor zijn rekening en [gedaagde 3] de inhoudelijke en technische kant. Het autoschadeherstelbedrijf is opgericht door de vader van de gebroeders [gedaagde 2] . [partijen sub 2 t/m 5] hebben het volgende organogram overgelegd van de onderlinge relaties. Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd.2.10. De gemeente heeft aan [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] een schadeloosstelling aangeboden van respectievelijk € 2.271.000,-, € 501.000,-, € 167.400,- en € 2.000,-, voor alle schade en kosten, maar exclusief de kosten van deskundige bijstand en eventuele als gevolg van de onteigening te lijden belastingschade. [partijen sub 2 t/m 5] hebben dat aanbod niet geaccepteerd. 2.11. In het tussenvonnis van 16 april 2025 heeft de rechtbank het voorschot op 90% van de door de gemeente aangeboden schadeloosstelling vastgesteld. Het voorschot op de schadeloosstelling is op basis daarvan als volgt toegewezen: Partij Voorschot op de schadeloosstelling De gemeente nihil
[gedaagde 2]
€ 2.043.900,-
[gedaagde 3]
€ 450.900,-
[tussenkomende partij 1]
€ 167.400,-
[tussenkomende partij 2]
€ 1.800,- 3De verdere beoordeling3.1. Thans moet worden beslist over de definitieve aan de gemeente en [partijen sub 2 t/m 5] toekomende schadeloosstelling en de vergoeding van de kosten. 3.2. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Nu de gemeente ten aanzien van de in deze zaak betrokken percelen vóór 1 januari 2024 een verzoek als bedoeld in artikel 78, eerste lid, Onteigeningswet (Ow) heeft ingediend, blijft in deze zaak op de voet van artikel 4.4 van de eveneens op 1 januari 2024 in werking getreden Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet het oude recht, dus de Ow, van toepassing 3.3. Ingevolge artikel 40 Ow vormt een schadeloosstelling een volledige vergoeding voor alle schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt. Artikel 40b, lid 1, Ow bepaalt dat de werkelijke waarde van de onteigende zaak, niet de denkbeeldige, die de zaak uitsluitend voor de persoon van de rechthebbende heeft, wordt vergoed. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde uitgegaan van de prijs, die tot stand is gekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper. De omstandigheden aanwezig op de peildatum zijn daarbij beslissend. Het advies van de deskundigen 3.4. Op 25 september 2025 hebben de deskundigen hun definitieve advies uitgebracht. Daarin is niet ingegaan op de aan de gemeente vanwege de onteigening te betalen schadeloosstelling, nu de gemeente al had ingestemd met de aangeboden schadeloosstelling van nihil. De deskundigen adviseren in hun advies de volgende schadeloosstelling aan [partijen sub 2 t/m 5] toe kennen: Partij schadeposten bedrag
[gedaagde 2]
- erfpachtrecht
€ 0,- Totaal € 122.506,75 3.5. Deze bedragen moeten volgens deskundigen worden vermeerderd met een schadevergoeding wegens het gemis van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat. Deskundigen begroten deze schadevergoeding op 1,5% samengestelde rente per jaar vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot aan de dag van de onherroepelijke vaststelling van de schadeloosstelling te vermeerderen met de wettelijke rente over deze beide bedragen verminderd met het uitbetaalde voorschot vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag van de voldoening. Bespreking van de bezwaren van partijen 3.6. De rechtbank zal hierna achtereenvolgens de bezwaren van de gemeente en [partijen sub 2 t/m 5] tegen het advies van de deskundigen bespreken. Tegen de bepaling van de schadeloosstelling van de gemeente op nihil zijn geen bezwaren naar voren gebracht. Redelijkheidscorrectie 3.7. De deskundigen hebben bij de waardering van de erfpachtrechten gekeken naar wat een redelijk handelend koper in het vrije economische verkeer bereid zou zijn voor die erfpachtrechten te betalen en daarbij gebruik gemaakt van de vergelijkingsmethode voor het vinden van referenties voor markthuur en beleggingsrendementen. Voorts is die informatie gebruikt bij twee inkomstenbenaderingen, NAR (netto aanvangsrendement) en DCF (discounted cash flow). Bij toepassing van de DCF-methode hebben de deskundigen rekening gehouden met het feit dat de door hen ingeschatte huurwaarde, de marktconforme huur, hoger is dan de feitelijk overeengekomen en betaalde huur, en dat een koper mogelijkheden heeft om de huur naar een marktconforme huur te brengen. Daarnaast hebben de deskundigen bij het bepalen van de inkomensschade van de huurders [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] onder meer gekeken naar de inkomsten van deze ondernemingen zoals vermeld in hun jaarrekeningen en naar de concrete verwachting van het voortduren van de bestaande huurverhoudingen. 3.8. Tegen die wijze van berekening als zodanig zijn geen bezwaren geuit. Wel heeft de gemeente als bezwaar bij voormelde berekening van de waarde van de erfpachtrechten en de inkomensschade aangevoerd dat daardoor een onredelijk voordeel ontstaat dat los staat van de werkelijkheid en schade wordt vergoed die in werkelijkheid niet wordt geleden. De gemeente stelt dat als een koper van de erfpachtrechten de huur gaat verhogen naar een marktconforme huur, dit tot gevolg heeft dat de bedrijven van de huurders niet rendabel zijn en zullen worden beëindigd. Volgens de gemeente is het daarom van tweeën één, of i) de huidige huurcontracten zijn niet eenvoudig op te zeggen of aan te passen naar een marktconforme huur wat de waarde van de erfpachtrechten drukt of ii) de huur kan wel gemakkelijk worden opgezegd of op korte termijn worden aangepast naar een marktconforme huur welk risico voor huurders moet worden meegenomen in de inkomensschade. Een dergelijke redelijkheidscorrectie doet recht aan de werkelijkheid en voorkomt dat de onteigenden onredelijk worden bevoordeeld, aldus de gemeente. 3.9. Over het voormelde bezwaar van de gemeente hebben de deskundigen in het advies het volgende opgemerkt.
“Naar aanleiding van het voorlopig oordeel voert de Gemeente aan dat deskundigen bij de waardering ervan zijn uitgegaan dat de huidige huurovereenkomsten met [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] gemakkelijk kunnen worden opgezegd of dat het mogelijk is om de huur snel naar marktniveau te krijgen. De Gemeente betwijfelt of dat zo gemakkelijk kan. Deskundigen overwegen hierover dat indien de overeengekomen huur lager is dan een marktconforme huur de verhuurder overeenkomstig het wettelijke stelsel mogelijkheden heeft om te komen tot een marktconforme huur door middel van huurprijsvaststelling. Deskundigen onderkennen dat hiervoor tijd nodig is (vanwege de eventuele noodzaak een gerechtelijke procedure te doorlopen indien partijen niet in der minne tot overeenstemming komen) doch hiermee hebben zij bij hun inschatting rekening gehouden. Naar inschatting van deskundigen is het aanhouden van een periode van twee à drie jaar om te komen tot het realiseren van een marktconforme huur verantwoord. In hetgeen de Gemeente naar voren heeft gebracht zien zij dan ook geen aanleiding hun waardering aan te passen. In dit kader brengt de Gemeente ook naar voren dat als wordt uitgegaan van de
mogelijkheid de huurcontracten op te zeggen of de huur te verhogen, dat ook gevolgen zou moeten hebben voor de begroting van de inkomensschade van de huurders [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] . De Gemeente stelt dat niet alleen de bereidwillige koper maar ook de redelijk handelend erfpachter de huur zou opzeggen of de huur zou verhogen tot marktniveau. Deskundigen overwegen hierover dat de Gemeente hiermee miskent dat het bij de waardering van het erfpachtrecht gaat om de werkelijke waarde zoals die tot stand zou komen bij een veronderstelde verkoop in het vrije commerciële verkeer. Daarbij is dus van belang hoe de meest gerede koper in een dergelijke situatie zou handelen bij de bepaling van de koopsom. Bij de vraag hoe de inkomensschade van de huurders moet worden bepaald gaat het om de concrete verwachtingen over het al dan niet voortduren van de bestaande huurverhouding op peildatum waarbij mede van belang is de vraag of er aanleiding is te veronderstellen dat de huidige erfpachter/verhuurder aanleiding zou zien de huur op te trekken naar een marktconform niveau. Daarvoor is geen enkele indicatie zodat deskundigen daar ook geen rekening mee hebben gehouden.(…)” 3.10. Ter zitting hebben de deskundigen nog toegelicht dat bij de bepaling van de waarde van de erfpachtrechten moet worden gekeken naar wat een redelijk handelend koper zou doen. Deze zou na de koop constateren dat de huur die is bedongen lager is dan de marktconforme huur en vervolgens de middelen aanwenden om op termijn tot een marktconforme huur te komen. Dat heeft dus effect op de waarde van de erfpachtrechten en dat is in de begroting van de waarde ervan meegenomen. Bij de berekening van de inkomensschade van de huurders moet de onteigening worden weggedacht en is de vraag of er in die situatie een indicatie bestaat dat de huur wordt verhoogd. Die indicatie hebben de deskundigen niet gezien en daarom is bij de berekening van de inkomensschade gekeken naar de huur zoals die feitelijk geldt. 3.11. De rechtbank kan zich vinden in voormelde redenering van de deskundigen en de uitkomst ervan, en neemt die over. De familiaire verhoudingen tussen de betrokken erfpachters en huurders nemen niet weg dat de schade als gevolg van het verlies van de erfpachtrechten en de inkomensschade als gevolg van het verlies van de huur van de bedrijfsruimte worden geleden door verschillende juridische entiteiten. Niet valt in te zien waarom, de onteigening weggedacht, met die juridische situatie bij de bepaling van een verkoopprijs in het vrije commerciële verkeer voor de erfpachtrechten en de bedrijven als één geheel geen rekening zou worden gehouden en dat de erfpachters en huurders, zoals de gemeente aanvoert, door de onteigening in een betere vermogensrechtelijke positie komen dan bij verkoop in het vrije commerciële verkeer. Voor het toepassen van de door de gemeente genoemde redelijkheidscorrectie op de schadeloosstelling voor de erfpachtrechten of de inkomensschade wordt daarom onvoldoende grond gezien. Wederbeleggingskosten 3.12. Ten aanzien van de onteigende erfpachtrechten heeft [partijen sub 2 t/m 5] aangevoerd dat de deskundigen in het advies eraan voorbij zijn gegaan dat de erfpachtrechten kwalificeren als een duurzame belegging van [gedaagde 2] en dat hij daarom recht heeft op zogenoemde wederbeleggingskosten. 3.13. Over de wederbeleggingskosten staat in het advies van de deskundigen onder meer het volgende:
“(…) Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft de onteigende die het onteigende als duurzame belegging aanhield en wiens redelijk belang herbelegging in onroerende zaken vordert, aanspraak op vergoeding van kosten van herbelegging in een vervangende onroerende zaak (wederbeleggingskosten). De eerste vraag is derhalve of de onteigende erfpachtrechten door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] B.V. werden aangehouden als duurzame belegging. Naar het oordeel van deskundigen is dat niet het geval. De betreffende erfpachtrechten zijn verkregen in het kader van de voortzetting van het autoschadeherstelbedrijf van de vader van de broers [familienaam] . Mede gelet op de betrokkenheid van [gedaagde 2] als bestuurder van deze onderneming is het aanhouden van de erfpachtrechten veeleer gericht op voortzetting en continuïteit van exploitatie van dat bedrijf dan op duurzame belegging. Zoals hiervoor overwogen wordt bij de begroting van de schadeloosstelling uitgegaan van liquidatie van het autoschadeherstelbedrijf omdat geen aanvaardbare vervangende locatie voorhanden is. Een en ander overziend bestaat naar het oordeel van deskundigen geen aanspraak van de erfpachters op vergoeding van de kosten van wederbelegging. Naar aanleiding van het voorlopig oordeel wordt namens [gedaagde 2] aangevoerd dat wel sprake zou zijn van een duurzame belegging en aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding van wederbeleggingskosten. Hetgeen hieromtrent wordt aangevoerd geeft deskundigen echter geen aanleiding tot een ander advies. Zij blijven van oordeel dat mede gelet op de betrokkenheid van [gedaagde 2] als bestuurder van de onderneming, het aanhouden van de erfpachtrechten veeleer gericht is op voortzetting en continuïteit van exploitatie van dat bedrijf en niet op duurzame belegging. Daarmee is niet voldaan aan de eis van de Hoge Raad dat sprake moet zijn van een duurzame belegging. Met betrekking tot het redelijk belang van wederbelegging in vervangende onroerende zaken wordt aangevoerd dat in [gedaagde 3] B.V. sprake is van een ODV-verplichting (oudedagsvoorziening). Naar het oordeel van deskundigen is herbelegging van de schadeloosstelling in een vervangende onroerende zaak om deze reden niet noodzakelijk. In tegendeel, als gevolg van de onteigening beschikt de vennootschap juist over voldoende liquiditeit om aan haar verplichtingen in het kader van de ODV te voldoen en kan de vennootschap vrij beslissen hoe de gelden te beleggen. (…)”. 3.14. Volgens vaste rechtspraak heeft de onteigende die het onteigende als duurzame belegging aanhield en wiens redelijke belang herbelegging in onroerende zaken vordert, ook buiten het verband van de vergoeding van inkomensschade aanspraak op vergoeding van bijkomende schade bestaande in de kosten van herbelegging (zie onder meer HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1273, NJ 2017/57). 3.15. De deskundigen hebben geadviseerd om geen wederbeleggingskosten toe te kennen, omdat de erfpachtrechten niet als duurzame belegging werden aangehouden maar als onderdeel van de bedrijfsvoering van het autoschadeherstelbedrijf, waarbij het autoschadeherstelbedrijf - als gevolg van het ontbreken van een vervangende locatie - niet wordt voortgezet. Dit advies van de deskundigen wordt overgenomen. Dat thans de wens bestaat om de te ontvangen schadeloosstelling te beleggen in vastgoed, maakt niet dat de erfpachtrechten voor de onteigening als een duurzame belegging kunnen worden aangemerkt. Voor zover dat redelijk belang gelegen zou zijn in het voorzien in een oudedagvoorziening, worden de deskundigen gevolgd in hun stelling dat die voorziening niet noodzakelijkerwijs hoeft te bestaan uit een belegging in onroerend goed. Bijkomende schade [tussenkomende partij 1] 3.16. Ter zitting heeft [partijen sub 2 t/m 5] aangevoerd dat ten aanzien van de bijkomende schade van [tussenkomende partij 1] geen rekening is gehouden met te maken kosten voor af- en vervoer. [partijen sub 2 t/m 5] heeft daarbij gewezen op een overgelegde factuur van Hertz ter hoogte van € 3.025,-. De deskundigen hebben in reactie daarop meegedeeld dat zij de factuur van Hertz niet kennen, maar dat voor de onteigende geen verplichting bestaat om zaken af te voeren en dat als er dingen moeten verwijderd, dit aan de gemeente is. Daarnaast heeft de gemeente aangevoerd dat bij de onderhavige onteigening liquidatie van de onderneming het uitgangspunt is en dat bij de schadeloosstelling daarom reeds rekening is gehouden met verkoop van de voorraad en dat het daarom niet nodig is om ook de factuur voor het verplaatsen van inventaris te vergoeden. 3.17.
[partijen sub 2 t/m 5] heeft tegenover het verweer van de gemeente onvoldoende onderbouwd dat deze kosten niet reeds zijn verdisconteerd in het bedrag dat als schadeloosstelling aan [tussenkomende partij 1] wordt toegekend. Voor toekenning van dat bedrag wordt daarom onvoldoende grond gezien.
[tussenkomende partij 2] , inkomensschade [gedaagde 3] 3.18. Als gevolg van de onteigening moet ook [tussenkomende partij 2] de exploitatie van haar onderneming staken. [gedaagde 3] is de enige werknemer in loondienst van [tussenkomende partij 2] . Hoewel [gedaagde 3] niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 3 Ow, adviseren de deskundigen aan [tussenkomende partij 2] te vergoeden de inkomensderving die [gedaagde 3] lijdt, ter doorbetaling aan [gedaagde 3] . De deskundigen hebben daar in hun advies het volgende over opgemerkt: “(…) Deskundigen overwegen hierover dat [gedaagde 3] , anders dan de huursters [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] , zelf niet behoort tot de rechthebbenden als bedoeld in artikel 3 Onteigeningswet. Hij heeft dan ook geen rechtstreekse aanspraak jegens de onteigenaar op schadeloosstelling. [gedaagde 2] is UBO (ultimate beneficial owner) van [tussenkomende partij 1] . Feitelijk verricht [gedaagde 3] als ondernemer werkzaamheden in zijn eigen onderneming [tussenkomende partij 1] maar laat die factureren vanuit de vennootschap [tussenkomende partij 2] (waarvan hij de helft van de aandelen houdt) en geniet inkomsten uit loondienst uit die vennootschap. Onder die omstandigheden behoort de inkomensderving die [gedaagde 3] als gevolg van de onteigening lijdt vergoed te worden. Deskundigen adviseren dat te doen door die schade aan [tussenkomende partij 2] te vergoeden ter doorbetaling aan [gedaagde 3] .(…)” 3.19. De deskundigen hebben vervolgens de aan [tussenkomende partij 2] te vergoeden inkomensschade van [gedaagde 3] als gevolg van de onteigening op € 122.507,- begroot. De deskundigen hebben daartoe het volgende overwogen. “(…) De (aan [tussenkomende partij 2] te vergoeden) inkomensderving van [gedaagde 3] wordt als volgt begroot. Volgens opgaaf bedraagt het loon van [gedaagde 3] dat hij uit [tussenkomende partij 2] ontvangt € 58.180,00 per jaar. De heer [gedaagde 2] is ten tijde van de onteigening 55 jaar oud. Naar het oordeel van deskundigen kan van de heer [gedaagde 2] worden verwacht dat hij zich na onteigening aanpast en hij elders in de autoherstelbranche, in loondienst of als ZZP’er, inkomsten verwerft. Voorshands stellen deskundigen het in aanmerking te nemen voordeel op € 3.500,00 per maand. Naar aanleiding van het voorlopig oordeel is namens [gedaagde 2] , onder verwijzing naar jurisprudentie, naar voren gebracht dat van hem niet kan worden gevergd dat hij zijn vrijkomende arbeid elders in loondienst of als ZZP’er te gelde maakt omdat hij zijn hele leven als zelfstandig ondernemer heeft gewerkt. Deskundigen overwegen dat uit de jurisprudentie blijkt dat het niet in zijn algemeenheid zo is dat van een ondernemer die door onteigening zijn bedrijfsuitoefening moet staken, niet kan worden gevergd dat hij in loondienst werkzaamheden zal gaan verrichten. Voor dat oordeel is vereist dat uit het vonnis en de stukken van het geding blijkt van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat dit in een bepaald geval niet van een onteigende ondernemer kan worden gevergd. In dit geval is sprake van een ondernemer van 56 jaar oud die over waardevolle en veelgevraagde expertise op het gebied van autoschadeherstel beschikt, waarvan verwacht mag worden dat hij zijn vrijkomende arbeid kan en zal inzetten om een deel van het te derven inkomen elders (in loondienst, als ZZP-er of als ondernemer) te verwerven. Namens [gedaagde 2] zijn geen feiten en omstandigheden benoemd die leiden tot een ander oordeel. Deskundigen handhaven dan ook hun advies. Aldus laat de inkomensschade zich als volgt begroten:
De jaarlijkse inkomensderving van [gedaagde 3] bedraagt € 58.180,00
Af: vrijkomende arbeid € 42.000,00
Zodat een jaarlijks nadeel resteert van € 17.215,25
Te vergoeden tegen de voor een huurder gebruikelijke factor 7 ofwel € 120.506,75” 3.20.
[partijen sub 2 t/m 5] stelt dat de inkomensschade van [gedaagde 3] niet op € 120.506,75 moet worden begroot, maar op een bedrag van € 409.260,-. [partijen sub 2 t/m 5] voert daartoe aan dat [gedaagde 3] zijn leven lang voor het autobedrijf heeft gewerkt. Hij is een eigengereide ondernemer en er is een aanmerkelijk risico dat [gedaagde 3] na de onteigening geen arbeidsinkomen meer kan verwerven. Ondernemen vergt investeren en banken zullen [gedaagde 3] gelet op zijn 56-jarige leeftijd niet meer financieren. Daarnaast is werken als zzp’er door [gedaagde 3] vanwege het gewijzigde overheidsbeleid ten aanzien van zzp’ers niet meer mogelijk en ligt het niet in de verwachting dat werkgevers [gedaagde 3] vanwege zijn leeftijd en achtergrond als vrij ondernemer een dienstverband in loondienst zullen aanbieden, aldus [partijen sub 2 t/m 5] 3.21. De rechtbank sluit zich ook op dit punt aan bij het oordeel van de deskundigen dat het in het algemeen niet zo is dat van een ondernemer, die door onteigening zijn bedrijfsuitoefening moet staken, niet kan worden gevergd dat hij in loondienst werkzaamheden zal gaan verrichten. Voor dat oordeel is vereist dat uit de stukken van het geding blijkt van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat dit in een bepaald geval niet van een onteigende ondernemer kan worden gevergd (HR 8 juni 1966, NJ 1966, 442 en HR 4 november 1998, 1251, NJ 1999, 397). 3.22. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan van [gedaagde 3] niet gevergd kan worden om na de onteigening een betrekking in loondienst te aanvaarden of als zzp’er in zijn inkomen te voorzien, zijn in het onderhavige geval niet gebleken. De enkele omstandigheid dat [gedaagde 3] 56 jaar oud is of als markant zou kunnen worden getypeerd is daarvoor onvoldoende. Sterker nog, uit hetgeen [gedaagde 3] hierover ter zitting heeft verklaard, blijkt dat hij voor zichzelf nog wel mogelijkheden ziet om in een inkomen te voorzien. Voor zover hij daarbij heeft gevraagd om een periode van een jaar om hierover na te denken, wordt overwogen dat, zoals ook door de gemeente aangevoerd, de goede en kwade kansen om een inkomen te verwerven, reeds zijn verdisconteerd in de kapitalisatie van de inkomensschade. Dat [gedaagde 3] na de onteigening enige tijd nodig heeft om zich op een andere wijze in zijn inkomen te voorzien, is daarin dus reeds verwerkt. Gelet hierop worden de deskundigen gevolgd in de voor [gedaagde 3] als gevolg van de onteigening begrote inkomensschade van € 122.507,-, welke – ter doorbetaling aan [gedaagde 3] - aan [tussenkomende partij 2] moet worden vergoed. Belastingschade 3.23. De deskundigen hebben in hun advies de belastingschade voor [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [tussenkomende partij 1] pro memorie (p.m.) opgenomen; deze moet dus nog nader worden bepaald. Voor [tussenkomende partij 2] is de belastingschade op nihil bepaald, omdat de inschatting van de deskundigen is dat [tussenkomende partij 2] als gevolg van de onteigening geen belastingschade zal lijden. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat (i) de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) zal worden gevraagd uit te rekenen welk deel van de aan [partijen sub 2 t/m 5] geheven belasting is toe te rekenen aan de onteigening, (ii) de gemeente vervolgens het alsdan door de SAOZ berekende schadebedrag zal betalen en (iii) de gemeente de kosten van SOAZ voor de berekening van de belastingschaden op zich zal nemen. Tussenconclusie 3.24. De rechtbank is, gezien het vorenstaande, van oordeel dat de deskundigen (de gehanteerde uitgangspunten voor) de waardebepaling deugdelijk en overtuigend hebben toegelicht en dat hetgeen de gemeente en [partijen sub 2 t/m 5] daartegen hebben opgeworpen geen reden vormt daarvan af te wijken. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen en de daarvoor gegeven motivering dan ook over. 3.25. Dit betekent dat de schadeloosstelling als volgt wordt vastgesteld: Partij Voorschot op de schadeloosstelling Definitieve schadeloosstelling De gemeente € nihil € nihil
[gedaagde 2]
€ 2.043.900,- € 2.610.000,-
[gedaagde 3]
€ 450.900,- € 620.000,-
[tussenkomende partij 1]
€ 167.400,- € 709.064,-
[tussenkomende partij 2]
€ 1.800,- € 122.506,75 rente 3.26. Uit het hiervoor voormelde overzicht volgt dat [partijen sub 2 t/m 5] recht heeft op een hogere schadeloosstelling dan bij het tussenvonnis als voorschot was toegekend. De deskundigen taxeren het nadeel dat [partijen sub 2 t/m 5] als gevolg daarvan ondervindt op 1,5% (samengesteld per jaar) over het verschil vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot de datum van onherroepelijke vaststelling van de schadeloosstelling. De deskundigen hebben daarbij de gemiddelde rente op vrij opneembare spaarrekeningen als uitgangspunt genomen. 3.27.
[partijen sub 2 t/m 5] heeft aangevoerd dat de rente de afgelopen jaren is opgelopen en dat het door de deskundigen gehanteerde percentage van 1,5% te laag is. De gemiddelde spaarrentes bewogen zich volgens [partijen sub 2 t/m 5] tussen 2% en 4%. Daarnaast hanteren de deskundigen in het advies een percentage van 5% als rente vrijkomend kapitaal. [partijen sub 2 t/m 5] stelt dat dit onevenwichtig is. 3.28. In het advies van de deskundigen staat over dit rentepercentage onder meer het volgende vermeld: “(…) Volgens vaste jurisprudentie komt aan de onteigende een afzonderlijke vergoeding toe voor het nadeel dat hij ondervindt indien het voorschot op de aan hem toekomende schadeloosstelling op een lager bedrag is vastgesteld dan de uiteindelijke schadeloosstelling. Deskundigen taxeren dit nadeel op een bedrag gelijk aan 1,5 % (samengesteld per jaar) over het verschil vanaf de datum van ontvangst van het voorschot tot de datum van onherroepelijke vaststelling van de schadeloosstelling. Naar aanleiding van het voorlopig oordeel is namens [gedaagde 2] bezwaar gemaakt tegen het geadviseerde rentepercentage van 1,5% en is verzocht dit aan te passen naar de wettelijke rente danwel naar 6%. Deskundigen overwegen hierover dat het bij het geadviseerde rentepercentage gaat om het daadwerkelijk nadeel dat de onteigende ondervindt wegens het gemis van het verschil tussen het hem toegekende voorschot op de schadeloosstelling en de bij eindvonnis vast te stellen schadeloosstelling. Bij gebreke van nadere gegevens
over het concreet ondervonden nadeel, plegen deskundigen te adviseren uit te gaan van de gederfde renteopbrengst die kan worden verkregen door het betreffende bedrag te storten op een vrij opneembare spaarrekening. In hetgeen namens [gedaagde 2] is aangevoerd zien zij geen aanleiding hun voorlopig oordeel op dit punt aan te passen.(…)” 3.29. Ter zitting hebben de deskundigen in aanvulling hierop meegedeeld dat zij percentages tussen de 2% en 4% voor spaarrente op een vrij opneembare spaarrekening in de periode tussen het toegekende voorschot en heden niet hebben geconstateerd en dat dit moet worden onderscheiden van de rente op vrijkomend kapitaal die bij inkomensschade wordt gehanteerd, want daarbij wordt aangehaakt bij het risicoprofiel en mate van solvabiliteit van de onteigende vermogensbestanddelen. 3.30.
[partijen sub 2 t/m 5] heeft geen voorbeelden overgelegd van rentepercentage van tussen de 2% en 4% voor spaarrentes op vrij opneembare spaarrekeningen in de hier van belang zijnde periode. Bij gebreke daarvan - en aansluitend bij het oordeel van de deskundigen dat een onderscheid moet worden gemaakt met rente op vrijkomend kapitaal - komt het de rechtbank redelijk voor de deskundigen te volgen in het geadviseerde rentepercentage van 1,5% per jaar. Dit rentepercentage is verschuldigd met ingang van de dag van inschrijving van het onteigeningsvonnis, derhalve vanaf 17 juni 2025. De vastgestelde schadeloosstelling moet op grond van artikel 55, derde lid, Ow bovendien worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van betaling. Schade aan anderen, derde belanghebbenden 3.31. De deskundigen is niet gebleken van meer of andere voor- of nadelen als gevolg van de onteigening van de betrokken percelen en evenmin van derde-belanghebbenden die als gevolg van de onderhavige onteigening aanspraak hebben op schadeloosstelling. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Kosten [partijen sub 2 t/m 5] 3.32.
[partijen sub 2 t/m 5] stelt verschillende adviseurs ter begeleiding van het onteigeningstraject te hebben ingeschakeld en maakt aanspraak op vergoeding van de kosten van de deskundigen ter hoogte van in totaal € 159.871,64, waarvan € 123.287,11 aan kosten van deskundige bijstand en € 35.584,53 aan kosten van juridische bijstand. 3.33. De gemeente heeft gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de door [partijen sub 2 t/m 5] opgevoerde kosten van juridische en deskundige bijstand en betwist dat is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets. 3.34. Bij de beoordeling van deze kosten wordt voorop gesteld dat ingevolge artikel 50, vierde lid, Ow en de daarop gebaseerde rechtspraak getoetst dient te worden of het redelijk is dat de kosten van juridische en andere deskundige bijstand zijn gemaakt en of de omvang van de kosten (de hoogte van de declaraties) redelijk is, de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets. Daarbij spelen ook het belang van de zaak, zoals dit tot uitdrukking komt in de samenstelling en de hoogte van de toegekende schadeloosstelling, en de mate waarin een zaak juridisch of anderszins gezien ingewikkeld is een rol. 3.35. Bij de beantwoording van deze vragen komt aan de rechtbank een grote mate van vrijheid toe, waarbij artikel 50, vierde lid, Ow, door de daarin gebezigde bewoordingen, de rechtbank volgens vaste rechtspraak in belangrijke mate van haar motiveringsplicht ontheft (zie rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 6 maart 1991 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1991:AB9358; NJ 1991/818). Kosten Steenhuijs Grondzaken B.V. 3.36.
[partijen sub 2 t/m 5] heeft facturen van drs. [naam] (hierna: [naam]), onteigeningsdeskundige en werkzaam bij Steenhuijs Grondzaken B.V., overgelegd, ter hoogte van in totaal € 94.194,98. Die facturen zijn gebaseerd op een courtage van 2% van de verwachte aan [partijen sub 2 t/m 5] uit te keren definitieve schadeloosstelling, maar bevatten geen overzicht van de gewerkte uren of een vermelding van het soort werkzaamheden die voor dat bedrag zijn verricht. Ter zitting heeft [naam] toegelicht dat het zijn bedrijfsmodel is om te werken op basis van een courtage, er door hem geen urenadministratie wordt bijgehouden en het bij makelaars in de regio Amsterdam ook gebruikelijk is dat er geen relatie is tussen de facturen en de verrichte inspanning. 3.37. De gemeente heeft aangevoerd dat de facturen van [naam] de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Het door [naam] gedeclareerde bedrag is substantieel en door het ontbreken van een urenverantwoording kan er geen inschatting worden gemaakt van de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden. De gemeente verzet zich daarom tegen een door haar te betalen vergoeding op basis van een overeengekomen percentage van 2% van de definitieve schadeloosstelling. Volgens de gemeente is daarvoor in de Regeling vergoeding deskundigenkosten Rijkswaterstaat een goed richtsnoer opgenomen, namelijk 2% van de schadeloosstelling met een maximum van € 20.000,-. De gemeente verzoekt de rechtbank de kosten van deskundige [naam] op deze wijze te begroten. 3.38. Doordat een urenverantwoording en iedere informatie over de relatie tussen de facturen en de door [naam] verrichte inspanning ontbreken, is de rechtbank niet in staat gesteld te beoordelen of de opgevoerde kosten van [naam] de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan. Nu evenwel niet in geschil is dat [naam] werkzaamheden ten behoeve van [partijen sub 2 t/m 5] in deze zaak heeft verricht, wordt daarin aanleiding gezien om het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag te begroten. Daarbij wordt betrokken dat niet in geschil is dat [naam] aanwezig is geweest bij de descente en diverse verwervingsgesprekken. Evenmin is in geschil dat [naam] een schadeloosstellingsrapport aan de hand van de taxatie van CBRE en een bijlage bij de reactie op het conceptrapport van deskundigen heeft opgesteld. Tevens is [naam] op de zitting in deze zaak aanwezig geweest. Gelet op deze werkzaamheden ziet de rechtbank om - aansluitend bij het bepaalde in de Regeling vergoeding deskundigenkosten Rijkswaterstaat - de door de gemeente te vergoeden kosten van [naam] te begroten op een bedrag van € 20.000,-. Kosten HTN Management B.V. 3.39.
[partijen sub 2 t/m 5] maakt voorts aanspraak op vergoeding van de factuur van HTN Management B.V. (hierna: HTN) ter hoogte van € 11.268,13. De werkzaamheden van HTN bestonden uit het adviseren van [tussenkomende partij 1] bij de door de gemeente aangedragen alternatieve locaties voor het autoschadeherstelbedrijf. De factuur van HTN vermeldt dat daarvoor 74,5 uur werk is verricht. De gemeente heeft als bezwaar daartegen aangevoerd dat 74,5 uur niet in verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden en dat uit de urenspecificatie niet te verifiëren valt waar die tijd concreet aan besteed is. De gemeente stelt verder dat het inschakelen van HTN alleen gerechtvaardigd was voor de werkzaamheden die plaatsvonden voordat de onderhandelingen over een alternatieve locatie werden afgebroken. Alleen de kosten van HTN tot aan de gerechtelijke procedure (tot mei 2024) zouden daarom voor vergoeding in aanmerking komen. Dat komt neer op een correctie van 24,5 uur en resulteert in een te vergoeden bedrag van € 7.562,50, aldus de gemeente. 3.40.
[partijen sub 2 t/m 5] heeft tegenover het verweer van de gemeente onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het redelijk was om HTN, ook na het afbreken van de onderhandelingen over een alternatieve locatie, nog als deskundige in te schakelen. Ter zitting heeft [partijen sub 2 t/m 5] weliswaar aangevoerd dat het onderzoek naar een alternatieve locatie ook na het starten van de gerechtelijke is doorgelopen omdat [partijen sub 2 t/m 5] de voorkeur had voor verplaatsing van de onderneming, maar vastgesteld wordt dat in de onteigeningsprocedure liquidatie van de onderneming het uitgangspunt was en niet meer de verplaatsing daarvan. De gerechtelijke procedure vergde dus niet dat er advies over alternatieve locatie nodig was. Nu de gemeente zich bereid heeft verklaard de kosten tot het starten van de onteigeningsprocedure te vergoeden, zullen de door gemeente aan [partijen sub 2 t/m 5] te vergoeden kosten voor het inschakelen van HTN dan ook op het bedrag van € 7.562,50 worden vastgesteld. Kosten CBRE Valuation & Advisory Services B.V. 3.41.
[partijen sub 2 t/m 5] maakt verder aanspraak op vergoeding van de factuur van CBRE Valuation & Advisory Services B.V. (hierna: CBRE) ter hoogte van € 4.235,00, in verband met een door CBRE uitgevoerde taxatie. De gemeente komt dat bedrag niet onredelijk voor, maar stelt dat zij niet kan beoordelen of deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt omdat in de stukken de factuur van CBRE ontbreekt. Vastgesteld wordt evenwel dat [partijen sub 2 t/m 5] het door CBRE opgestelde taxatierapport als productie in deze procedure heeft overgelegd. Dat [partijen sub 2 t/m 5] de genoemde kosten daadwerkelijk heeft gemaakt is daarmee voldoende onderbouwd. Nu de gemeente daarnaast het bedrag niet onredelijk voorkomt, zullen de door gemeente te vergoeden kosten over de inschakeling door [partijen sub 2 t/m 5] van CBRE op het bedrag van € 4.235,00 worden vastgesteld. Kosten Meijer Finance B.V. 3.42. Ten aanzien van Meijer Finance B.V. (hierna: Meijer) maakt [partijen sub 2 t/m 5] aanspraak op vergoeding van een bedrag van in totaal € 14.589,00, inclusief btw. [partijen sub 2 t/m 5] stelt dat het in verband met de onteigeningsprocedure nodig was een accountant in te schakelen en dat Meijer specifiek voor de onteigeningsprocedure het voormelde bedrag aan kosten heeft gemaakt. 3.43. De gemeente heeft aangevoerd dat de kosten voor Meijer de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Zij voert daartoe allereerst aan dat de overgelegde facturen van Meijer optellen tot een hoger totaalbedrag, namelijk € 16.899,47 inclusief btw. Daaruit begrijpt de gemeente dat niet alle advieswerkzaamheden van Meijer betrekking hebben gehad op de onteigeningsprocedure, maar welke werkzaamheden daarop wel betrekking hadden valt op basis van de specificaties bij de facturen niet te achterhalen. Daarnaast heeft de gemeente aangevoerd dat het duiden van de juridische economische scheiding tussen de entiteiten wel van belang is geweest, maar dat zij niet inziet dat de andere ingeschakelde partijdeskundigen dit niet hadden kunnen doen. Als bovendien al voorafgaande aan de procedure dat inzicht was gegeven, dan was de discussie over de schadeloosstelling eenvoudiger geweest en had mogelijk ook overeenstemming kunnen worden bereikt. Volgens de gemeente is dit een reden om de kosten van Meijer op grond van artikel 50, derde lid, Ow te matigen. Verder maakt de gemeente bezwaar tegen het door Meijer gehanteerde uurtarief van aanvankelijk € 170,- en vanaf 2021 € 220,- wat volgens haar aan de hoge kant is. Tot slot is volgens de gemeente in de door de deskundigen gemaakte berekening van de schadeloosstelling van [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] reeds rekening gehouden met accountantskosten. 3.44. Zoals ook uit het in 2.9 opgenomen organogram blijkt, is bij [partijen sub 2 t/m 5] sprake van een organisatiestructuur met veel onderlinge bedrijfsmatige en familiaire verhoudingen. Dat [partijen sub 2 t/m 5] voor het duiden van de juridische economische scheiding tussen de entiteiten – wat bovendien onderwerp is geweest van debat tussen partijen - Meijer als accountant heeft ingeschakeld, is dan ook niet onredelijk. De bij de facturen van Meijer gevoegde urenspecificaties met toelichting onderbouwen in voldoende mate dat Meijer voor het bedrag van € 14.589,-, inclusief btw, werkzaamheden ten behoeve van de onteigeningsprocedure heeft verricht. De gemeente wordt niet gevolgd in haar standpunt dat het door Meijer gehanteerde uurtarief onredelijk hoog is, te minder nu de gemeente niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het uurtarief van Meijer significant afwijkt van het tarief van de deskundigen die de gemeente hebben bijgestaan in deze onteigeningsprocedure en/of van het in die beroepsgroep gebruikelijk gehanteerde uurtarief. Evenmin is gebleken dat [partijen sub 2 t/m 5] vooraf aan de onteigeningsprocedure onvoldoende gegevens ter beschikking heeft gesteld om in de dagvaarding een redelijk aanbod te kunnen doen. Voor matiging wordt daarom onvoldoende grond gezien. 3.45. Wel blijkt uit berekening van de deskundigen van de schadeloosstelling voor [tussenkomende partij 1] en [tussenkomende partij 2] , dat daarin reeds voor in totaal € 6.000,- aan accountantskosten is opgenomen (zie 3.4). De accountantskosten worden dus gedeeltelijk al op andere wijze vergoed. Dat bedrag dient daarom in mindering te worden gebracht op het door de gemeente in verband met de werkzaamheden van Meijer te vergoeden bedrag. Het door de gemeente aan [partijen sub 2 t/m 5] te vergoeden bedrag in verband met de inschakeling van Meijer, wordt daarom op € 8.589,- (€ 14.589,- - € 6.000,-) vastgesteld. Kosten Van Schie Advocatuur B.V. 3.46. Voor juridische bijstand in de onteigeningsprocedure tot aan de voorbereiding van het pleidooi op 22 januari 2026, heeft [partijen sub 2 t/m 5] € 35.584,53 kosten gemaakt. De gemeente acht de door mr. Van Schie bestede tijd en zijn tarief adequaat en niet excessief en stemt in met vergoeding van de door Van Schie Advocatuur B.V. ingediende facturen, met de kanttekening dat het daarbij in rekening gebrachte griffierecht van € 1.402,- op andere wijze zal worden vergoed en dus op het totaalbedrag in mindering moet worden gebracht. 3.47. In reactie daarop heeft [partijen sub 2 t/m 5] ter zitting meegedeeld dat het griffierecht inderdaad in mindering kan worden gebracht op het totaalbedrag als dat op andere wijze wordt vergoed. Daarnaast heeft [partijen sub 2 t/m 5] ter zitting nog verzocht om de vergoeding voor de werkzaamheden van mr. Van Schie te verhogen met een bedrag van € 3.025,- in verband met de voorbereiding en behandeling van het pleidooi. Daartegen heeft de gemeente geen bezwaren geuit. De door de gemeente te vergoeden kosten voor de inschakeling door [partijen sub 2 t/m 5] van Van Schie Advocatuur B.V. worden daarom op het bedrag van € 37.207,53 (= € 35.584,53 - € 1.402,- + € 3.025,-) vastgesteld. Kosten rechtbankdeskundigen 3.48. Op 19 januari 2026 hebben de rechtbankdeskundigen aan de rechtbank een opgave gedaan van hun totale kosten, met daarbij urenspecificaties. De totale kosten, vanaf de descente tot en met het bijwonen van het pleidooi op 22 januari 2026, hebben zij begroot op € 51.996,78. De gemeente heeft geen bezwaar gemaakt tegen de kostenopgave van de rechtbankdeskundigen, zodat de rechtbank de kosten zal vaststellen overeenkomstig deze opgave. 3.49. De rechtbank zal Het Parool aanwijzen als nieuwsblad waarin de griffier van deze rechtbank dit vonnis bij uittreksel zal plaatsen. Gelet op het bepaalde in artikel 50, vijfde lid, Ow komen de kosten van die bekendmaking voor rekening van de gemeente. 4De beslissing De rechtbank 4.1. bepaalt de aan de gemeente toekomende schadeloosstelling wegens de onteigening op nihil, 4.2. bepaalt de aan [gedaagde 2] toekomende schadeloosstelling wegens de onteigening op € 2.610.000,- (zegge: tweemiljoenzeshonderdentienduizend euro) te vermeerderen met 1,5% samengestelde rente per jaar over een bedrag van (€ 2.610.000,- - € 2.043.900,- =) € 566.100,- vanaf 17 juni 2025, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening; 4.3. bepaalt de aan [gedaagde 3] toekomende schadeloosstelling wegens de onteigening op € 620.000,- (zegge: zeshonderdentwintigduizend euro) te vermeerderen met 1,5% samengestelde rente per jaar over een bedrag van (€ 620.000,- - € 450.900,- =) € 169.100,- vanaf 17 juni 2025, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening; 4.4. bepaalt de aan [tussenkomende partij 1] toekomende schadeloosstelling wegens de onteigening op € 709.064,- (zegge: zevenhonderdnegenduizend vierenzestig euro) te vermeerderen met 1,5% samengestelde rente per jaar over een bedrag van (€ 709.064,- - € 167.400,- =) € 541.664,- vanaf 17 juni 2025, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening; 4.5. bepaalt de aan [tussenkomende partij 2] toekomende schadeloosstelling wegens de onteigening op € 122.506,75 (zegge: honderdtwintigduizend vijfhonderdzes euro en vijfenzeventig eurocent) te vermeerderen met 1,5% samengestelde rente per jaar over een bedrag van (€ 122.506,75 - € 1.800,- =) € 120.706,75 vanaf 17 juni 2025, de som daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot aan de dag van algehele voldoening; 4.6. verwijst de gemeente in de kosten van het geding, aan de zijde van [partijen sub 2 t/m 5] tot op heden begroot op (€ 20.000,- + € 7.562,50 + € 4.235,- + € 8.589,- + € 37.207,53 + € 1.402,- =) € 78.996,03 aan partijdeskundigen, salaris advocaat en griffierecht; 4.7. verwijst de gemeente in de kosten van door de rechtbank benoemde deskundigen, tot op heden begroot op € 51.996,78; 4.8. wijst aan als dagblad waarin door de griffier dit vonnis in uittreksel zal worden gepubliceerd: Het Parool. Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, mr. K.M. van Hassel en mr. B. Brokkaar, rechters, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.