Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBAMS:2026:6073

Deze uitspraak gaat over de besluitvorming van de Svb rondom eisers recht op kinderbijslag, voor de jaren 2021 tot en met 2025. In de uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepsgronden van eiser over zijn recht op algemene, dubbele en extra kinderbijslag. Daarnaast heeft eiser beroepen niet-tijdig beslissen ingediend, die de rechtbank eveneens beoordeelt.

Rechtbank Amsterdam 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2026:6073 text/xml public 2026-08-03T07:11:14 2026-06-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Amsterdam 2026-05-28 AMS 25/4690 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6073 text/html public 2026-07-31T09:34:27 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBAMS:2026:6073 Rechtbank Amsterdam , 28-05-2026 / AMS 25/4690
Deze uitspraak gaat over de besluitvorming van de Svb rondom eisers recht op kinderbijslag, voor de jaren 2021 tot en met 2025. In de uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepsgronden van eiser over zijn recht op algemene, dubbele en extra kinderbijslag. Daarnaast heeft eiser beroepen niet-tijdig beslissen ingediend, die de rechtbank eveneens beoordeelt.
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 25/4690, 25/6228, 26/283, 26/284, 26/287, 26/288 en 26/289
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats] (België), eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: mr. J.G. Starreveld).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de besluitvorming van de Svb rondom eisers recht op kinderbijslag, voor de jaren 2021 tot en met 2025. In de uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepsgronden van eiser over zijn recht op algemene, dubbele en extra kinderbijslag. Daarnaast heeft eiser beroepen niet-tijdig beslissen ingediend, die de rechtbank eveneens beoordeelt.
Procesverloop
2. Met een besluit van 30 januari 2024 heeft de Svb beslist dat eiser over 2023 geen extra bedrag aan kinderbijslag (AKW+) krijgt. Met een beslissing op bezwaar van21 maart 2024 heeft de Svb het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van eiser daartegen gegrond verklaard. In het hoger beroep van de Svb daartegen heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbetering van de gronden.
2.1.
Met een beslissing op bezwaar van 2 juli 2025 heeft de Svb beslist dat eiser weliswaar over het jaar 2023 recht heeft op AKW+, maar dat de Nederlandse gezinsbijslagen alleen tot uitbetaling in aanmerking komen voor zover zij (gezamenlijke) de buitenlandse gezinsbijslagen overtreffen. Hierover volgt nog een beslissing. Eiser heeft tegen dit besluit op 4 augustus 2025 beroep ingesteld.
2.2.
Met vijf besluiten van 4 juli 2025 heeft de Svb beslist dat eiser vanaf juli 2021 tot en met december 2024 € 0,- gezinsbijslag krijgt. Door deze aanpassing heeft eiser € 14.190,85 te veel ontvangen. Dit bedrag wordt verrekend met de Belgische gezinsbijslag.
2.3.
Op 18 oktober 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag om AKW+ over 2024. Op 10 november 2025 heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.4.
Met twee afzonderlijke besluiten van 5 november 2025 heeft de Svb beslist dat eiser over het jaar 2024 geen recht heeft op uitbetaling van de AKW+, omdat de Belgische gezinsbijslag hoger is dan de Nederlandse gezinsbijslag. Ook vanaf het eerste kwartaal van 2025 krijgt eiser € 0,- aan gezinsbijslag, omdat de Belgische gezinsbijslag hoger is dan de Nederlandse gezinsbijslag.
2.5.
Met een beslissing op bezwaar van 1 december 2025 heeft de Svb beslist op eisers bezwaar tegen de besluiten van 4 juli 2025. Volgens de Svb zijn de Europese coördinatieregels op de juiste wijze toegepast. Omdat de Svb de wijziging pas laat heeft onderkend en verwerkt, heeft de Svb een deel van de vordering kwijtgescholden. De terugvordering is daarmee verlaagd tot € 12.074,55.
2.6.
Eiser heeft op 9 januari 2026 beroep ingesteld tegen de besluiten van 4 juli 2025,5 november 2025 en 1 december 2025. Daarnaast heeft hij beroepen ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag om gezinsbijslag voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2025.
2.7.
Op 20 januari 2026 heeft een zitting bij de voorzieningenrechter plaatsgevonden. Ter zitting heeft eiser het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. De voorzieningenrechter heeft het beroep niet-tijdig beslissen op eisers aanvraag om AKW+ over 2024 doorverwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
2.8.
Met een beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 heeft de Svb beslist dat, in tegenstelling tot de vorige besluiten, de AKW+ niet geanticumuleerd mag worden. Eiser heeft recht op AKW+ over 2021, 2022, 2023 en 2024. De gewone en dubbele kinderbijslag mogen wel geanticumuleerd worden. De totale terugvordering bedraagt daarmee nog € 9.958,26. Door deze wijziging en de verrekening met tegoeden in België heeft eiser onder de streep geen openstaande vordering meer bij de Svb. Met deze beslissing op bezwaar is de beslissing op bezwaar van 1 december 2025 komen te vervallen.
2.9.
In de bijlage bij deze uitspraak is een overzicht opgenomen waaruit volgt met welk besluit de zaaknummers corresponderen. Met partijen is in het voortraject afgesproken dat, voor zover beroepen zijn gericht tegen primaire besluiten, deze beroepen als rechtstreeks beroep kunnen worden behandeld door de rechtbank.
2.10.
Op 9 februari 2026 zijn de beroepen van eiser gezamenlijk behandeld op een zitting van de meervoudige kamer. Bij de zitting waren aanwezig eiser, de gemachtigde van de Svb en J.Y. van den Berg, die eveneens als gemachtigde van de Svb optrad.
2.11.
Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om de Svb in de gelegenheid te stellen om een cijfermatige onderbouwing van de besluitvorming over te leggen. De Svb heeft op 13 februari 2026 een reactie ingediend. Eiser heeft hier op24 februari 2026op gereageerd.
2.12.
De rechtbank heeft het onderzoek op 15 mei 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank zal allereerst de beroepen niet-tijdig beslissen beoordelen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank de inhoudelijke beroepen van eiser.

AMS 25/6228

4. Eiser heeft het beroep niet-tijdig beslissen met zaaknummer AMS 25/6228 op de zitting ingetrokken. Van de intrekking is een proces-verbaal opgemaakt, dat op13 februari 2026 naar partijen is verstuurd. Dit beroep behoeft daarom geen verdere bespreking.

AMS 26/287, 26/288 en 26/289

5. De rechtbank stelt vast dat de Svb op 5 november 2025 beslist heeft over het recht op gezinsbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2025. Op de zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat dit niet een beschikking is als antwoord op zijn verzoek. Eiser wilde weten waarom de kinderbijslag niet is betaald en heeft de Svb gesommeerd tot uitbetaling van de kinderbijslag en tot het nemen van een samenloopbeschikking. Bovendien had de Svb drie verschillende beschikkingen moeten nemen in plaats van één, omdat per kwartaal beslist dient te worden.
5.1.
De rechtbank overweegt dat eiser de Svb op 17 oktober 2025, 3 november 2025 en 17 november 2025 in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig uitbetalen van de kinderbijslag over respectievelijk het eerste, tweede en derde kwartaal van 2025. In de ingebrekestellingen schrijft eiser dat tot op heden geen rechtsgeldige beschikking is genomen waarin zijn recht op kinderbijslag is ingetrokken of opgeschort. De Svb heeft de ingebrekestellingen, hoewel deze niet via het gebruikelijke aanvraagformulier zijn ingediend, opgevat als aanvragen. De rechtbank vat de ingebrekestellingen eveneens – mede – op als aanvragen.
5.2.
De Svb heeft op 5 november 2025 beslist dat eiser weliswaar recht heeft op Nederlandse gezinsbijslag, maar dit recht niet tot uitbetaling komt omdat de Belgische gezinsbijslag hoger is dan de Nederlandse gezinsbijslag. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van de Svb in voldoende mate overeenkomt met wat door eiser is aangevraagd middels een ingebrekestelling. De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat de Svb voor elk kwartaal met een aparte beschikking had moeten beslissen. De Svb heeft dan ook adequaat besloten op eisers aanvraag. Voor zover eiser het inhoudelijk niet eens is met de beschikking van 5 november 2025, geldt dat de inhoud van een besluit niet ter discussie kan staan in een beroep niet-tijdig beslissen. Bij een beroep niet-tijdig beslissen staat centraal óf de overheid (te laat) een besluit heeft genomen, niet de inhoud van het besluit zelf.
5.3.
De Svb heeft zich ter zitting bereid gevonden om een bestuurlijke dwangsom toe te kennen voor zover na dagtekening van de ingebrekestellingen te laat is beslist. Na dagtekening van de ingebrekestelling heeft de Svb twee weken de tijd om te beslissen. De ingebrekestelling voor het eerste kwartaal is verstuurd op 17 oktober 2025. De Svb had tot 31 oktober 2025 de tijd om een besluit te nemen. De Svb heeft op 5 november 2025 een besluit genomen. Dat is vijf dagen te laat. Omdat deze termijnoverschrijding korter is dan veertien dagen, is de Svb een dwangsom verschuldigd van € 23,- per dag, dus € 115,- voor vijf dagen. Voor wat betreft de aanvraag voor het tweede kwartaal geldt dat de Svb op tijd heeft beslist. De Svb had tot 17 november 2025 de tijd om te beslissen (twee weken na 3 november 2025) en heeft op 5 november 2025 beslist. Ditzelfde geldt voor de aanvraag voor het derde kwartaal. De ingebrekestelling is verstuurd op 17 november 2025, dus nadat de Svb hierover een besluit heeft genomen.
5.4.
Omdat de Svb een dwangsom verschuldigd is voor het niet-tijdig beslissen op het recht op gezinsbijslag voor het eerste kwartaal van 2025, zal de rechtbank het beroep niet-tijdig beslissen met zaaknummer AMS 26/287 gegrond verklaren. Omdat de Svb na de ingebrekestellingen alsnog en tijdig een besluit heeft genomen over het recht op gezinsbijslag voor het tweede en derde kwartaal van 2025, zal de rechtbank de beroepen niet-tijdig beslissen met zaaknummers AMS 26/288 en AMS 26/289 niet-ontvankelijk verklaren.

AMS 25/4690, 26/283 en 26/284

6. Met de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 heeft de Svb de beslissing op bezwaar van 1 december 2025 vervangen. Op de zitting heeft de Svb desgevraagd ook bevestigd dat hiermee eveneens de beslissing op bezwaar van 2 juli 2025 is vervangen. Op grond van artikel 6:19 van de Awb hebben de beroepen van eiser tegen de besluiten van 2 juli 2025 en 1 december 2025 van rechtswege mede betrekking op de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026.
6.1.
Omdat de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 in de plaats treedt van de beslissingen op bezwaar van 2 juli 2025 en 1 december 2025, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen de laatstgenoemde beslissingen op bezwaar. De rechtbank verklaart daarom de beroepen voor zover die daartegen zijn gericht niet-ontvankelijk. Omdat deze besluiten pas tijdens de beroepsfase zijn vervangen, krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten en het door hem betaalde griffierecht.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 om twee redenen voor vernietiging in aanmerking komt. Ten eerste heeft de Svb eiser, zoals hij ook aanvoert, ten onrechte niet gehoord. In de gehele procedure heeft geen hoorzitting plaatsgevonden. Dit is in strijd met artikel 7:2 van de Awb. Van een geval waarin van het horen kon worden afgezien, zoals bedoeld in artikel 7:3 van de Awb, is geen sprake. Daarnaast ontbreekt in de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 een cijfermatige onderbouwing, zodat onvoldoende is gemotiveerd waarom de Belgische kinderbijslag de Nederlandse kinderbijslag overstijgt en eiser om die reden geen Nederlandse kinderbijslag krijgt. De rechtbank heeft de Svb ter zitting in de gelegenheid gesteld deze onderbouwing alsnog te verstrekken. Hiervan heeft de Svb gebruik gemaakt.
6.3.
Vervolgens rijst de vraag of de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 in stand kunnen blijven. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hierna licht de rechtbank toe waarom. De rechtbank zal daarbij eerst het recht op AKW+ en daarna het recht op reguliere en dubbele kinderbijslag bespreken.

AKW+
6.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser, op basis van de beslissing op bezwaar van31 januari 2026, AKW+ uitbetaald krijgt over 2021, 2022, 2023 en 2024. Reden van deze wijziging in de besluitvorming is een voorgenomen beleidswijziging van de Svb dat de AKW+ niet geanticumuleerd mag worden met Belgische gezinsbijslagen. De Svb heeft het gewijzigde standpunt ingenomen dat de AKW+ en de Belgische zorgpremie niet van dezelfde aard zijn.
6.5.
Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat de Svb weliswaar AKW+ uitbetaalt voor de jaren 2021 tot en met 2024, maar dat de AKW+ in het verleden is verrekend met gezinsbijslag van het Belgische zusterorgaan van de Svb, Fons. Daardoor heeft Fons te weinig gezinsbijslag betaald. Omdat de gezinsbijslag verrekend is, is het gereserveerde potje vanuit België leeg, aldus eiser.
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat de Svb volledig tegemoetgekomen is aan de beroepsgronden van eiser voor zover dit het recht op uitbetaling van AKW+ betreft. Dat dit recht pas later is vastgesteld en eventueel gevolgen kan hebben voor uitbetaling van de gezinsbijslag in België valt niet binnen de omvang van dit geding en kan de rechtbank dus niet toetsen. De Svb gaat niet over de uitbetaling van Belgische gezinsbijslag. Hiervoor zal eiser zich tot Fons moeten wenden.
6.7.
Voor zover het de uitbetaling van de AKW+ over 2025 betreft, overweegt de rechtbank dat de Svb hierover niet expliciet heeft besloten in de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026. In het kader van het rechtstreekse beroep dat bij de rechtbank voorligt tegen de twee besluiten van 5 november 2025, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser recht heeft op uitbetaling van AKW+ over 2025. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
6.8.
Met het eerste besluit van 5 november 2025 (kenmerk VZ 3593762-0 AKW0851) heeft de Svb beslist dat eiser geen recht heeft op uitbetaling van de AKW+ over 2024. De rechtbank stelt vast dat de Svb dit besluit heeft vervangen met de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026, waarmee in zoverre aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen. Het beroep tegen het eerste besluit van 5 november 2025 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
6.8.1
Met het tweede besluit van 5 november 2025 (kenmerk VZ 3593762 - AKW0806) heeft de Svb beslist dat eiser geen recht heeft op uitbetaling van gezinsbijslag over 2025. De rechtbank stelt vast dat de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 enkel ziet op 2021 tot en met 2024 en niet op 2025, zodat het tweede besluit nog steeds ter beoordeling voorligt. Gelet op de voorgenomen beleidswijziging van de Svb zal de rechtbank het rechtstreekse beroep van eiser tegen het andere besluit van 5 november 2025 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat eiser recht heeft op uitbetaling van de AKW+ over 2025.

Reguliere en dubbele kinderbijslag
6.9.
Met de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 heeft de Svb beslist dat België vanaf 1 juli 2021 prioritair bevoegd is de gezinsbijslag te betalen. Volgens de Svb heeft eiser € 9.667,28 te veel aan Nederlandse gezinsbijslag (reguliere en dubbele kinderbijslag) ontvangen over de periode 1 juli 2021 tot en met 31 december 2024. Dit bedrag is volgens de Svb terecht met de Belgische gezinsbijslag verrekend. Er is € 290,98 te veel verrekend; dit bedrag zal de Svb aan Fons terugboeken. Eiser heeft geen openstaande vordering meer bij de Svb.
6.10.
Eiser voert aan dat de Svb geen samenloopbeschikking heeft genomen. Daarom mag volgens eiser niet geanticumuleerd worden. Er is geen overeenkomst gesloten tussen België en Nederland, zodat de Svb de kinderbijslag had moeten blijven betalen.
6.11.
De rechtbank overweegt dat eiser is onderworpen aan de werking van verordening nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (de basisverordening) en verordening nr. 987/2009 (de toepassingsverordening). De beroepsgrond van eiser komt erop neer dat, als er geen zogenoemde samenloopbeschikking door de Svb genomen wordt, het EU-recht geen toepassing vindt. Dit betoog kan niet gevolgd worden. In de voornoemde verordeningen staan regels die lidstaten met elkaar hebben afgesproken en waar lidstaten zich dan ook aan dienen te houden. Als een van de lidstaten, in dit geval Nederland, uitvoering geeft aan de regels in de verordening, dient de andere lidstaat, in dit geval België, zich daar aan te houden. Het wel of niet nemen van een beschikking op nationaalrechtelijk niveau kan daar niet aan in de weg staan. De rechtbank stelt vast dat de Svb in deze situatie terecht uitvoering heeft gegeven aan het Europese recht. De manier waarop zij dat heeft gedaan heeft zij neergelegd in meerdere beschikkingen.
6.12.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de Svb het Europees recht op juiste wijze heeft toegepast. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Ingevolge artikel 72, eerste lid, van de toepassingsverordening kan de Svb, als hij onverschuldigd uitkeringen heeft verstrekt, aan het orgaan van een andere lidstaat – in dit geval België – dat verantwoordelijk is voor het betalen van uitkeringen aan de betrokkene, verzoeken om het onverschuldigde bedrag in te houden op eventuele achterstallige of lopende betalingen aan de betrokkene. Dat verrekening de voorkeur verdient bij de terugvordering van te veel verstrekte bedragen volgt ook uit artikel 71 van de toepassingsverordening, gelezen in combinatie met artikel 84 van de basisverordening. Op basis van deze bepalingen ziet de rechtbank, anders dan eiser, voldoende grondslag voor de door de Svb gehanteerde handelwijze om de terugvordering van te veel ontvangen bedragen te verrekenen met tegoeden van Fons. Dat er een aparte samenloopbeschikking moet worden genomen om dit te mogen doen, zoals eiser betoogd, blijkt niet uit het Europees recht.
6.13.
Eiser voert verder aan dat de Nederlandse gezinsbijslag op zijn naam wordt uitgekeerd, terwijl de Belgische gezinsbijslag op naam van zijn partner wordt uitgekeerd. De gezinsbijslagen worden dus op naam van twee verschillende personen uitgekeerd. Ook om die reden kan volgens eiser geen verrekening plaatsvinden.
6.14.
De rechtbank volgt dit standpunt niet. Beide tegemoetkomingen zijn immers bedoeld voor eisers dochter en komen daarmee ten goede aan hetzelfde gezin. Dat de ene uitkering op naam van eiser en de andere uitkering op naam van zijn partner wordt verstrekt, doet hieraan niet af.
6.15.
Op de zitting is besproken dat de Belgische kinderbijslag uit meerdere onderdelen bestaat: zorgtoeslag, reguliere kinderbijslag, leeftijdstoeslag en schooltoeslag. Volgens de Svb is alleen vergeleken met de Belgische zorgtoeslag en reguliere kinderbijslag, aangezien deze volgens de Svb van vergelijkbare aard zijn als de Nederlandse reguliere en dubbele kinderbijslag. De Belgische leeftijdstoeslag en schooltoeslag zijn volgens de Svb niet meegenomen in de berekening. Eiser betwist dat de Belgische zorgtoeslag en reguliere kinderbijslag de Nederlandse reguliere en dubbele kinderbijslag overstijgt. Naar aanleiding van de schorsing van het onderzoek ter zitting, heeft de Svb een cijfermatige specificatie ingediend.
6.16.
Eiser heeft in reactie hierop aangevoerd dat de Svb bij deze specificatie geen eenduidige en controleerbare componentafbakening hanteert. Zolang de Svb niet precies en controleerbaar specificeert welk deelstelsel (het Vlaams Groeipakket) en welke concrete componenten juridisch zijn vergeleken, ontbreekt een toetsbare vaststelling van “prestaties van dezelfde aard” als bedoeld in de coördinatieregels van de basisverordening. Zonder een dergelijke precieze vaststelling is de toepassing van anticumulatie niet controleerbaar en ontbeert de daarop gebaseerde berekening een verifieerbare grondslag, aldus eiser.
6.17.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser meent, acht de rechtbank de componentafbakening die de Svb in de specificatie gehanteerd heeft voldoende eenduidig en controleerbaar. De Svb heeft terecht geconcludeerd dat de Nederlandse kinderbijslag niet tot uitbetaling komt. De rechtbank overweegt daartoe dat de Svb een gespecificeerd overzicht van de Nederlandse en Belgische gezinsbijslagen met per soort de bijbehorende bedragen heeft verstrekt. Uit de specificatie blijkt dat de Belgische zorgtoeslag ruimschoots hoger is dan de Nederlandse dubbele kinderbijslag. De Belgische zorgtoeslag is, over meerdere kwartalen en jaren bezien, ongeveer € 1.700,- tot € 1.800,- per kwartaal, terwijl de Nederlandse dubbele kinderbijslag, over meerdere kwartalen en jaren bezien, tussen de ongeveer € 280,- en € 400,- per kwartaal is. De Belgische zorgtoeslag alleen al overstijgt ook de Nederlandse kinderbijslag en dubbele kinderbijslag bij elkaar opgeteld (gezamenlijk tussen de ongeveer € 550,- en € 800,- per kwartaal). Daar komt nog bij de Belgische reguliere kinderbijslag, die eveneens tussen de ongeveer € 290,- en € 310,- bedraagt. In de specificatie ziet de rechtbank het door de Svb op de zitting ingenomen standpunt bevestigd dat de Belgische leeftijdstoeslag en schooltoeslag niet zijn meegenomen in de berekening.
6.18.
Op de zitting is met partijen besproken dat de Svb in de beslissing op bezwaar van 1 december 2025 de terugvordering heeft gematigd met € 2.116,30. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 is de terugvordering van te veel betaalde kinderbijslag echter niet meer gematigd. Op de zitting heeft eiser aangevoerd dat hij hiermee benadeeld is. De rechtbank merkt dit aan als een beroep op het verbod op reformatio in peius. Dit verbod houdt in dat een betrokkene door het maken van bezwaar niet in een verslechterde positie mag komen.
6.19.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de Svb toegelicht dat de matiging alleen zag op de AKW+ over de jaren 2021 en 2022 en niet op reguliere en dubbele kinderbijslag. Voor wat betreft die jaren heeft de Svb besloten tot matiging van de terugvordering, omdat de Svb de informatie uit België, die inhoudt dat eiser een soortgelijke gezinsbijslag ontving, laat heeft verwerkt waardoor de Svb volledige gezinsbijslag is blijven betalen. Inmiddels heeft de Svb echter een nieuw standpunt ingenomen en is de terugvordering ten aanzien van de AKW+ in het geheel komen te vervallen. De Svb heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de terugvordering om die reden niet meer gematigd kán worden, nu de terugvordering van tafel is. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat niet betwist wordt dat eiser nu geen kinderbijslag meer hoeft terug te betalen, zodat ook om die reden geen sprake is van benadeling.
6.20.
Eiser doet verder een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij voert aan dat eisers rechtspositie niet op transparante wijze is vastgesteld, maar vervaagd is door een opeenstapeling van besluiten die elkaar niet logisch opvolgen. De Svb heeft geen rekening gehouden met eisers individuele omstandigheden en zorgsituatie. Door te kiezen voor maximale terugwerkende kracht en het construeren van een omvangrijke schuld, heeft de Svb een middel ingezet dat evident verder gaat dan noodzakelijk, aldus eiser. Bovendien speelt mee dat België een verjaringstermijn van slechts drie jaar kent. Deze omstandigheden maken volgens eiser dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Daarnaast is het vertrouwensbeginsel geschonden. Volgens eiser heeft de Svb vertrouwen gewekt door jarenlang ononderbroken kinderbijslag uit te betalen.
6.21.
De rechtbank overweegt dat de Svb de te veel betaalde bedragen aan kinderbijslag niet heeft teruggevorderd, maar verrekend. Eiser hoeft op dit moment geen kinderbijslag terug te betalen. De gehele vordering is voltooid. Onder de streep is eiser, in Nederland, financieel niet benadeeld omdat zijn financiële situatie ongewijzigd is gebleven. Het bedrag dat eiser in eerste instantie moest terugbetalen is gecompenseerd met het bedrag dat eiser nog ontvangt aan AKW+. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat hij door de besluitvorming financieel in de problemen komt. Als eiser financieel in de knel zit omdat België te veel verrekend heeft, is het aan eiser om daartegen in België op te komen. Ditzelfde geldt voor eisers beroepsgrond dat België een verjaringstermijn van drie jaar kent. In dit verband merkt de rechtbank op dat eiser momenteel ook al een zaak bij de Belgische geschillencommissie aanhangig heeft. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel slaagt dus niet.
6.22.
Over het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 december 2019, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent echter niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden.
6.23.
De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Op grond van artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene Kinderbijslagwet (Akw) herziet de Svb een besluit tot toekenning van kinderbijslag als blijkt dat de kinderbijslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de Akw moet de Svb de kinderbijslag die onverschuldigd is betaald terugvorderen. Deze bepalingen zijn dwingendrechtelijk van aard. Gebleken is dat België bij voorrang bevoegd is om de kinderbijslag uit te keren, zodat de Nederlandse reguliere en dubbele kinderbijslag niet tot uitbetaling komt. De Svb was verplicht om eerdere beschikkingen te wijzigen en kinderbijslag terug te vorderen, omdat er onverschuldigd is betaald. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat op grond van het enkele feit dat in het verleden kinderbijslag is betaald de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de Svb naar de toekomst toe kinderbijslag zou blijven betalen.
6.24.
Voor wat betreft eisers (rechtstreeks) beroep tegen de twee besluiten van 5 november 2025 overweegt de rechtbank ten slotte als volgt. Zoals de rechtbank onder 6.8.1 heeft overwogen, heeft de Svb beslist dat de eiser geen recht heeft op uitbetaling van gezinsbijslag over 2025. De rechtbank zal bepalen dat eiser recht heeft op uitbetaling van de AKW+ over 2025. Voor zover dit besluit het recht op uitbetaling van reguliere en dubbele gezinsbijslag betreft, is de rechtbank van oordeel dat het besluit in stand kan blijven. Dit betekent, samengevat, dat eiser over 2025 wel recht heeft op uitbetaling van de AKW+ en geen recht heeft op uitbetaling van de reguliere en gezinsbijslag.
Conclusie en gevolgen
7. Kort samengevat komen de gevolgen voor eiser van deze uitspraak er feitelijk op neer dat eiser recht heeft op uitbetaling van AKW+ over 2021 tot en met 2025. De terugvordering van AKW+-gelden is komen te vervallen omdat eiser wel recht heeft op AKW+. Eiser heeft weliswaar ook recht op reguliere en dubbele kinderbijslag, maar deze komen niet tot uitbetaling omdat de Belgische gezinsbijslag deze bijslagen overstijgt. Omdat de Svb in het verleden onverschuldigd reguliere en dubbele kinderbijslag heeft betaald aan eiser (€ 9.958,26), blijft de terugvordering daarvan in stand. Door de verrekening met België heeft eiser geen openstaande vordering meer bij de Svb. Tot slot, omdat de Svb te laat heeft beslist op eisers aanvraag om kinderbijslag voor het eerste kwartaal van 2025, is de Svb aan eiser een dwangsom verschuldigd van € 115,-.
7.1.
Eiser heeft recht op vergoeding van zijn proceskosten en het door hem betaalde griffierecht. De proceskosten zijn € 97,44 aan reiskosten voor het reizen naar de zitting. Eiser heeft in totaal € 215,- griffierecht betaald.
Beslissing
AMS 26/287

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

stelt de door de Svb verbeurde dwangsom vast op € 115,-;

draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.

AMS 26/288

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

AMS 26/289

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

AMS 25/4690

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 2 juli 2025 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 gegrond;

vernietigt de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar van31 januari 2026 in stand blijven;

draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;

veroordeelt de Svb in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 97,44 (eenmalig voor alle zaken).

AMS 26/283

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 1 december 2025 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 gegrond;

vernietigt de beslissing op bezwaar van 31 januari 2026;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing op bezwaar van 31 januari 2026 in stand blijven;

draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.

AMS 26/284

De rechtbank:

verklaart het beroep tegen het eerste besluit van 5 november 2025, kenmerk VZ 3593762-0 - AKW0851, niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep tegen het tweede besluit van 5 november 2025, kenmerk VZ 3593762-0 - AKW0806, gegrond;

vernietigt het tweede besluit van 5 november 2025;

bepaalt dat eiser recht heeft op uitbetaling van de AKW+ over 2025;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde tweede besluit van 5 november 2025;

draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.S. van Limburg Stirum, voorzitter, enmr. A.D. Belcheva en mr. K.S. Man, leden, in aanwezigheid van mr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.

griffier

voorzitter

de griffier is verhinderd te tekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: overzicht zaaknummers
Zaaknummer

Beroep tegen (uitblijven van) welk besluit?

AMS 25/4690

Beslissing op bezwaar 2 juli 2025, vervangen door beslissing op bezwaar 31 januari 2026

AMS 25/6228

Beroep niet-tijdig beslissen tegen uitblijven van een besluit op de aanvraag om AKW+ over 2024

AMS 26/283

Beslissing op bezwaar 1 december 2025, vervangen door beslissing op bezwaar 31 januari 2026

AMS 26/284

Besluiten 5 november 2025

AMS 26/287

Beroep niet-tijdig beslissen tegen uitblijven beslissing op aanvraag gezinsbijslag eerste kwartaal 2025

AMS 26/288

Beroep niet-tijdig beslissing tegen uitblijven beslissing op aanvraag gezinsbijslag tweede kwartaal 2025

AMS 26/289

Beroep niet-tijdig beslissen tegen uitblijven beslissing op aanvraag gezinsbijslag derde kwartaal 2025

Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5005.

Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:746.

Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AMS 25/6226.

Artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.

Artikel 4.17, derde lid, van de Awb.

Artikel 4.17, tweede lid, van de Awb.

Zie in dit verband het arrest Wieringh van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2014:300.

ECLI:NL:CRVB:2019:4351.

Artikel delen